maandag 12 april 2021

Erasmus Molenaar, op avontuur bij de VOC

Het is januari 1704, op de rede van Goeree liggen schepen uit Rotterdam te wachten op een gunstige wind die ze naar Oost-Indië zal brengen. Op het schip "Grimmestein" zit de 40 jarige Erasmus. De in Amsterdam geboren Erasmus is het middelste kind van de zeven kinderen van de Noor Sijbrant Dircks en de Zweedse Engeltie Barents. 

Vader Sijbrant is naar Amsterdam gekomen als bootsgezel ontmoette er zijn vrouw Engeltje en is er nooit meer weggegaan. Varen is waarschijnlijk iets wat de mannen in de genen zit. Niet alleen vader Sijbrant heeft gevaren, ook Erasmus 3 jaar jongere broer Barent is al naar Oost-Indië geweest. Hij vertrok in 1689 als kwartiermeester naar de Oost vanuit Amsterdam op het schip "Moerkapelle".

Barents maandbrief van 14 gulden per maand staat op naam van zijn vader Sijbrant Dircks en zijn moeder Engeltie Barents, de schuldbrief van 250 gulden staat op naam van zijn moeder. Tot en met 1695 haalt zijn moeder het geld jaarlijks op. In 1696 zijn vader. In 1697 geen van beide meer, vermoedelijk zijn ze overleden. In 1698 komt Barent weer terug naar Nederland. Hij is dan bijna 10 jaar weggeweest. 

Waarom gaat Erasmus ook met de VOC naar Oost-Indië? In tegenstelling tot zijn broer is hij wel getrouwd. Hoewel de verhalen van zijn broer avontuurlijk moeten hebben geklonken is de reis naar Batavia niet een zonder gevaren. Eenmaal getekend bij de VOC ben je voor minimaal 5 jaar in dienst, de heen- en terugreis niet meegerekend. En dan is het nog maar de vraag of je überhaupt ooit nog terugkomt. 

Erasmus neemt het risico toch. Misschien heeft hij door geldzorgen weinig keus. Hij laat zijn vrouw Emmetje en zijn jonge kinderen achter in Rotterdam als het schip op 3 januari 1703 uitvaart. 

In de dagen voor vertrek werd het aanmonsteren onder luid getrommel van de tamboer aangekondigd. De tamboer marcheerde door straten van de stad en de toekomstige zeelieden werden naar het Oost Indië huis gebracht. Daar stonden duizenden mannen te wachten. Er vertrok twee á drie keer per jaar een vloot, waarvoor per schip honderden mannen nodig waren. Er moesten schippers mee om leiding te geven, stuurmannen om te navigeren, bosschieters voor het geschut, timmerlieden voor onderhoud, chirurgijns, kok, provoosten e.d. 

Voor vertrek heeft Erasmus een maandbrief voor zijn vrouw Emmetje afgesloten. Hiermee kon ze jaarlijks drie maand salarissen van Erasmus krijgen ter financiële ondersteuning. De gage die Erasmus elke maand ontvangt is 14 gulden. Deze maandbrief kon alleen worden afgesloten voor verwanten in de eerste graad. Bij onvoldoende saldo kreeg deze uitbetaling voorrang op andere schuldeisers. 

Ook sloot Erasmus een schuldbrief af. Dit is een obligatie, een overdraagbare schuldbekentenis van maximaal 300 gulden. Net als de maandbrief had ook deze schuldbrief voorrang bij onvoldoende saldo. De werknemer in Azië kreeg dit gekort op zijn uitbetaling.

De schuldbrief van Erasmus is gericht aan Jan Sijmons. Waarom Erasmus bij hem een schuld heeft weet ik niet, vaak waren dit zogenaamde "zielverkopers", logementhouders die voor de VOC mensen aanbracht en ze tijdens de wachttijd voor aanmonstering kost en inwoning verstrekte maar tegen hoge prijzen en slechte omstandigheden. 

Vaak werden de aankomende bemanningsleden door de logementhouders voorzien van een scheepskist en een uitrusting die ze nodig hadden voor de reis. Zo vertrokken de meesten al met een schuld naar de Oost. De twee manden gage die ze voor vertrek kregen was vaak niet voldoende om de schulden te voldoen. Om die reden sloten ze een schuldbrief  af en hadden de logementhouders recht op een deel van de gage van de zeelieden. 

Oost-Indisch huis, Rotterdam, 1700.

De mannen namen hun scheepskist mee, gevuld met kleding, zeep en spiegel, pijp en tabak, lepels, kan en kroes, naaigerei en als je lezen kon, een bijbel, pen en papier, jenever, kazen, hammen en brood, genoeg voor de eerste weken aan boord.  

Zal het afscheid van Erasmus en zijn gezin zwaar zijn geweest? Niet wetend of ze elkaar ooit nog weer zullen zien? Zijn jongste dochter was op moment van vertrek nog maar 6 maanden. Zijn enige zoon was 5 jaar. 

Toen het schip "Grimmestein" op 3 januari vertrok vanuit Goeree had het aan boord 319 zeevaarders, 122 soldaten en 8 passagiers. Een totaal van 449 personen. Het schip legde op 6 januari aan in het Engelse Portsmouth. Twee zeevaarders sloegen hier meteen al op de vlucht. Op 17 januari vertrok het schip weer op weg naar Kaap de Goede Hoop. 

Het leven aan boord van het schip was zwaar. De dagelijkse werkzaamheden bestonden uit op de uitkijk staan, wachtlopen, het bedienden van de zeilen. Ze teerden het schip, hielden het schoon en repareerden het waar nodig. Hadden ze vrije tijd dan hingen ze in hun hangmatten van zeildoek op het benedendek of als het weer goed was zaten ze boven op het dek. 

Benedendeks was het krap, donker en slecht geventileerd. Er waren veel ongedierte, ratten, vlooien, luizen waren er in overvloed. De omstandigheden op het dek werden steeds slechter naarmate de reis langer duurde. De stank van de mannenlichamen, het drinkwater dat steeds meer begon te stinken, de geur van de uitwerpselen van de dieren en soms ook van de bemanningsleden. Bij mooi weer konden de luiken open, maar bij slecht weer moesten ze gesloten worden en werden de omstandigheden steeds onaangenamer. 

De zeelieden kregen drie keer per dag een warme maaltijd, maar dit eten was erg eentonig. Proviand was vaak bedorven in de warme vochtige ruimtes en het gebrek aan vitamine C en schoondrinkwater zorgde voor scheurbuik en andere ziekten. De mannen waren ingedeeld in vaste groepen waarmee men at. Deze "bakken" bestonden uit zo'n 7 man die tijdens de reis uit een gezamenlijke bak aten. 

