woensdag 14 november 2018

Reinerus Ruiten

Het is kwart voor vijf op de ochtend van 19 maart 1846. Over twee dagen begint officieel de lente maar buiten is het koud en sneeuwt. In een huisje in Kampen ligt de 25 jarige Maria Alberts Diender in bed. Na uren weeën gehad te hebben is ze nu aan het laatste stadium van haar bevalling gekomen. Ze zucht steunt en perst en om vijf uur wordt met behulp van vroedvrouw Johanna Kuijlman haar eerste kind geboren. Het is een jongetje en krijgt dezelfde naam als zijn grootvader; Reinerus. Zijn roepnaam is Reinier. De vader van het kleine jongetje is de schippersknecht Jacob Reijers Ruiten en weet nog van niks. Er moet brood op de plank komen voor de kleine baby en dus is hij is vissen op de Zuideezee. De volgende ochtend doet daarom de vroedvrouw aangifte van de geboorte van de kleine Reinerus.
Reinier Ruiten
Jacob en Maria zijn nog maar pas getrouwd. Amper twee maanden geleden gaven ze elkaar het
Ja-woord.
De zwangere buik van Maria moet duidelijk te zien zijn geweest. Als Reinerus drie jaar is, is zijn moeder opnieuw zwanger. Jacob werkt inmiddels als schippersknecht bij de schipper Jacob van Heisbergen. Ook de in Kampen woonachtige Fokke Jacobs van der Slacht werkt als schippersknecht op het schip van Jacob van Heisbergen. Op 18 augustus is het drietal in Leeuwarden als het noodlot toeslaat. Jacob overlijdt 's nachts om 2.00 uur, slechts 34 jaar oud.
's Ochtends zijn het Schipper Jacob en knecht Fokke die de dood aangeven. Ze weten dat zijn vrouw Maria heet, maar meer is ze niet bekend, ook de achternaam is niet correct.
Er heerst op dat moment Cholera in Leeuwarden. In de dagen rond de dood van Jacob overleden er al 8 mensen aan deze ziekte. Mogelijk is Jacob ook een van deze slachtoffers. In zijn overlijdensakte staat hiervan echter niets vermeld.

Overlijdensakte Jacob Reijers Ruiten
Als Maria in Kampen het bericht krijgt van het overlijden van haar man is ze zeven maanden zwanger. Ze vertrekt hoogzwanger samen met de drie jarige Reinerus naar haar moeder op Schokland, waar ze op 17 oktober bevalt van zoon Jacob.
De beide broers groeien op het eiland. Wie de geschiedenis van het eiland kent weet dat dit waarschijnlijk in bittere armoe is geweest.
Als Reinerus 13 is en Jacob 10 wordt het eiland ontruimd. Hun huisje in Emmeloord met nummer 27A moet worden afgebroken en worden meegenomen naar Kampen.

Emmeloord, met in het roze huisje nr 27

Voor 23.81 gulden koopt Maria het eerste van de 21 stukken grond in de tuin van onderwijzer  Arnoldus Legebeke, die deze ter beschikking heeft gesteld aan de Schokkers. Hier herbouwt ze haar schokkerhuisje samen met haar zoons Reinier en Jacob. In huisje nr. 2, pal achter de woning van Maria gaat haar zus Anna wonen met man en kinderen.

Schokkerbuurt in Kampen. 
Schokkerbuurt in Kampen
Handtekening Maria Alberts Diender

Reinerus brengt de rest van zijn jeugd door in Kampen en zal, zoals zoveel Schokkers, heimwee hebben gehad hebben naar het eiland. Hij wordt volwassen maar treed niet in de voetsporen van zijn voorouders die allemaal, zonder uitzondering, vissers waren. De textielindustrie is dan in opkomst en Reinier wordt Trijpwever. (Trijp is een soort fluweel)

Huisje nr 1 in de Schokkerbuurt

Hij leert de dienstbode Johanna Catharina Diender kennen. Ook een meisje van Schokker afkomst. Op 29 oktober 1874 trouwen ze. Reinier is 28, Johanna 23 jaar. 
Geld om de verplichte leges voor het huwelijk te betalen hebben ze niet en ze trouwen dus ook, zoals zoveel van mijn voorouders, met een verklaring van onvermogen. Het pas gehuwde stel blijft in Brunnepe wonen. 

Reinerus Ruiten en Johanna Catharina Diender
In 22 jaar tijd krijgt het echtpaar 10 kinderen:

Jacob Ruiten * 28-4-1876/ +29-7-1947
Jacob Ruiten
Johanna Maria Ruiten * 16-9-1877/ +18-2-1960

Albertus (Bart) Ruiten * 18-10-1879/ +31-12-1966
Bart Ruiten
Jacobus Ruiten * 8-3-1883/ +14-6-1883

Jacobus Marinus Ruiten * 30-3-1884/ +28-5-1884

Maria Jacoba (Marie) Ruiten *1-4-1885/ + 9-4-1983
Marie Mossel-Ruiten
Jacoba Hendrika Ruiten * 14-11-1887/ +16-10-1889

Jacobus Hendrikus (Kobus) Ruiten * 24-2-1891/ + 8-5-1971
Kobus Ruiten
Jacobus Marinus Ruiten * 8-9-1893/ + 27-6-1894

Catherina Helena (Heleen) Ruiten * 27-1-1897/ + 19-4-1971
Heleen van den Berg-Ruiten


Op 9 juli 1889 overlijdt Reinerus moeder Maria Alberts Diender. Ze is dan 68 jaar. Ze is nooit hertrouwd en woont bij Reinerus en zijn gezin in.
Als jongste dochter Heleen nog in de luier zit, trouwt oudste zoon Jacob met Katherina Stroeve, ook van Schokker afkomst en krijgen een zoon. Het gezin verhuisd vervolgens naar Deventer.
Zo wordt Reinerus op zijn 52e voor het eerst grootvader, zijn jongste dochter is dan twee jaar.

Bijna alle kinderen van Reinerus trouwen met een partner van Schokker afkomst.
Johanna Maria Ruiten trouwt met Marinus Kalter. Zoon Bart Ruiten trouwt met Maria Zalm.
Mijn overgrootmoeder Marie trouwt met Evert Mossel. Zoon Kobus trouwt met Trui Lohman en Heleen Ruiten trouwt met Antonius van den Berg.

Vermoedelijk alle drie de dochters van Reinerus Ruiten
Kleinkinderen krijgt Reinerus ook genoeg, ik heb er 38 geteld.
Reinerus vrouw, Johanna Catherina Diender, overlijd om 11 uur 's ochtends op 16 september 1910 aan de Noordweg 25 in Kampen op 58 jarige leeftijd. Na 36 jaar huwelijk is Reinerus ineens alleen....
Noordweg 25, Kampen

Zijn kinderen en klein kinderen houden hem op de been.
Onlangs stond er in het Schokkererf nr. 103 van september 2018 een aantal "vertelselties" van Marie Ruiten-Zalm. Het ging om opnames uit 1954 die door het Meertens Instituut waren gemaakt. Op deze opnames vertelt Marie Ruiten-Zalm in het Schokkers enkele verhalen over vroeger. Ook haar man Bart Ruiten is bij de opnames aanwezig. 
Bart, de zoon van Reinerus Ruiten, is niet veel te horen, maar wel zingt hij een liedje. Het is "het versje van de foekepot". Een versje dat vroeger op Schokland met vastenavond gezongen werd. 
Het versje van de foekepot
Van wie zou Bart dat liedje geleerd hebben? Van zijn vader Reinerus en zijn moeder Johanna?
Ik zie het helemaal voor me hoe het gezin 's avonds voor de kachel aan tafel zit om de kinderen het liedje te leren. Ik vind het bijzonder om te horen.
Als lid van de Schokkervereniging kun je op de site de opnames uit 1954 beluisteren.

Zuiderzeemuseum, 2000. Ik voor het huisje van Maria Alberts Diender en haar zoon Reinerus Ruiten.

Zuiderzeemuseum, 2000.
Mijn oma, Johanna Maria Mossel voor het huisje waar haar opa Reinerus Ruiten en zijn moeder Maria Alberts Diender hebben gewoond.
Reinerus heeft na het overlijden van zijn vrouw in 1910 nog heel veel jaren te gaan.
Zevenentwintig jaren zal hij nog doorbrengen zonder zijn vrouw. Reinerus sterft op 13 maart 1937 in Kampen op 90 jarige leeftijd.
In de archieven vind ik uit die tijd weinig over hem. Helaas ken ik ook niemand die me nog over hem kan vertellen. Een dochter in Enschede, een zoon in Deventer, ik denk dat hij ze amper nog eens heeft gezien. Woonde hij alleen of bij een van zijn andere kinderen in? Hoe sleet hij zijn dagen? Ik hoop het ooit nog eens te weten te komen.

Onderstaande foto kreeg ik pas geleden van een familielid. Ik denk dat dit wel eens Reinerus Ruiten zou kunnen zijn, samen met mijn overgrootmoeder Marie, zijn dochter. Het lijkt of ze samen van de kerk terug komen of zouden ze aan het winkelen zijn geweest?

Marie vertrok in 1927 met haar gezin naar Enschede dus de foto moet voor die tijd gemaakt zijn. Deze man, vermoedelijk Reinerus, moet hier zo tussen de 70 á 80 jaar oud zijn. 
Als iemand mij kan vertellen of dit Reinerus is of niet, dan hoor ik dat graag!

Marie Mossel-Ruiten met onbekende man









woensdag 5 september 2018

Heinrich van Adrichem, deel I


Op 15 november 1889 werd er in Schüttorf, Duitsland mijn overgrootvader geboren. Hij was het vierde kind van Johannes van Adrichem en Judith Langkamp. Ze vernoemden hem naar de moeder van zijn vader, oma Hendrikje Vitjeroo, maar geboren in Duitsland werd hij aangegeven bij de burgerlijke stand van Schüttorf als Heinrich.
Schüttorf
De oudste broer van Heinrich is de dan vijf jarige Albert Frederik. Albert Frederik Langkamp is geboren in Enschede voor het huwelijk van zijn ouders. Albert Frederik is bij zijn geboorte in 1884 aangegeven door zijn opa Barend Langkamp en wordt niet vernoemd naar iemand van de familie van Adrichem, dus er is bij mij enige twijfel of Johannes van Adrichem wel zijn vader is, maar bij het huwelijk van Johannes en Judith in 1886 wordt de jongen wel gewettigd en gaat hij als Albert Frederik van Adrichem door het leven.

Johannes en Judith
Heinrich ’s oudste zus is Johanna Huberta van Adrichem, ze is drie jaar als haar nieuwe broertje geboren wordt. Johanna Huberta werd geboren in Ibbenbüren, Duitsland en wordt keurig volgens de regels vernoemd naar opa Johannes Huibert van Adrichem.

Dan volgt broertje Frederik. Hij is twee jaar oud als Heinrich, of Hennek op z’n Twents, geboren wordt. Hij is vernoemd naar oma van moeders kant, Frederica Godschalk. 

Herinneringen aan zijn oudste broer zal Heinrich niet hebben. Albert Frederik overlijdt op zeven jarige leeftijd als Heinrich twee jaar is.
Na het overlijden van Albert Frederik wordt zusje Albertina Frederika in Nordhorn, Duitsland geboren, maar ze overlijdt twee weken nadat ze haar eerste verjaardag hebben gevierd. Vier maanden daarvoor is haar zusje Barendjen geboren, ook in Nordhorn en vernoemd naar opa Barend Langkamp.

Het is in die tijd gebruikelijk om de kinderen te vernoemen naar hun overleden broer of zus. En het volgende kindje in het gezin krijgt dan ook de naam Alberdina. Ook zij wordt in Nordhorn geboren. Het gezin wordt in 1900 uitgebreid met de geboorte van dochter Judith en in 1903 komt het laatste kind van Johannes en Judith ter wereld en heet heel verrassend; Johannes. Deze kinderen worden in Enschede geboren, en hiermee is het gezin compleet, en dat is maar goed op want de namen zijn op!

Johannes Jr.
De kindersterfte in die tijd is groot en ook Barendjen overlijd. Vermoedelijk is ze niet ouder dan zeven jaar geworden en overleden in Nordhorn. Ik kan Barendjen niet meer vinden in de Nederlandse bevolkingsregisters na 1901. Hendrik is op dat moment twaalf jaar en is oud genoeg om te beseffen wat er allemaal aan de hand is in het gezin en het verdriet zal na het verlies van een derde kind groot zijn.