Niet alles was echter kommer en kwel. Er werd veel spellen aan boord gespeeld en er werd gedanst en gezongen, muziek gespeeld en soms was er ook feest aan boord. Er werden toneelstukken opgevoerd

Op 26 mei 1704, na 144 dagen varen kwam de "Grimmestein" aan op Kaap de Goede Hoop. Hier konden de voorraden worden aangevuld. Schoon drinkwater, vers fruit, groente en vlees. Na een maand voor anker te hebben gelegen vertrok op donderdag 19 juni het schip weer. 

Kaap de Goede Hoop

Na nog eens 64 dagen varen bereikte het schip op 22 augustus 1704 eindelijk zijn eindbestemming, Batavia. 232 Dagen na het verlaten van Nederland. 

Batavia, het hoofdkwartier in Azië, de centrale ontmoetingsplek van alle schepen van de VOC.

Kasteel Batavia

Veelal waren de muren van het hospitaal het eerste wat de mannen in dienst van de VOC zagen toen ze Batavia bereikten. Velen kwamen ziek aan of werden ziek door de verandering van het voedsel en het klimaat. Alleen in het binnen-hospitaal in Batavia overleden tijdens de VOC periode 160.000 personen die in dienst waren getreden van de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Gemiddeld zaten er op de heenreis 206 mensen op het schip, op de terugreis was het aantal erg geslonken tot gemiddeld 109 personen. 

Tussen 1602 en 1795 gingen er 4721 schepen van de VOC naar Azië. Met aan boord in totaal 973.000 Europeanen. Een een enorm aantal. Slechts 366.900 opvarenden zouden uiteindelijk terugkeren naar de Republiek.  

Degene die nog wel gezond waren na de lange reis werden verdeeld over de barakken in de stad. Ze kregen een paar dagen vrij om te wennen aan alle indrukken en de stad bezichtigen. 

De bevolking van Batavia was net als in Amsterdam een ware smeltkroes van nationaliteiten. Er woonden Chinezen, Europeanen, Mestiezen (nakomelingen van Europese mannen en Aziatische vrouwen), Javanen en Balinezen.  Die laatste twee woonden echter buiten de poorten. De helft van de bevolking bestond uit slaven. 

Na deze eerste vrije dagen kregen de nieuwkomers hun plaats en functie aangewezen. Ze werden gevraagd naar hun ambacht of werden na exercitie doorgestuurd naar andere handelsposten. Op de tientallen schepen die de onderlinge handel in Azië onderhielden bevonden zich nog een paar duizend matrozen. Erasmus was een van de matrozen. Hij bleef op het schip "Grimmestein" tot 25 oktober 1704 waarna hij overging op het schip "Schaapsherder". 

De VOC-soldaten waren niet in het bezit van uniformen. Kleding was duur en ze gingen armoedig gekleed. En vaak hadden ze zelfs geen kousen en schoenen. Het moet een bont gezelschap zijn geweest. De een met een rood vest, de ander blauw, de een met blote benen, de ander zonder schoenen, rokjassen in allerlei kleuren. 

Erasmus was Luthers. Deze religie mocht tot in de 18e eeuw niet openlijk beleden worden. Hierdoor mochten ze ook geen hoge ambten bekleden. Wat de functie van Erasmus was toen hij eenmaal in Oost-Indië aankwam heb ik niet terug kunnen vinden. Wel weet ik dat hij tot 1706 op het schip "Schaapsherder" verbleef. In de periode dat Erasmus op dit schip verbleef ging het o.a. naar Java, Samarang en de Coromalkust. In 1706 werd Erasmus overgeplaatst naar het schip "Gent". Dit schip voerde o.a. naar Perzië via Goa. Tot januari 1708 blijft dit het schip waar Erasmus op verblijft. Het is dan inmiddels al vier jaar geleden dat Erasmus van huis vertrok. 

Eenmaal per jaar haalt zijn vrouw Emmetje de gage van drie maanden waar ze recht op heeft op,  volgens de maandbrief . Voor ontvangst van deze 42 gulden moet ze haar handtekening zetten. Uit het soldijboek blijkt echter dat Emmetje niet kan schrijven. Er staat een kruis op de plek waar haar handtekening had moeten staan. " Kruis is van Emmetje Molenaer" staat erbij geschreven. 

Kruis van Emmetje Molenaar

Deze 42 gulden is omgerekend 470 euro waard in deze tijd. Een gezin had in die tijd gemiddeld 195 gulden per jaar nodig om van rond te komen. Naast de gewone baantjes als naaister, schoonmaaksters werden sommige van deze vrouwen die achterbleven ook "zielverkopers" voor de VOC om hun inkomen op de maandbrief aan te vullen. Bedeling kwam vaak voor. Ook de kinderen moest als ze oud genoeg waren werken om het hoofd boven water te houden.

Als uit de boeken bleek dat de zeeman zijn tijd had uitgediend kreeg hij toestemming om terug te keren naar de Republiek. Hij ontving een recommandatiebrief van de VOC en liet op het soldijkantoor zijn rekening opmaken en zijn privé zaken afhandelen. Vaak verkochten ze wat ze niet meer nodig hadden aan kleding en bezittingen en sloegen voedsel in voor de terugweg. 

Persoonlijke souvenirs, handelswaar, maar ook ingelegde vis of groente om het eentonige eten aan te vullen werden meegenomen voor vertrek. De rariteitenkabinetten waren in die tijd erg populair. Er was veel interesse in de exotische voorwerpen zoals schelpen, kristallen, edelstenen, narwaltanden, opgezette dieren en inheemse planten. Denk aan hierbij bijvoorbeeld aan de verzameling die Rembrandt had. Dit soort rariteiten werden veelal meegenomen door de soldaten en matrozen om in eenmaal thuis te verkopen zodat er extra inkomen mee kon worden verworven. Ook kleine dieren als apen en papegaaien waren populair om mee te nemen om ze met winst te verkopen, als ze in leven bleven... Het beeld van zeelieden met een papegaai op de schouder was niet ongewoon in Amsterdam in die tijd. Maar ook dieren als nijlpaarden, luipaarden en struisvogels werden meegenomen door de hoge heren, vaak als cadeau voor prinsen, stadhouders en andere hoogwaardigheidsbekleders. 

De retourvloten verlieten Batavia tussen november en januari. Op 12 februari 1708 was het voor Erasmus zover. Hij ging aan boord van de "Duivenvoorde". Ruim vijf jaar nadat hij Nederland verliet kon hij weer op de terugweg naar huis. De terugtocht duurde gemiddeld iets korter dan de heenreis. Er waren minder opvarenden aan boord waardoor en de zeestromen waren gunstiger. 