Het grote gezin van Johannes en Judith heeft moeite om de eindjes aan elkaar te knopen, dat blijkt wel uit de constante verhuizingen van Nederland naar Duitsland en weer terug. Als Johannes weer een voor een tijdje werk heeft in een textielfabriek verhuist het hele gezin weer mee. De afstanden zijn in deze tijd niet zo heel groot meer, maar in die tijd zal een verhuizing naar Nordhorn een aardige reis zijn geweest.
Nordhorn
Rond om de textielfabrieken was het ook geen gezonde omgeving om op te groeien. Een woud van schoorsteenpijpen van de fabrieken die een constante stroom zwarte smerige rook uit stoten die neersloeg op de huizen in de omgeving en die je inademde. De stoomfluiten kondigden het begin en einde van de werkdag en in de middag floten ze wanneer het tijd was voor het middageten. Als je geluk had en snel at kon je ’s middags nog even een uiltje knappen. Tegenwoordig noemen we dat heel hip een powernap, maar in die tijd was dat heel normaal.

Als twaalf jarige zal Heinrich vast ook al wel een baan in de fabrieken hebben gehad. Iedereen in het gezin moest zijn steentje bijdragen. Als ’s ochtends om zeven uur de eerste stoomfluit ging, waste je je gezicht even snel onder de pomp, at wat brood en vertrok je naar de fabriek. Honderden klompen klepperden dan door de straten van de stad om op tijd in de fabrieken te zijn. Mannen met petten, vrouwen met schorten en nog half slapende kinderen. Veel keus had je daarin niet.

Heinrich groeide op tot een jonge man en moest zich op zijn twintigste melden voor de nationale militie. Waar zijn broer Frederik de dans ontsprong, moest Heinrich wel in dienst. Op 24 mei 1909 moest hij zich melden en op 1 juli 1909 werd hij overgeplaatst naar de 1e compagnie Hospitaalsoldaten, gelegerd in Amsterdam. Waarschijnlijk moest hij in het militaire ziekenhuis aan de Sarphatistraat (waar zijn oudoom Aart ook heeft gewoond) zieke of gewonde militairen verzorgen of zat hij op de ambulance. Tegenwoordig heet de compagnie Hospitaalsoldaten, het regiment geneeskundige troepen en een hospitaalsoldaat wordt nu Hospik genoemd.

Militair hospitaal Sarphatistraat
Op 30 september 1909 en op 4 januari 1910 gaat Heinrich op groot verlof terug naar Enschede net als op 10 september 1910. Alles lijkt goed te gaan totdat Heinrich op 2 januari 1912 opgepakt wordt. Hij heeft als soldaat zijnde zijn kleding “die hem van gouvernementswege ten gebruike zijn gegeven” verkocht. 
Dit valt onder “diefstal met braak en voortgezette handeling” en Heinrich wordt veroordeel tot een “militaire detentie van eene maand en een gevangenisstraf van een jaar en zes maanden en met ontzegging van het recht om bij de gewapende machte of als militair geëmployeerde te dienen voor den tijd van 5 jaaren”. Heinrich komt in de strafgevangenis in Arnhem terecht.

Koepelgevangenis Arnhem

Daarmee volgt Heinrich in de voetsporen van zijn vader, oom, opa en oudooms. Allemaal in militaire dienst en allemaal komen ze op een of andere manier in aanraking met de (militaire) rechtbank, zij het voor diefstal, zij het voor mishandeling en/of desertie.

Triest is dat Heinrich dan verliefd is op een 17 jarig meisje die op dat moment hoogzwanger van hem is. (Wanneer dat is gebeurd staat er helaas niet bij, waarschijnlijk tijdens zijn normale verlof)
 Een maand na zijn arrestatie bevalt ze in Nordhorn van dochter Aleida Maria Hekke. Na zijn vrijlating in 1913 wil het stel graag trouwen, maar de katholieke Mina mag niet trouwen met de ongelovige Heinrich. Volgens familieverhalen werd Heinrich hier zo boos om dat hij de pastoor achterna heeft gezeten, terwijl die rondjes rende om de kerk om aan de woeste Heinrich te ontsnappen. 
De 17 jarige Mina moest als minderjarige toestemming hebben van haar ouders om te trouwen. Haar Nederlandse vader was echter negen jaar daarvoor al overleden en van haar Duitse moeder kreeg ze de zo gehoopte toestemming niet.  

Mijn vader vertelde me dat Mina zo van streek door het nieuws dat ze niet met Heinrich mocht trouwen dat ze zichzelf met haar pasgeboren dochter wou verdrinken in het Almelo-Nordhornkanaal. Een toevallige passant zou haar hebben tegen weten te houden. Er zat dus voor Heinrich en Mina niets anders op dan te wachten tot haar 21e verjaardag.

Almelo-Nordhornkanaal

Op 6 juli 1915, enkele dagen na die verjaardag, diende Mina een verzoek in bij de kantonrechtbank in Enschede, waar ze op dat moment al woonde, om met haar Heinrich te mogen trouwen. 
Ondanks de oproep van de rechtbank verschijnt moeder Maria Adelheid Unland niet om de toestemming te geven. De rechter geeft het stel uiteindelijk dan de zo lang gewenste toestemming om te mogen trouwen. 

Zodra alle benodigde papieren die uit Duitsland en Nederland moesten komen, binnen waren kon het stel een trouwdatum uit kiezen. Voor het huwelijk moesten bepaalde leges betaald worden en dat kon het stel niet opbrengen. Een aantal bekenden moesten worden opgetrommeld om te getuigen dat het stel het geld echt niet had om dat te betalen, waarna ze met een verklaring van onvermogen alsnog konden trouwen. 
Trouwfoto Heinrich en Mina
Op 7 november 1915 is het lang verwachte moment dan eindelijk zover. Onder toeziend oog van Heinrich ‘s ouders werden de handtekeningen gezet. 
Heinrich ‘s ooms Jan Kleine Snuverink en Hendrik ter Höfte, beide getrouwd met de zussen van moeder Judith Langkamp waren de getuigen. Ook de dan tweejarige Aleida was aanwezig en werd bij het huwelijk gewettigd en eindelijk mochten ze allemaal de achternaam van Adrichem dragen.  


Wordt vervolgd….

vrijdag 22 juni 2018

Wolter Jansen, de Scherprechter

Bij mijn onderzoek naar de families Jansen en Goedgeluk kwam ik steeds opnieuw de term vilder of viller tegen. Eerst dacht ik nog dat het een titel was wanneer een voorouder Christiaen de Viller werd genoemd, op z'n Frans uitgesproken. 
Maar nadat ik de term bij zoveel voorouders tegen kwam ben ik toch maar even gaan Googelen. Tot mijn schrik bleek het totaal wat anders zijn. Achteraf is de betekenis heel logisch, maar het was nou niet het eerste wat bij mij opkwam.

Een vilder of viller is namelijk een koudslachter. Het is iemand die er een beroep van heeft gemaakt om dood vee en paarden te villen. Een vilder was niet populair, hij werd meestal gemeden door zijn medemensen. En niet alleen de vilder zelf, ook zijn familieleden werden gemeden. Zo gebeurde het dus vaak dat vilders families voornamelijk contact hadden met andere vilders families en trouwden met elkaar en zo weer nieuwe vilders gezinnen stichten. Dat verklaarde meteen waarom ik het beroep bij bijna alle voorouders tegenkwam.

Nauw verwant aan het beroep van vilder is dat van scherprechter, ook dit kwam ik vaak tegen als beroep van mijn voorouders. De scherprechter is de man die in opdracht van het gerecht het beulswerk voltrekt.

Mijn voorvader Wolter Jansen was scherprichter in Gendringen. Een beul dus...
De beul werd in de meeste samenlevingen gevreesd maar ook geëerbiedigd als vertegenwoordiger van de wet. En hield zich vaak sociaal afzijdig. Vaak kreeg de scherprechter het predikaat Meester voor zijn naam, wat aangeeft dat men hem een belangrijke status toekenden. Zijn dagloon was dan ook uitzonderlijk hoog in vergelijking met andere beroepen.


In 1708 dient hij een request in bij Graaf Oswald van den Bergh. In Varsseveld is een man die zicht het recht toe matigt alle paarden en dieren die onder Wisch verongelukken van huis te ontdoen.
Wolter heeft daar "groote schaede en nadeel van”. Hij heeft voor dat werk namelijk een knecht ingehuurd. Nu vraagt hij toestemming om door middel van aanplakbiljetten in de kerken van Terborg, Varsseveld en Silvolde bekend te maken dat de inwoners verplicht zijn uitsluitend van de diensten van zijn knecht gebruik te maken.

Zijn zoon die ook Wolter Jansen heette, was scherprechter in alle jurisdictiën van het Hooggraafelijk Huis Bergh. Hij vraagt in 1788  "een vast tractement boven de jura". Dat zijn de rechten die hij volgens tarief voor zijn verschillende beulsverrichtingen kan declareren.
Volgens hem oefenen zijn vader, grootvader en overgrootvader al meer dan 300 jaren dit ambt uit. En in vroegere tijden hadden zijn hierdoor een behoorlijk bestaan wanneer "de delicten en gevolglijk de crimineele gevallen menigvuldiger waaren". De naam van zijn echtgenote Berendiena Goedgeluk heeft het gezin echter geen geluk gebracht want  Wolter Jansen is tot grootste armoede vervallen…

Vilder en beul zijn dus beroepen die in elkaars verlengde liggen.
In het oude strafrecht neemt het folteren (tortuur) een belangrijke plaats in. Wie een misdaad begaat, moet erop voorbereid zijn dat hij heel wat te verduren krijgt als hij gepakt wordt. De mens heeft een ongebreidelde fantasie, als het erom gaat een medemens te kwellen en pijn te doen.

Tortuur heeft het doel een mens een bekentenis af te dwingen. Zolang een misdadiger blijft ontkennen, heeft de rechtbank een probleem, ook al blijkt uit alle omstandigheden dat hij schuldig is: zij zit met een onzeker en daardoor onbehaaglijk gevoel dat er iets mis met de procedure. Bekent hij echter schuld, dan wassen de rechters en kan het recht zijn loop hebben.

De tortuur is een techniek om de waarheid te produceren en er worden regels voor opgesteld. De scherprechter moet ze kennen en de techniek beheersen; al doende raakt hij vertrouwd met het menselijk lichaam. Er worden werktuigen uitgevonden die wel pijn veroorzaken, maar het slachtoffer niet verwonden. Met duimschroeven worden de vingers samengeperst zodat het bloed eruit spuit; ook voor de benen en andere lidmaten zijn er schroeven. Het slachtoffer krijgt een houten peer in de mond om te verhinderen dat hij zijn kiezen op elkaar kan klemmen en zo de pijn kan verbijten. Het lichaam kan worden uitgerekt op een pijnbank of met een gewicht aan de voeten met behulp van een koord over een katrol worden opgehesen.


Steeds moet de beul erop bedacht zijn patiënt niet te kwetsen. Iedere beul heeft zijn eigen specialiteit. De folterkamers die thans toeristische attracties vormen, staan vol met pronkstukken van "lichaamsknijpkunst" die in werkelijkheid misschien nooit zijn gebruikt. Ons lopen er de rillingen van over de rug. Dat is ook de bedoeling: als een misdadiger 's avonds in het schemerdonker door een angstaanjagend uitgedoste scherprechter in zo'n folterkamer wordt binnengebracht, krijgt ook hij de koude rilling. Hij moet zich uitkleden en krijgt een folterkiel aan en dan begint de plechtigheid.

In drie fasen wordt gefolterd: eerst met dreigementen, vervolgens worden de duimschroeven aangelegd en als dat geen effect heeft, grijpt de scherprechter de spitsroeden en trekt hij desnoods al zijn registers open.
Rechts Kasteel Huis Bergh
Hoe de folterkamer op Huis Bergh er uit ziet, is niet bekend. In ieder geval heeft de scherprechter Wolter Jansen de middelen bij de hand om mensen te dwingen de misdaden te bekennen die door het getuigenverhoor reeds zo klaar zijn als de dag.

De volgende straffen werden in die tijd vaak uitgevoerd. Vaak dus door mijn voorouders.
De galg, de brandstapel (deze straf is rond 1680 nog twee maal in het ambt Bergh uitgevoerd), knijpen met gloeiende tangen, geseling, brandmerken, radbraken, kaakstelling, tuchthuis, boete, verbanning en onthoofding.

Meester Wolter Jansen heeft maar één keer het zwaard hoeven te gebruiken om iemand te onthoofden. Dat is op 28-6-1677 als Hendersken Wolberinck wordt terechtgesteld. Zij is 19 jaar en geboren te Bocholt. Als zij in 1676 bij Jan Alers in Arnhem in betrekking is, wordt zij "bezwangerd" door een ruiter Johan van de Compagnie van de graaf van Styrum. Sinds begin 1677 woont zij "te Stokkum bij haere moeije" en sinds een maand "ten huize van Willem te Waeter te 's Heerenberg. Zij weet met haar kind geen raad en "vermoordt" het; zij verbergt het lijkje in het beddestro. Ze wordt veroordeeld en mijn voorvader is de gene die het zwaard heft en haar hoofd er af hakt.