Aan boord voerden zich ook zogenaamde "impotenten". Dit waren chronisch zieken die weer terug gingen naar Europa. Maar ook gevangenen die afgevoerd werden naar Robbeneiland en op Kaap de goede hoop achter gelaten werden. 

Aan boord van de Duivenvoorde dit maal 105 passagiers, bestaand uit;  74 zeelieden, 17 soldaten, 5 impotenten en 5 overige passagiers. 

Hoewel meer gehard dan op de heenreis door de zware leefomstandigheden en het tropenklimaat was de terugreis niet makkelijk. Op 7 juli 1708, 146 dagen na vertrek kwam de "Duivenvoorde" aan in Kaap de Goede Hoop voor de nodige verversingen. 

46 Dagen lang hadden de zeemannen weer vaste grond onder de voet toen de schepen weer werden bevoorraad voordat ze aan hun laatste etappe op weg naar huis gingen. 

Het laatste gedeelte van de reis zou echter een stuk langer duren dan voorzien. In plaats van dat het schip rechtstreeks naar Nederland ging, werd het opgeroepen om naar Falmouth, aan het begin van het Engelse Kanaal te gaan. Daar kwam het op 15 december 1708 aan. Vanuit daar slechts een paar dagen reizen tot de haven van Rotterdam. Het schip verbleef hier echter enkele maanden. Ik heb echter niet kunnen vinden waarom ze daar waren.

Toen de Duivenvoorde eindelijk vanuit Falmouth vertrok en de rede in zicht was maakten de zeelieden uitzinnig kabaal door te schreeuwen en op pannen en potten te slaan. Blij weer thuis te zijn. 

Lag het schip op de rede voor anker dan kwamen er bewindhebbers aan boord om de opvarenden van hun eed aan de compagnie te ontslaan. Hiermee stopte ook de berekening van de gage. 

Op 6 april 1709 was het eindelijk zover en konden de mannen met kleine scheepjes van boord om aan land te worden gebracht. De lading werd van boord gehaald door de sjouwers, dit kon nog dagen duren. Ook de kisten van de zeelieden zouden later van boord worden gehaald. Bijna 14 maanden nadat de terugreis begon. 

Hoe prettig het ook was om weer in Europa te arriveren de lange reis, ziekte, kou en gebrek aan goede kleding eisten zijn tol. De mannen moesten vanaf de kade nog uren lopen naar Middelburg. Een teruggekeerde boekhouder schreef dat ze er uit zagen als doden. Grote groepen vrouwen van lichte zeden zwermden om ze heen, klaar om ze te verleiden en om te zorgen dat ze hun gage er meteen weer door heen brasten.  

Degene die weer gezond en veilig terug waren gekomen konden na enkele dagen naar het Oost-Indisch huis om zijn kist op te halen. Na enkele weken konden de mannen zich laten uitbetalen. De soldijboeken, waarin alles keurig werd bijgehouden vermelden dat Erasmus op 24 april 1709  de 158,74 gulden op komt halen waar hij nog recht op heeft. Zijn handtekening gezet voor ontvangst van het geld. 

Handtekening Erasmus Molenaar

Erasmus kon nu weer naar huis, naar zijn vrouw en kinderen. Vijf jaar en drie maanden had hij zijn gezin niet gezien. Zouden ze hem nog herkend hebben na al die jaren afwezigheid? Zijn jongste dochter was een half jaar oud bij vertrek en zal geen herinneringen aan hem hebben gehad van de periode voordat hij wegging.

De mannen die terugkeerden uit de Oost moet mager, maar rood verbrand zijn geweest van de vele uren in de zon. Gekleed in de bonte oosterse kleding die in Batavia normaal was. Hun gedrag en taal ruw na het zoveel jaar in mannelijk gezelschap te hebben geleefd. Erasmus is vast als een hele andere man teruggekomen dan dat hij voor vertrek moet zijn geweest. 

Zou hij zijn zoontje Dirk die bij terugkomst 10 jaar was verteld hebben over de olifanten, tijgers en neushoorns die er leefden? Over de avonturen die had beleefd. Over al die verschillende culturen, het Chinese vuurwerk, het wajangspel, de tempels. Al die verschillende kleding, smaken, muziek, flora en fauna. Het moet hebben geklonken als een sprookje en de kinderen moeten aan zijn lippen gehangen hebben. 

Veel zeelieden wisten niet hoe snel ze in de bordelen moesten komen, waar ze hun geld aan drank en vrouwen uitgaven. Het salaris dat hen was uitbetaald er zo doorheen jagend.

Zou Erasmus ook een van die mannen zijn geweest? Zou hij meteen naar huis zijn gegaan? Naar zijn gezin en aan zijn vrouw het geld hebben gegeven? Zeker is dat hij op zijn vrouw zijn behoeftes heeft bevredigd. Ruim negen maanden na zijn thuiskomst werd dochter Pleuntie geboren. 

Een jaar nadat Erasmus naar Oost-Indië vertrok gagingat ook jongere broer Barent opnieuw naar Oost-Indië. Barent was intussen getrouwd, de maandbrief was dit keer voor zijn vrouw Grietje. Barent gebruikte inmiddels de achternaam "Mulder". Erasmus de achternaam "Molenaar". Een andere benaming voor hetzelfde beroep. Ook jongste broer Hans gaat zich uiteindelijk "Mulder" noemen. Misschien toch een aanwijzing van het beroep van zijn vader?

Het is 8 januari 1705 als Barent als matroos met het schip de "Unie" naar Batavia vaart. Hij komt er 8 september aan, een reis van 243 dagen. Maar zoals zovelen wordt ook Barent ziek. Hij overlijd nog geen twee maanden na zijn aankomst in Batavia. 

Dat Erasmus zijn broer is verloren in het verre Batavia houdt hem niet tegen om op 10 januari 1712 voor een tweede keer naar Batavia te gaan. Ditmaal als Bosschieter. Hij is belast met het afvuren van het kanon. Zijn gage is dit keer 12 gulden per maand. Emmetje is weer de begunstigster van de maandbrief. Ene Jan Jacobsz is dit keer in bezit van twee schuldbrieven, een voor 200 en een voor 50 gulden. 

Erasmus vaart dit keer uit met het schip de "Standvastigheid". Ook nu vaart het schip uit vanaf de rede van Goeree. Op het schip 340 zeevaarders, 171 soldaten, 16 passagiers en 5 verstekelingen. Maar liefst 532 in totaal. Ik mag hopen dat dit een veel groter schip was!

Op 28 mei 1712, 139 na vertrek, komt het schip aan op de Kaap. Het water is weer aangevuld, verse fruit, groente, vlees en andere benodigdheden ingeslagen. Na 20 dagen vertrekt het schip op weg naar Batavia, waar het op 9 september 1712 aankomt. 243 Dagen na vertrek uit Nederland. 