Natuurlijk weet ik dat niet alle vondsten die je doet bij stamonderzoek niet leuk zijn, maar deze vondst had ik misschien liever niet gedaan als levert het wel een interessant verhaal op. Ik heb gelezen over de meest gruwelijke straffen en om dan te bedenken dat voor meerdere van mijn voorouders dagelijkse kost was. Op sommige momenten werd ik er echt misselijk van. 
Ik hoop maar dat ik deze eigenschappen niet mee heb gekregen in het DNA wat ik van ze geërfd heb. Al durf ik nog geen spin te doden dus ik geloof dat dat wel goed zit...

Dit is een door mij verkort en aangepast verhaal samengesteld uit de verhalen op de site van Theo Goossen. De gehele verhalen zijn op https://theo-goossen-zevenaar.webnode.nl/voor-galg-en-rad2/ en https://theo-goossen-zevenaar.webnode.nl/news/tachtig-criminele-processen2/

woensdag 20 juni 2018

Kwartierverlies

Een aantal weken geleden werd ik benaderd door een vrouw (i.v.m. privacy wil ik haar hierna G. noemen) via FTDNA.com. 
G. is op zoek naar haar donorvader en haar DNA heeft een kleine match met het mijne.
Ze vroeg of ik mijn stamboomgegevens met haar wou delen zodat ze ze kon vergelijken met andere matches in de hoop dat ze op deze manier achter de identiteit van haar donorvader kan komen.
Uiteraard wou ik graag meewerken, wie me een beetje kent weet dat ik dol ben op een beetje speurwerk en dit leek me een mooie uitdaging.
Doordat ik ook mijn vader's DNA heb laten testen en G. daar niet mee matcht en ook niet met mijn achterneef had ik al snel in de gaten dat ze dus verwant moet zijn aan mijn moeder.
Uren ben ik bezig geweest met het proberen uit te zoeken aan welke kant van mijn moeders stamboom ik dan toch moest zijn.
Aan mijn opa's kant, die allemaal uit de Achterhoek komen, of aan mijn oma's kant, voornamelijk Schokker nazaten?
Hoe meer we met elkaar mailden hoe ingewikkelder de zoektocht werd. De gegevens van haar andere matches die ze me stuurde kon ik totaal niet koppelen aan mijn stamboom.
En het werd nog vreemder toen ik uit had gezocht dat de gezamenlijke matches die G en ik hebben op FTDNA, allemaal aan mijn vaders kant van de stamboom kon linken.
Ik heb er letterlijk wel eens een nacht van wakker gelegen. Dan zat mijn hoofd zo vol en liep ik zo te malen dat ik er niet meer uit kwam en dan liet ik het maar weer even rusten.

Maar zo af en toe draai ik mijn kwartierstaat uit en ga ik alle voorouders na om te kijken of er in de tussentijd nieuwe gegevens online zijn gekomen.
En zo vond ik vorige week de ouders van mijn voorouder Aaltjen Scheenk. Blij met weer een stapje verder, wou ik deze nieuwe gegevens in Aldfaer, het stamboomprogramma wat ik gebruik, invoeren toen ik ineens zag dat deze mensen al in mijn stamboom voorkwamen.

Aan de schokker kant van mijn stamboom heb ik dat wel vaker meegemaakt. Dit heet kwartierverlies (of verdubbeling).en dat zit zo; ik heb twee ouders, en vier overgrootouders. Elke generatie verdubbeld dus het aantal voorouders. Tien generaties terug heb ik dus al meer dan duizend voorouders. Twintig generaties terug zijn dit er al meer dan een miljoen, dertig generaties terug (zo ver zal ik wel nooit komen!) zijn het er een miljard. Zoveel mensen leefden er toen niet eens op de hele aarde. Het is dus erg logisch dat sommige voorouders meerdere keren in je kwartier staat voorkomen. En als mensen van een klein eiland zoals Schokland komen dan heb je ontzettend veel kwartierverlies. Ook in de kwartierstaat van mijn zoons komt dit voor, mijn man en ik hebben zo'n acht generaties terug dezelfde voorouder.

Aaltjen Scheenk bleek de dochter te zijn van Jan Scheenk en Geesken Koevers.
Jan en Geesken hadden ook een zoon, genaamd Johannes Henricus en ook hij is een van mijn voorouders.
Toen ik ging uitzoeken aan welke kant van mijn stamboom deze voorouders zaten kwam ik tot verbazing er achter dat mijn vader verwant is aan Aaltjen Scheenk en mijn moeder aan Johannes Henricus Scheenk. Dat betekend dus dat mijn vader en moeder aan elkaar verwant zijn! Ze zijn elkaars 5x achterneef en nicht. Een bijzondere ontdekking, die ik totaal niet had verwacht.
Het verklaarde wel meteen waarom ik de DNA matches van G. en mijzelf ook matchen met mannen die ik aan mijn vaderskant van de stamboom kon plaatsen.
Snappen jullie het nog?


Uiteraard heb ik meteen mijn ouders verteld dat ze verwant zijn aan elkaar. Vervolgens heb ik meteen G. gemaild.
Ze is blij met mijn bevinding maar het maakt het er voor haar niet makkelijker op.
Ze heeft nu zoveel stamboomgegevens van andere DNA matches dat ze het overzicht helemaal kwijt is. Super frustrerend lijkt me dat. Ik vind dat al, en ik het is niet eens mijn eigen vader die ik zoek.
Hoe ik ook mijn best doen, met mijn gegevens alleen kan ik G. nog steeds niet plaatsen in dit hele verhaal.
We weten in elk geval nu wel dat we in de regio Achterhoek moeten zoeken.
En ik geef niet zomaar op, ik ben vastbesloten om net zo lang te helpen zoeken, of ze wil of niet ;-), totdat we haar vader te vinden!
Al is het intussen "hun" vader geworden want G. heeft inmiddels wel een halfbroer en -zus gevonden.