Op 24 september mag Erasmus van boord van schip en heeft hij eindelijk vaste bodem onder zijn voeten. 

Wat Erasmus dan niet weet is dat zijn dochter Pleuntie, die verwekt is na zijn eerste thuiskomst dan al is overleden. Het meisje werd slechts 3 jaar oud. Bij haar overlijden word het gezin vermeld als wonend "aan de Rotte". Zoals gewoon in die tijd werd Pleuntie begraven in Hillegersberg. Ze wordt begraven buiten de kerk, en er is geen kleed om haar kist te bedekken. Al had zijn vrouw Emmetje kunnen schrijven, dan nog kan het meer dan een jaar duren voordat het volgende schip met post Batavia bereikte. Erasmus zal niet op de hoogte zijn geweest van dit overlijden. 

En dan wordt Erasmus zelf ook ziek. Op 15 juli 1713 wordt hij opgenomen in het Batavia Hospitaal. Hij knapt blijkbaar weer op want hij gaat aan boord van de "IJsselmonde". Het schip vaart naar Cheribon en later naar Padang. Hier blijft hij tot 5 december 1713, dan vaart het schip weer terug naar Batavia. Op de laatste dag van het jaar 1713 overlijd Erasmus, slechts 49 jaar oud. Zijn gezin zal hem nooit weerzien... 

Emmetje blijft alleen, 38 jaar oud, met haar twee overgebleven kinderen achter. Zoon Dirk is dan 15 jaar oud, dochter Engeltje is 10 jaar. 

Hoe kwam je er in die tijd achter dat je dierbare was overleden? Lezen kon Emmetje niet en de post kon er jaren over doen. In 1713 en 1714 heeft Emmetje nog de jaarlijkse 3 maanden gage van Erasmus op kunnen halen blijkt uit het soldijboek. Pas in 1715 is de administratie op order en zijn de nieuwe gegevens uit Batavia verwerkt in het soldijboek. Kwam Emmetje er bij het ophalen van de gage pas achter dat haar man overleden was? Je kunt je in deze tijd van supersnelle communicatie nauwelijks iets bij voorstellen.

Soldijboek Erasmus Molenaar

Hoewel ze met haar 38 jaar nog jong genoeg is, hertrouwd Emmetje nooit meer. Ze blijft nog veertig jaar alleen. Dochter Engeltje sterft in 1735, slechts 32 jaar oud. Aan de Binnenweg in Cool sluit op 9 september 1752 ook Emmetje voorgoed haar. Ze is dan 78 jaar oud. 




donderdag 17 december 2020

Bernardus Marinus de Vries

Alweer vierenhalf jaar geleden schreef ik een stuk over Bernardus Marinus de Vries, een neef van mijn oma, die in 1945 op slechts 20 jarige leeftijd in kamp Wöbbelin is omgekomen. De verhalen die ik over het kamp heb gelezen waren verschrikkelijk en ik nam me voor om als ik er ooit in de buurt zou zijn het monument te bezoeken.

Bernardus Marinus de Vries

Op mijn verhaal kreeg ik ook een reactie van een dochter van Bertus, het jongere broertje van Bernard en hun, in 1945, op 13 jarige leeftijd omgekomen, broertje Henk. Ze vertelde dat haar vader een aantal keren na de val van de muur naar Wöbbelin was afgereisd om het monument te bezoeken. Onlangs had hij het verhaal over zijn broers verteld op televisie vanwege 75 jaar vrijheid. Het was een hele zoektocht maar uiteindelijk heb ik de aflevering gevonden en bekeken. 

(de aflevering vind je HIER, bij 21.57 min.)

Ik zag foto’s van de twee jongens en de namen kregen een gezicht en hoorde ik van een gezinslid het verhaal over wat er gebeurd was met beide broers. Die oudere man aan het graf van zijn veel te vroeg gestorven broer Henk te zien staan deed me wel wat. De familieband voelde aan de ene kant zo ver weg, maar tegelijkertijd toch dichtbij.

Afgelopen zomer, toen we ondanks Corona toch weer even op vakantie konden, zijn we met de camper naar Rügen geweest. De reis naar dit eiland voerde ons langs Hamburg en daarmee ook in de buurt van Wöbbelin.

Ik had van te voren al opgezocht waar het monument zich moest bevinden en ik kon de rest van het gezin overhalen om er een bezoek aan te brengen. Het bleek een beetje een onzichtbare plek aan de rand van een drukke weg waar we bijna voorbij reden. Op het eerste gezicht zag ik alleen een open plek in het bos maar toen we dichterbij kwamen bleek dit het monument te zijn.

De namen van de meer dan 1000 omgekomen mannen staan op stenen die als littekens over de bestrating lijken te lopen. De naam van Bernard werd verrassend snel gevonden. Met een uit het gras geplukte bloem markeerde ik zijn steen.


Er bleek toch meer van het kamp te vinden dan we dachten. Op het terrein staan vijf sculpturen gemaakt van de stenen van de barakken. Ze stellen “aankomst”, “honger”, “troost”, “dood”, en “hoop” voor. 

 

Ook stonden er zuilen met informatie en foto’s van het kamp. De vieze waterputten, de gammele stapelbedden en de stapels lijken in de sanitaire voorzieningen. We kunnen ons er geen voorstelling van maken.  



Wat een verschrikking moet het voor die jonge mannen zijn geweest om op die plek aan hun lot te worden overgelaten. 


Ik probeerde er niet aan te denken dat een van die mannen op de foto Bernard zou kunnen zijn maar ik kon het beeld maar niet loslaten.  


Toen we het monument verlieten en verder reden zagen we bij een afslag ineens een bordje met “massagraf” staan. Mij was niet bekend dat dat er was, maar ik wilde wel graag zien wat er te zien was en of het van kamp Wöbbelin was.


Na een eindje rijden kwamen uit bij “Strasse des Friedens”. Een klein bordje wees ons naar een bos met een heel smal paadje dat niet geschikt leek om in te rijden met een camper. Er was echter ook geen parkeerplaats om de camper neer te zetten. Ik ben in mijn eentje het bos in gelopen op zoek naar het massagraf. Er leek echter geen eind aan het bospad te komen en mijn man en zoons die achtergebleven waren bij de camper zag ik ook niet meer. Ik voelde me ineens niet meer zo prettig alleen in het bos waar niemand me zou kunnen horen als ik zou roepen. Teleurgesteld dat ik de plek niet kon vinden ben ik maar terug gelopen.