Wordt vervolgd....

maandag 4 juni 2018

de Familie Mölders


Deze keer wil ik graag een stukje schrijven over de familie Mölders.
Ik begin met mijn overgrootmoeder Johanna Antonia Mölders.
De 25 jarige, in Bredevoort geboren, Johanna trouwde op Valentijnsdag 1924 in Aalten met de 24 jarige Herman Jozef de Vries. Johanna was het zesde kind uit een gezin van negen kinderen, waarvan de oudste levenloos ter wereld kwam.
Hoewel de trouwdag uiterst romantisch en liefdevol klinkt vermoed ik dat het huwelijk van Johanna en Herman niet bepaald over rozen is gegaan. Amper drie maanden nadat ze in het huwelijksbootje waren gestapt kwam mijn oma ter wereld in het kleine gehucht Vragender. Na de geboorte van de eerste dochter volgde er veertien maanden later weer een dochter, dertien maanden later weer, en nog eens later weer één totdat er twaalf jaar na de geboorte van mijn oma een gezin was van acht dochters en twee zonen. De eerste kinderen werden geboren in de gemeente Aalten, het vierde kind in Losser, en de andere zes kwamen in Enschede ter wereld.

Het leven was voor mijn oma erg zwaar in het gezin. Johanna was ziekelijk en de vele bevallingen zullen haar gezondheid niet goed hebben gedaan. De zorg voor de kinderen kwam veelal bij mijn oma, als oudste dochter, terecht. Hoewel mijn oma zelden over haar jeugd wou vertellen, heb ik wel begrepen dat er veel armoe was in het gezin, en ze weinig liefde kreeg. Ook had haar vader losse handjes.
Johanna Antonia Mölders bij het huwelijk van mijn oma in 1946

Ik heb weinig foto's van Johanna, maar op de vroegste foto die ik van Johanna heb zie ik een lachende jonge vrouw, ze is daar net zo oud als ik nu ben. Op de volgende foto, amper tien jaar later gemaakt, zie ik een oude ineengekrompen vrouw, getekend door het leven.

Johanna Antonia Mölders
Johanna stierf al in 1953, slechts 54 jaar oud. Mijn vader, die naar haar vernoemd is, was toen drie jaar en de enige herinnering die hij van haar heeft is dat ze ziek op een bed lag voor het raam in hun huis aan de Hendrik Smeltweg in Enschede.



Maar wie waren de ouders van Johanna? Haar vader, naar wie ze overduidelijk vernoemd is, was Johannes Antonius Mölders.
Haar moeder was Anna Christina Frenken, naar wie mijn oma weer is vernoemd. Van deze familie Mölders weet ik niet zo heel veel. Dat de naam Mölders ook wordt geschreven als Mulders, Molders en andere varianten maakt het zoeken er niet makkelijker op.
Johannes werd op 15 juni 1865 geboren in Aalten als zevende van de twaalf kinderen van Jan Hendrik Mölders. Zijn moeder Aleida Veldkamp was de tweede vrouw van zijn vader.
De vader van Jan hendrik was de in Bocholt geboren Joannes Mölders, zoon van Joan Theodor ter Hage.
Van de elf (half-)broers en zussen van Jan Hendrik haalden alleen hij en zijn zus Johanna Grada de respectabele leeftijd van 83 jaar. Een andere halfzus werd 37 jaar, alle anderen haalden de volwassen leeftijd niet eens.  Van Jan Hendrik weet ik wel enigzins hoe hij er uit moet hebben gezien. Op de inschrijving in het militieregister staat zijn signalement vermeld;
Lengte; 1 El 689 strepen
Kleur haar; Blond
Kleur ogen; Blaauw
Aangezigt; Smal
Voorhoofd; hoog
Oogen; blaauw
Neus; ordinair
Mond; idem
Kin; rond
Haar; blond
Wenkbraauwen; idem
Geen merkbare teekenen

Anna Christina was het vijfde kind van Antonius Frenken en Christina Maria Jansen. Na haar geboorte volgden nog vier kinderen. De vader van moeder Christina Maria verliet na de dood van zijn derde vrouw het gezin en ging naar Amerika. Daar schreef ik HIER al eerder over. Vader Antonius Frenken werd geboren in Bredevoort maar stierf een half jaar na het overlijden van zijn vrouw in het Rooms Katholieke Krankzinnigen gesticht te Venray, vijf dagen na zijn opnamen. Meer gegevens over zijn overlijden kunnen ze helaas niet vrijgeven. (In het gesticht zit nu een psychiatrie museum)


Johannes Antonius Mölders en Anna Christina Frenken trouwden op 14 juni 1888 in Aalten. Bij de huwelijkse bijlagen vond ik een certificaat van onvermogen. Getuigen verklaarden dat zowel de bruid als bruidegom de verplichte kosten voor het trouwen niet konden betalen.


Johannes was fabrieksarbeider bij hun huwelijk, maar ook was hij achtereen volgens metselaar, landbouwer en tuinman. Hier maak ik op uit dat hij alle baantjes aannam om maar aan geld te komen voor zijn gezin.
Samen kregen ze de volgende kinderen:

  1. Wilhelmus Johannes Hendrikus Mölders, geboren op 13 mei 1889 te Bredevoort, overleden in 1962 te Winterswijk.
  2. Christina Maria Mölders, geboren op 13 mei 1891 te Bredevoort, overleden in 1959 aan de Aalsteedseweg 29 te Buurse.
  3. Aleida Johanna Mölders, geboren 3 oktober 1893 in Bredevoort, overleden in 1946 te Aalten.
  4. Antonius Bernardus Mölders, geboren 30 augustus 1896 te Bredevoort, overleden in 1951 te Lichtenvoorde.
  5. Een levenloos geboren zoon op 5 februari 1898 te Bredevoort.
  6. Johanna Antonia Mölders, geboren 22 januari 1899 te Bredevoort, overleden in 1953 te Enschede.
  7. Hendrika Hermina Mölders, geboren 26 december 1901 te Bredevoort, overleden in 1959 te Winterswijk.
  8. Wilhelmus Bernardus Mölders, geboren op 5 april 1904 te Bredevoort, overleden in 1953 te Winterswijk. 
  9. Agnes Maria Johanna Mölders, geboren 10 juni 1906 te Bredevoort, overleden in 1962 te Vlagtwedde. 


Anna Christina Frenken woonde in Aalten maar stierf op 10 september 1934 in het Elisabeth ziekenhuis in Winterswijk. 