Het pad leek me met de camper, tot zover ik had gezien, toch wel begaan en mijn man wilde wel proberen om er in te rijden. Het werd een onstuimig ritje, door kuilen, door de modder, de taken schrapend langs de zijkant. Er viel van alles uit de kasten en de hor van het dakraam brak af en kwam naar beneden. Uiteindelijk werd het pad te smal en durfden we niet meer verder. Terwijl mijn man de camper probeerde te draaien ben ik toch uitgestapt en verder gelopen. Een paar meter verder stond ik ineens voor het massagraf.


Een trieste verlaten plek midden in het Neu Lublower Wald, waar 141 mannen liggen begraven die omgekomen zijn in het kamp door mishandeling, ziekte of honger. En toen, bijna aan het eind van het massagraf, naast een verkleurde bos kunstbloemen zag ik de naam van Bernard. 


Ik had zijn laatste rustplaats gevonden....




 


dinsdag 24 maart 2020

Erasmus Meulenaer

De man in mijn stamboom met de voornaam waar ik het meest nieuwsgierig naar ben is Erasmus Meulenaer uit Rotterdam. Zijn voornaam vind ik opvallend en daar wil ik meer over weten. 

Erasmus Meulenaer is de grootvader van Hester Molenaar (getrouwd met Sijbrant van Adrichem). Wat mij eerder niet was opgevallen, maar wat ik na het schrijven van het vorige verhaal over Jan van der Meer meteen zie, is de achternaam van Erasmus' vrouw; Emmetje Jans van der Meer.
Opvallend! Zou zij ook een dochter kunnen zijn van de Jan van der meer uit het vorige verhaal?

In mijn stamboomprogramma heb ik geen vader van Emmetje staan.
Daarom ben ik op zoek gegaan naar haar doop. Echter heb ik die nergens kunnen vinden.
Wat ik wel vind is haar begraafinschrijving. Emmetje overlijdt in 1752 in Rotterdam en wordt op 9 september daar begraven. Bij de inschrijving staat dat ze dan 78 jaar is.
Even terug rekenend moet ze dan in 1674 geboren zijn. Tot mijn grote frustratie kan ik een doop van haar niet vinden in het Rotterdamse stadsarchief.
Wel vond ik nog een ander kind van Pleuntie Michiels Sijdenbosch en Jan van der Meer uit mijn vorige verhaal, die ik de vorige keer niet heb gevonden. Een dochter genaamd Pleuntie die geboren is 1671. In die tijd kwamen de kinderen vaak met het regelmaat van de klok en deze dochter vult precies het gat op tussen Michiel Janse van der Meer geboren in 1668 en de vermoedelijke geboorte van Emmetje Jans van der Meer in 1674.

Als ik de doop van Emmetje niet kan vinden, ga ik op zoek naar de kinderen van Emmetje Jans van der Meer met Erasmus Sijbrants Meulenaar.

Eerst wordt Dirk geboren in 1698 in Rotterdam met als getuige Geertruij Jans.
Bij dochter Pleutie die in 1700 wordt geboren is het Marijtje Jans en Cornelis Cornelisse.
Dochter Engeltie uit 1703 heeft weer Geertuij (Geertie) Jans en dochter Pleuntje uit 1710 heeft als getuige Anna van der meer.
En dat is opvallend want dit zijn allemaal dochters van Jan Cornelis van der Meer en Pleuntie Michiels Sijdenbosch uit mijn vorige verhaal. Meestal werden broers en zussen gevraagd als doopgetuige of eventuele ouders als die op dat moment nog in leven zijn.
Het lijkt me daarom ook erg onwaarschijnlijk dat Emmetje Jans van der Meer géén dochter is van Jan van der Meer en Pleuntie Sijdenbosch.

En dat betekend dat Jan van Adrichem niet alleen met zijn achternicht Marietje Pons trouwde, maar na dat hij na haar overlijden hertrouwde met zijn andere achternicht Hester Molenaar. En dat zie er dan zo uit in de stamboom.
Weer een nieuwe ontdekking door opnieuw te kijken naar gegevens die ik al jaren bezit. 

Zouden het huwelijken uit liefde zijn geweest? Of gearrangeerd? Naar mijn weten was er weinig kapitaal om per se in de familie te willen houden. Was er een andere reden waarom er zo vaak in de familie werd getrouwd? Rotterdam was toen ook al een grote stad, keus genoeg lijkt me dan. 

Maar goed, ik dwaal een beetje af van de man met de bijzondere voornaam; Erasmus Meulenaer. 

Emmetje was niet Erasmus' eerste vrouw. Hij trouwde eerst op 14 november 1687 in Rotterdam met Catrina Pieters van der Linde, ook wel Caetie genoemd.
Ik heb drie kinderen van het stel gevonden. 
Engeltgen Meulenaer geboren in 1689 te Rotterdam. 
Cornelia gedoopt op 16-4-1691 te Rotterdam. 
En Pieternella 8-11-1696 te Rotterdam.

Caetie overlijdt vlak na de geboorte van Pieternella, misschien wel bij de bevalling. Slechts zeven maanden na de geboorte van Pieternella trouwt Erasmus met Emmetje Jans van der Meer. 
Negen maanden na dit huwelijk wordt zoon Dirk geboren. Zijn grootvader Sijbrant Dircks Meulenaer is hierbij aanwezig als getuige. 
Na de geboorte van zoon Dirk volgen er nog de dochters Pleutie, Engeltie en nogmaals een Pleuntje. 
Het mag duidelijk zijn dat de Pleuntie's zijn vernoemd naar Pleuntie Michiels Sijdenbosch en de Engeltjes naar Erasmus moeder Engeltie Erasemus. 

Hoewel de naam Erasmus bij mij toch de eerste associatie heeft met het standbeeld van de bekende Erasmus in Rotterdam, komt "onze" Erasmus uit Amsterdam. 
Tegen alle verwachtingen in kon ik zijn doop vrij makkelijk vinden. Hij is op 10 april 1664 gedoopt in de Lutherse kerk in Amsterdam. Zijn vader is Sijbrandt Dircks, zijn moeder Engeltie Erassemus, die ook Engeltie Barends wordt genoemd.

Ook de broers en zussen van Erasmus heb ik snel kunnen vinden. 


Dochter Hester gedoopt op 5 november 1656 te Amsterdam

Barent; 11 september 1661


Erasmus; 10 april 1664


Dirck; 28 augustus 1667


Roelof; 13 december 1669 


Hans; 3 juli 1672

Het lijkt me dat het hele gezin samen van Amsterdam naar Rotterdam zijn vertrokken. Zowel vader Sijbrant en moeder Engeltie maar ook broer Roelof duiken op als getuige bij de doop van een van de kinderen van Erasmus. De afstand Amsterdam Rotterdam was in die tijd denk ik niet iets waar je voor een doop zo maar even heen loopt. Ik zou wel graag willen weten wat de reden van de verhuizing is geweest. Al denk ik niet dat ik daar achter kom.

De naam Erasmus klonk me erg bijzonder in de oren maar na het doorspitten van de Amsterdamse archieven kom ik daar wel op terug. In die periode zijn er flink wat kinderen geboren met de naam Erasmus. Erasmus van Formiae was in de 15e eeuw een populaire heilige. Waarom hij als middelste broer naar een heilige is vernoemd en de rest van de kinderen in mijn ogen zo'n alledaagse naam hebben? Barent en Dirck zijn vernoemd. Zijn moeder Engeltje wordt één keer bij de doop van de kinderen Engeltje Erassemus genoemd alle andere keren Engeltje Barents.

Erasmus is wel de eerste in mijn stamboom de achternaam Meulenaer/Molenaar draagt. De kans is groot dat hij zich zo is gaan noemen om dat dit zijn beroep was. Al kan ik daar geen bewijs voor vinden. Maar waarom zou je jezelf die achternaam geven als je eigenlijk een ander beroep had?
"Naar wie ben je op zoek? Naar Erasmus! Erasmus de Molenaar? Ja die!" 
Dat klinkt toch heel logisch ;-)   

Ik ging weer een stapje verder op zoek. Naar het huwelijk van vader Sijbrant en moeder Engeltie. En die vond ik. Zoals je in de foto's van de doop van de kinderen wel kunt zien, is het niet altijd heel erg makkelijk om die oude handschriften te ontcijferen. Van het huwelijk van Sijbrant en Engeltie kon ik echt niets maken. 
Huwelijk Amsterdam 13 maart 1655
Gelukkig kan je altijd met je vraag terecht op het stamboomforum en binnen een uur had iemand het voor me ontcijfert. De uitkomst was nogal verrassend. 

Sybrant Dirckse van Westrijsen
varentgesel out 25 jaer, ouders doot
woonde op Vloomburgh ende
Engeltje Barents van Gottenburgh out 27 jaer geasstr.
met haer vader Barent Ariaentse woonde als vooren

Nu even in het 21e eeuws Nederlands. 
Sybrant Dirckse van Westrijsen,
hij is varensgezel, 25 jaar oud en zijn ouders zijn overleden.
Hij woont in Vloomburgh.
Engeltje Barents van Gottenburgh, oud 27 jaar.
Ze is er samen met haar vader Barent Ariaents en ze woont ook op Vloomburgh.
(Vader Barent en dus geen Erasmus, geen idee waarom Engeltje dan één keer als Engeltje Erassemus wordt genoemd)

Vloomburgh (of Vloonburch) is Vlooienburg, een voormalig aangelegd eiland in Amsterdam. Het eiland waar tegenwoordig de Stopera op staat.

Vlooienburg, het rechthoekige eiland in het midden in de 17e eeuw.
En dan het verrassende. Sijbrant komt uit Westrijsen, tegenwoordig heet deze plaats Risör-Sund en dat ligt in.....Noorwegen! 
Risør Sund
En Engeltie komt uit Gottenburgh, als in Götenburg, Zweden! Dat zag ik even niet aankomen. 
Deze tak van de van Adrichem stamboom leek me door en door Rotterdam's, dit had ik echt niet verwacht. 
Götenburg
Mijn DNA test had al aangegeven dat ik voor 45% scandinavische roots heb. Dat vond ik al erg leuk om te weten, maar dat je dat dan ook kan bewijzen via de akte's in de archieven is nog veel mooier! 
Het blijkt maar weer dat ook in de 17e eeuw Amsterdam al een smeltkroes van nationaliteiten was. 

dinsdag 28 januari 2020

Op zoek naar Jan van der Meer

In mijn vorige verhaal over Johannes (Jan) van Adrichem noemde ik de waarschijnlijke vernoeming naar zijn overgrootvader Jan van der Meer. Ik kon weinig bewijzen vinden voor het bestaan van deze Jan van der Meer dus besloot ik verder te zoeken.

Deze zoektocht nam weer vele uren in beslag. Het leuk me wel eens leuk om te laten zien waarom zoiets nou zo lang duurt. (Ik heb in kleur aangegeven wie steeds dezelfde personen zijn om verwarring te voorkomen)

Ik begin met huwelijk van Sijbrand van Adrichem en Anna van de Meer, de ouders van Jan. Die vind ik in Rotterdam.

Trouwinschrijving Sijbrand van Adrichem en Annetje van Meer
Datum ondertrouw: 27-09-1711
Trouwdatum: 13-10-1711
Bruidegom: Sijbrand van Adrichem
Burgerlijke staat: j.m.
Geboorteplaats: Ysselmonde
Bron of gezindte: Trouw gereformeerd
Bruid: Annetje van Meer
Burgerlijke staat: j.d.
Geboorteplaats: Rotterdam
Akteplaats: Rotterdam

Daarna ga ik op zoek naar de doop van Annetje van de Meer, de moeder van Jan. Op de achternaam van Meer of van de Meer kon ik niks kunnen vinden en moest ik verder zoeken.

Bij de doop van dochter Ariaantje wordt ze Annetie Cornelis van der Meer genoemd. Haar vader heet dus Cornelis. Dat bied weer zoekmogelijkheden.

Dopeling Ariaantie
Vader Sijbrant Korsse van Adrichem
Moeder Annetie Cornelis van der Meer
Getuige Marigie Cornelis Roest
Plaats IJsselmonde
Datum doop 19-11-1713

Gelukkig geeft het Stadsarchief Rotterdam ook zoektips! Op de site kan ik makkelijker zoeken door een $ voor de naam Annetie te zetten. Zo worden alle spellingsvarianten van de naam meegenomen Annetie meegenomen. Een * vervangt de laatste letters van een naam. Door Anne* in te toetsen zoekt hij op alle uitgangen van de naam Anne, zoals Annetje, Annetie e.d.
Ook kan ik op twee personen tegelijk zoeken. Bij de tweede persoon heb ik de naam Cornelis ingevuld en uiteindelijk ben ik deze doop tegengekomen.

Doopplaats: Rotterdam
Doopdatum: 21-03-1684
Bron of gezindte: Doop gereformeerd
Inschrijvingsjaar: 1684
Dopeling: Annettie
Moeder: Neeltie Claes
Vader: Cornelis Janse
Getuige 1: Pieter Claesse
Getuige 2: Geertruijt Willems

Ook moeders naam Neeltie komt overeen met de vernoemingen van de dochters van Annetie en Jan.