Elisabeth Ziekenhuis Winterswijk
Johannes Antonius Mölders stierf op twee augustus 1948 in Lichtenvoorde. Van mijn zestien betovergrootouders die niet gestorven zijn voor 1910 zijn zij de enige waar ik geen foto's van heb. 
Ze overleden pas in 1934 en 1948 dus die zouden er haast toch wel moeten zijn. Ook heb ik nog nooit een nazaat gevonden van een van de andere zeven kinderen van dit echtpaar. Dus mocht je familie zijn en foto's hebben? Laat het me weten!

De enige foto die ik van een lid van dit gezin heb is van Agnes Maria Johanna Mölders. 
Op de achterkant van de foto staat Agnes en Ome Hendrik. Na lang speuren bedacht ik me dat deze Agnes wel Agnes Maria Johanna Mölders moet zijn, maar ik ben er nog steeds niet achter wie dan deze Hendrik moet zijn. De man van Agnes heette Antonie Hofstra, dus hij is het vermoedelijk niet. 

Agnes Maria Johanna Mölders en onbekende man.
De broer van Agnes en Johanna; Wilhelmus Bernardus kwam in 1953 op een tragische manier om het leven. Hij probeerde een 10 jarig jongetje te redden die onder water verdween nadat die aan het pootje baden was geweest in de Slingebeek net voorbij boerderij Plekenpol bij Het Woold, maar moest de reddingspoging met zijn eigen leven bekopen. 



Watermolen Plekenpol, Den Helder (Woold)
Meer interessants heb ik niet kunnen vinden, maar wie weet helpt dit verhaal om meer informatie te vinden. Dus nogmaals, ben je een nazaat van deze familie Mölders en heb je aanvullende informatie en foto's? Laat het me weten zodat ik het verhaal van deze familie nog completer kan maken.

dinsdag 13 maart 2018

Familie de Vries uit Bredevoort

Met een achternaam als de Vries is niet makkelijk uit te zoeken als je stamboomonderzoek doet. Voer de naam de Vries in op wiewaswie en je krijgt 632.203 resultaten.
Toch wou ik graag de stamboom van mijn oma de Vries uitzoeken. De familie van mijn oma kwam uit Bredevoort en dat maakte het zoeken stukken makkelijker, want Bredevoort is niet zo groot en alle de Vriesen in Bredevoort zijn verwant.

Panorama Bredevoort
In 1832 kwam de toen 32-jarige blauwverver Gerard Joseph de Vries naar Bredevoort. Hij was net getrouwd met de 29-jarige weduwe Johanna Betting.
Johanna Betting trouwde in 1827 met Heinrich Wilhelm Steinbicker en na negen maanden werd zoon Johannes Hendrikus Steinbicker geboren. Helaas overleed vader Steinbicker voor zijn zoon's tweede verjaardag.
Johanna Betting trouwde voor de tweede keer met Gerard Joseph de Vries in de St. Michael kerk in het Duitse Süderwick en het nieuwe gezin verhuisde naar Bredevoort, de geboorteplaats van Johanna.

Süderwick-Dinxperloo

Johanna en Gerard kregen in de jaren daarna samen drie dochters en toen het gezin naar Lichtenvoorde verhuisde kwam daar nog een zoon bij. Het gezin verhuisde weer van Lichtenvoorde naar Bredevoort. 
Die enige zoon die Johanna en Gerard Joseph kregen was Johannes Bernardus de Vries.
Vader Gerard Joseph overleed op 47 jarige leeftijd, toen Johannes nog maar vijf jaar oud was. En Johanna moest het alleen zien te redden met vijf kinderen.

Johannes trouwde pas na het overlijden van zijn moeder. Hij was al 38 toen hij in 1880 in Lichtenvoorde trouwde met de 17 jaar jongere, in Lichtenvoorde geboren, Johanna Elschot.
Halfbroer Johannes Hendrikus Steinbicker, die ongehuwd en kinderloos bleef, was een van zijn getuigen.

Ruim een jaar na hun huwelijk werd in Bredevoort hun oudste zoon geboren, die dezelfde naam als zijn vader kreeg; Johannes Bernardus, maar Johan werd genoemd. Zoon Bernard Hendrikus volgde als snel.
In Lichtenvoorde werd daarna hun eerste dochter geboren, Johanna Berendina, roepnaam Anna. In 1886 kwam dochter Aleida Willemina ter wereld, maar ze stierf al na zeventien dagen.
Zoon Anthonij werd in 1887 ook nog geboren in Lichtenvoorde.
Dochter Maria Karina moest in 1890 door de ooievaar ineens naar Ammeloe (Dld) gebracht worden. Zoon Heinrich Josef kwam in 1892 in Vreden (Dld) het gezin uitbreiden. Dochter Angela kwam in 1896 in Epe (Dld) ter wereld. En met de geboorte van mijn overgrootvader Herman Jozef in 1899 in Gronau (Dld) was het gezin compleet.
Vier kinderen in vier verschillende steden geboren, het werk zal in die tijd aan al die woonplaatsen te zien, niet voor het oprapen hebben gelegen. Vader Johannes Bernardus was inmiddels al zevenvijftig en moeder Johanna veertig jaar.
Het gezin vertrok, achter kinderen in totaal, naar Bredevoort waar vader, die bakker was, een bakkerij opende aan de Landstraat nr. 20.

Johannes en Johanna aan de Landstraat nr 20, met jongste zoons Heinrich en Herman.
Meisjes onbekend.
De kinderen werden groter, trouwden en kregen zelf kinderen. Oudste zoon Johan werd tramchef in Bredevoort, zoon Anthonij werd kolenboer, zoon Heinrich begon een kruidenierszaak.

Kolenboer Antoon de Vries

Waarschijnlijk ter ere van hun 40e trouwdag werd er een familieportret geschoten van het hele gezin. Alle mannen keurig in het pak. Jasje, dasje, zakhorloge. De dames allemaal in hoog gesloten jurken, broche opgespeld, haar opgestoken. Vader Johannes zit er parmantig bij met zijn lange pijp, moeder Johanna als goed gelovige katholieke met een kruisje om haar hals, en een boeketje in haar hand. De langste man op de foto is mijn overgrootvader, Herman, op dat moment 21 jaar jong.


Vader Johannes overleed in 1926 op 84 jarige leeftijd. Hij heeft niet mee mogen maken hoe 10 jaar later zijn kleinzoon Jan werd ingewijd als priester en hoe hij in 1936 zijn eerste Heilige mis in Bredevoort zou opdragen. 


Een priester in de familie was een grote eer voor de familie. Iedereen leefde mee en het hele dorp liep dan ook uit om de jonge priester te verwelkomen.
Er hingen spandoeken, de straten waren versierd, er stonden paarden met Ruiters. Witte bruidjes liepen met vlaggetjes te zwaaien, de Harmonie maakte muziek. 

feestelijk onthaal van de priester.

Er was een comitee van ontvangst en honderden belangstellenden kwamen op het gebeuren af. 
Tijdens die eerste mis op zondag 21 juli zaten zijn trotse familieleden op de eerste rij.

eerste Heilige mis van priester Jan
Na de mis gingen ze in processie naar de pastorie tuin waar er door de Harmonie een concert werd gegeven en aansluitend was er een receptie en een tentoonstelling van de nijvere missie-naaikring. 

Pater Jan met zijn moeder Aleida Wensink links en vader Johannes Bernardus rechts.
Links naast Aleida staat oma Johanna Elschot.
Bij deze feestelijke gebeurtenis kwamen broers en zussen, ooms en tante's, neefjes en nichtjes bij elkaar en dat moest natuurlijk vast gelegd worden. Johanna Elschot als trotse grootmoeder vlak naast de jonge priester. De wat kleinere familie Wensink en de lange ooms van de familie de Vries. Mijn overgrootvader steekt met kop en schouders boven de rest van de familie uit en moest dus achteraan staan. 


Jan wilde al van jongs af aan missionaris worden en een maand na zijn eerste mis in Bredevoort, vertrok pater Jan de Vries, 25 jaar oud, naar de missie in Congo, waar hij achtentwintig jaar later, in 1964 vermoord zou worden. Een straat in Bredevoort is naar hem vernoemd. 

Pater Jan de Vries met zijn vader Johannes Bernardus de Vries en moeder Aleida Wensink. 
Pater Jan met zijn ouders, oma en zus.

Moeder Johanna Elschot overleed in 1940 in Bredevoort op 81 jarige leeftijd. Alle kinderen bleven in Bredevoort of omgeving alleen mijn overgrootvader Herman Jozef vertrok met zijn vrouw en kinderen naar Enschede waar hij de kost verdiende als timmerman en als "strieker".

Maar waar de familie de Vries nou eigenlijk vandaan kwam voordat ze naar Bredevoort kwamen heeft mij en enkele andere familieleden lang bezig gehouden. Volgens het overlijden van Gerard Joseph de Vries in 1847 was hij geboren in Bocholt, Duitsland. Jarenlang hebben we gezocht naar zijn doop, maar het enige dat ik kon vinden is dat hij in 1826 vanuit Schuttenstein onder Bocholt naar het tweelingdorp Süderwick-Dinxperloo kwam om als knecht te werken.
Dat de doop, trouw en begraafboeken in Duitland amper gedigitaliseerd en openbaar zijn maakte de zoektocht bijna onmogelijk. Achternicht Marja had al in de archieven in Duitsland zitten speuren maar ook zonder resultaat.
Tot ik vorige week ineens op een site terecht kwam, hoe weet ik niet eens meer, waar de DTB boeken van de St. Georg kerk in Bocholt opstonden. 
En ik had geluk want met een vermoedelijke geboortedatum vond ik ineens de doop van Gerard Joseph de Vries waar we zo lang naar hadden gezocht, met de naam van zijn ouders. 
Vol van enthousiasme probeerde ik het emailadres van achternicht Marja te zoeken, maar dat kon ik natuurlijk niet meer weer vinden. We zijn samen al zo lang aan het zoeken geweest en dit had ik graag samen met haar willen doen, maar ik kon het niet vinden en uiteindelijk kon ik toch niet langer wachten en ben ik toch alleen verder gaan spitten in de boeken.

Doop Gerard Joseph de Vries. 
Ik vond de doop van de oudere broer van Gerard Joseph en het huwelijk van zijn ouders, die slechts vijf maanden voor die geboorte waren getrouwd. De doopgetuigen waren Johannes Wilhelm de Vries en Anna Catharina Klinkers. Vermoedelijk de ouders of een broer of zus van de kersverse ouders. Dit leken me genoeg aanwijzingen om meer familie te kunnen zoeken.

Huwelijk Johannes de Vries en Joanna Klinkers
Doop van broer Johannes Wilhelm de Vries



Vervolgens heb ik het hele doopboek van 1654 tot 1809 doorgespit naar de achternaam Defries, De Vries, Vriese en Fries, maar helaas zonder resultaat.
Met het begraafboek heb ik hetzelfde gedaan en daar vond ik maar eenmaal de naam de Vries, het overlijden van Gerhard Johann de Vries in 1815



Gerard Johann de Vries, woonachtig in Herzebocholt, 54 jaar oud. Helaas is het me niet gelukt de doodsoorzaak te ontcijferen. Mogelijk staat er brust... maar verder dan dat kom ik niet. 
Ik blijf het bijzonder vinden dat in Duitsland de doodsoorzaak vermeld wordt, in Nederland is dat namelijk niet het geval.  



In 1820 sterft zijn vrouw Johanna Klinkers op 63 jarige leeftijd. Dat betekend dat ze een jaar of vier ouder was dan haar man. Ook zij woonde in Herzebocholt bij haar overlijden en ook deze doodsoorzaak is voor mij niet te ontcijferen. 
Inmiddels was het toch gelukt achternicht Marja op te sporen en zo stond ik voor een eerste ontmoeting bij haar op de stoep met mijn nieuwste bevindingen. In al ons enthousiasme werd een kopje koffie een bezoek van bijna vier uur. Ondanks haar perfecte beheersing van de Duitse taal kon zij ook niets van de doodsoorzaken maken. Maar dat maakte onze enthousiasme er niet minder om. 

Johanna Klinkers trouwde naar schatting pas op 39 jarige leeftijd, zou dit dan wel haar eerste huwelijk zijn? Ik vraag het me af, maar hoe ik ook zoek, in Bocholt lijk ik maar niets te kunnen vinden. Ook de getuigen van hun huwelijk, Johannes Wilhelm de Vries en Anna Catharina Klinkers Dressen kan ik niet terug vinden. De naam Johannes Wilhelmus Frieslander kwam ik tegen, leek me ook een goede mogelijkheid, maar ook dit leidde tot niets.
Dat vind ik zo enorm frustrerend, uren en dagen heb ik zitten al zitten zoeken, maar allemaal zonder resultaat. Maar waar ik dan toch verder moet zoeken? Toch in Nederland? 
Geen idee... Maar ik geef niet op, want het blijkt maar weer dat iets onvindbaars soms ineens toch te vinden is!