Vervolgens ga ik op zoek naar het huwelijk van Neeltie en Cornelis. Dat klinkt makkelijk, maar het zijn veel voorkomende namen in die tijd en het duurt dan ook even voor ik ze gevonden heb.
Cornelis wordt hier niet van der Meer maar Vermeer genoemd. Wel heb ik van Neeltie ook ineens een achternaam.

Trouwen op 19 januari 1680 te Hillegersberg
Bruidegom; Cornelis Janss Vermeer, geboren te Delfshave, other:j.m.
Bruid; Neeltie Claes van der Laen, geboren te Stompwijck, other:j.d.

En dan ga ik op zoek naar eventuele andere kinderen.
Door een zoekopdracht voor een bepaalde periode in te stellen kun je nog gerichter zoeken. Ik begin te zoeken vanaf 1680, het jaar van het huwelijk. Dit is halverwege januari dus ik verwacht het eerste kind negen maanden later. En de doop dan zo rond oktober/november.


En dat blijkt te kloppen. Ik vind een Anna. Hier wordt de moeder Neeltie Henderickx genoemd. De doopgetuigen komen wel overeen met de doop van Annetie. Pieter kan een broer van Neeltie zijn en Geertruijt zijn vrouw. Maar ik twijfel en voer deze doop nog niet in..
Doopdatum: 03-11-1680
Bron of gezindte: Doop gereformeerd
Dopeling: Anna
Moeder: Neeltie Henderickx
Vader: Cornelis Janse
Getuige 1: Pieter Klaessen
Getuige 2: Geertruijt Willems

Op zoek naar een volgend kind. Meestal twee jaar later. Ook dit blijkt te kloppen.
Doopdatum: 14-06-1682
Bron of gezindte: Doop gereformeerd
Dopeling: Macheltie
Moeder: Neeltie Claes
Vader: Cornelis Janse
Getuige 1: Pleuntie Chiele

Annetie kwam in 1684, dus de volgend moet rond 1686 zijn.
Dopeling: Johannes
Bron of gezindte: Doop gereformeerd
Doopdatum: 09-07-1686
Moeder: Belitie Klaes
Vader: Corneles Janse
Getuige 1: Machiel Janse
Getuige 2: Pluentie Giele
Woonplaats: op het Franse velt

Hier vinden we een Johannes, de naam waar ik op zoek was en het allemaal mee begon.
Moeder's naam is dit keer Belitie, maar met een beetje fantasie kan ik er wel Neeltie van maken. Wie weet was degene die doop inschreef wel een beetje doof of had een slecht handschrift waardoor de invoerder van de gegevens de N als een B zag. Getuige Pleuntie Chiele en Pluentie Giele lijken me ook dezelfde persoon.

Eens kijken of wel nog meer kinderen kunnen vinden. Ik gok rond 1688 en zit weer goed.
Dopeling; Klaes
Bron of gezindte: Doop gereformeerd
Doopdatum: 15-04-1688
Moeder: Neeltie Klaes van der Laen
Vader: Kornelis Janse van der Meer
Getuige 1: Pleuntie Ghiele
Woonplaats: op 't Franse Velt

Hier hebben we weer achternamen. Die namen van der Laen en van der Meer kloppen met de al bekende gegevens. En ook de naam van de getuige komt steeds terug.

Eventuele andere kinderen heb ik niet meer kunnen vinden. Ik geloof er niet in dat als je op de geboorte van de kinderen de klok gelijk kunt zetten dat er tussen de datum van het huwelijk en het eerste kind twee jaar zit.
De eerste Anne, ondanks de verkeerde achternaam van de moeder, voer ik dan toch in als kind. De getuigen zijn namelijk het zelfde en waarschijnlijk is de eerste Anna gestorven waardoor Annetie dezelfde naam als haar zus krijgt.

In het stamboomprogramma Aldfaer dat ik altijd gebruik zit een optie om eventuele twijfel aan te geven. En dat doe ik dan ook.


Je ziet wel hoeveel verschillende spellingen van namen er gebruikt worden. Vaak komt dit omdat mensen zelf niet konden lezen en/of schrijven. Dat maakt het zoeken heel erg moeilijk.

Dan op zoek naar de doop van Cornelis Jansse van der Meer of Vermeer.
Bij zijn huwelijk wordt vermeld dat hij in Delfshaven is geboren. Hij is getrouwd in 1680 en was op dat moment minimaal 21 jaar. Dat betekend dat ik een doop zoek in Delfshaven vóór 1659 met een zoon die Cornelis heet en een vader Jan. Dat voor ik in op onderstaande wijze.



En al vrij snel vind ik Cornelis Jansse Vermeer.
Doopinschrijving Cornelis
Doopplaats: Delfshaven
Doopdatum: 02-02-1656
Bron of gezindte: Doop gereformeerd; Trouw gereformeerd
Dopeling: Cornelis
Moeder: Pleuntje Michiels
Vader: Jan Cornelisse Vermeer
Getuige 1: Pleuntje Andries
Getuige 2: Bastiaen Cornelisse

Stompwijk, waar Neeltie Claes van der Laen moet zijn geboren, valt niet onder de regio Rotterdam en kan ik niet opzoeken via het Stadsarchief van Rotterdam. Haar doop op zoeken bewaar ik voor een volgende keer.

Wel kan proberen de rest van het gezin te vinden. De  naam van de moeder valt me ook op. Pleuntje Michiels kan natuurlijk heel goed de eerdere doopgetuige Pleuntie Chiele of Pluentie Giele zijn. 

Ik dacht dat Giele een achternaam was en niet een patroniem. Achteraf gezien heel logisch, de ouders worden vaker aangeduid met hun patroniem dan met een achternaam. 
Zoeken zonder achternaam is aan de ene kant lastig maar vaak is het ook heel handig om te weten wie de vader is en zo verder te kunnen zoeken en af en toe duikt er dan weer een achternaam op zoals bij onderstaand geval.

Dit keer een dochter. Niet met de achternaam Vermeer en ook niet van de Meer. 
Doopinschrijving Marije
Doopplaats: Hillegersberg
Doopdatum: 20-03-1661
Bron of gezindte: Doop gereformeerd
Dopeling: Marije
Moeder: Pleuntge Miechiels
Vader: Jan Cornelisse Craemer
Getuige 1:Elysabeth IJsbrants

Dit keer is het Craemer. Dit lijkt me niet zijn achternaam, eerder zijn beroep. Zoals de voorouder van Hester Molenaar ongetwijfeld Molenaar is geweest. Toch twijfel ik, schrijf de gegevens op mijn steeds grotere stapel aantekeningen en zoek verder. 

Opnieuw vind ik een dochter en vervolgens weer een zoon.

Doopinschrijving Geertruijt
Doopplaats: Hillegersberg
Doopdatum: 09-12-1663
Bron of gezindte: Doop gereformeerd
Inschrijvingsjaar: 1663
Dopeling: Geertruijt
Moeder: Pleuntje Michiels
Vader: Jan Cornelisse
Getuige 1: Bastiaen Cornelisse
Getuige 2: Pleuntjen Andries

Doopinschrijving Micchiele
Doopplaats: Hillegersberg
Doopdatum: 03-06-1668
Bron of gezindte: Doop gereformeerd
Dopeling: Micchiele
Moeder: Pleuntie Micchiels Sijdenbosch
Vader: Jan Cornelisz Cramer
Getuige 1: Hilletie Micchiels

En hier weer die Cramer. Zoals je ziet maakt dat het zoeken niet makkelijker. 
Jan Cornelisz van der Meer, Vermeer, Craemer en Cramer zijn volgens mij allemaal dezelfde persoon.

Ik mis nog wel een kind rond 1659 en 1665. Hoeveel spellingsvarianten ik ook gebruik, op de namen Jan Craemer, Cramer of Cornelissen vind ik geen doop meer in de periode tussen 1650 en 1670. Ook met de namen Pleuntie Michiels in al zijn vormen en op de achternaam Sijdenbosch, Zijdenbos en -bosch vind ik niets. Het zou zo kunnen zijn dat er een miskraam of levenloos kindje is geboren in die tussentijd. Helaas staan alleen de doop inschrijvingen van deze periode in het Stadsarchief Rotterdam en niet de begraafboeken zodat ik het niet kan controleren.

Op het moment dat ik in mijn stamboomprogramma de achternaam Sijdenbosch in wil voeren, vult hij de naam uit zichzelf aan. 
Dat vind ik vreemd want dat betekend dat de naam al in mijn stamboom voorkomt. 
Ik klik even verder en dan vind ik een Apolonia Michielsz Sijdenbosch, gehuwd met Jan Cornelisz van der Meer. Ouders van Marytje Jans Vermaes.
De naam van de vader klopt maar het duurde even voordat het kwartje viel en ik in de gaten had dat Apolonia Michielsz Sijdenbosch dezelfde persoon is als Pleuntie Ghiele.

Dit zijn dus mijn voorouders, al staat dat niet in mijn programma weergegeven (Directe voorouders worden in het blauw weergegeven i.p.v. in het zwart)


Dochter Marije uit 1661 blijkt echter dezelfde te zijn als Marytje Jans van der Meer (blijkbaar dus ook genoemd Marietje Jans of Marijtje Vermaes of Vermas om het allemaal nog duidelijker te maken....). 
Marijtje trouwde met Kornelis Cornelis Pons. Zij kregen een zoon Jan Kornelis Pons. 
Die weer een dochter kreeg genaamd Marietje Jans Pons (vernoemd naar de bovenstaande grootmoeder)
En deze Marietje was de eerste vrouw van Jan van Adrichem waarmee ik dit verhaal begon! 
Dat maakt de moeder van Jan en de vader van Marietje neef en nicht. En dus zijn Jan en Marietje achterneef- en nicht. Ik ben al meer dan tien jaar met deze familietak bezig maar zo af en toe doe je dat toch ineens een nieuwe ontdekking!  


De doop van Jan Cornelisz van der Meer heb ik niet kunnen vinden waarmee mijn zoektocht voorlopig hier eindigt. 

Dit is een voorbeeld van een klein stukje waar ik mee bezig ben voordat ik een verhaal schrijf. Ook zoek ik uit wie de getuigen zijn en of ik die kan koppelen aan mijn voorouders. Zo kan ik uren per dag zoet zijn en kost het me vaak ook meerdere dagen. 
Soms maak ik ook fouten omdat ik te snel aanneem dat personen één en dezelfde zijn en kan ik weer overnieuw beginnen.
En daarná moet ik nog beginnen met het schrijven van het verhaal waar ik me nog meer in de achtergronden van het gezin verdiep. 
Ik heb natuurlijk niet elke dag tijd om er mee bezig te zijn daarom duurt het weken, soms maanden voordat er een nieuw verhaal hier op mijn blog verschijnt. 
Als ik een uurloon zou krijgen voor alle uren die er in deze verhalen zitten dan zou ik al bijna met pensioen kunnen! 
Ik hoop dat jullie het leuk vonden om een keer te zien hoe ik zo'n stadsarchief online uitpluis (lang leven het internet!)
Op naar nieuwe verhalen en ontdekkingen. 






zondag 19 januari 2020

Johannis (Jan) Sijbrantse van Adrichem

Over de eerste tien generaties voorvaderen van de familie van Adrichem heb ik hier inmiddels al een stuk geschreven. Alleen Johannes Sijbrants van Adrichem ontbreekt nog in het rijtje. Johannes is de zoon van Sijbrand van Adrichem en Anna van de Meer. Het stel uit dit verhaal. En hij is de vader van de ongehuwde Anna van Adrichem, het verhaal van haar en haar zoon Johannes vind je hier.


Ik weet, in verhouding met zijn voorouders en nazaten, niet zo heel veel over hem en zijn gezin te vertellen, maar ik ga toch proberen zoveel mogelijk van hun levensverhaal te reconstrueren.

Johannes werd gedoopt op 18 november in het jaar 1722 in IJsselmonde, op dat moment een dorp naast Rotterdam.
Rotterdam was op dat moment een stad in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Het was de periode van het Tweede Stadhouderloze Tijdperk.
De naam Johannes van Adrichem is al heel erg veel genoemd in al mijn verhalen. De Johannes waar ik het in deze post over ga hebben in eigenlijk Johannes van Adrichem de Eerste. Na hem zal een lange lijn nazaten volgen die dezelfde naam dragen. Zijn roepnaam was Jan, en zo zal ik hem vanaf nu ook noemen om de verwarring niet groter te maken.

Natuurlijk heb ik me afgevraagd waar de naam Johannes vandaan komt. Naar wie is hij vernoemd? Aangezien de naam Johannes nog niet eerder in de familie voorkwam ben hier toch even verder in gedoken.
Zoals ik al eerder heb geschreven was het in die tijd zo dat je je kinderen moest vernoemen naar de grootouders. In het gezin van Johannes ouders, die samen 7 kinderen kregen, is dit ook gebeurd.
Het eerste kind; Cornelis werd genoemd naar grootvader Cornelis Jans van der Meer. Het tweede kind Adriana werd genoemd naar haar grootmoeder Adriana Cornelis Roest.
Kind nummer drie Corstiaen werd vernoemd naar grootvader Corstiaen Sijbrants van Adrichem, dit kindje overleed na 26 dagen. Het kind dat hierna kwam, ook een jongetje, kreeg ook de naam Corstiaen.
Het vijfde kind kreeg de naam van de enige overgebleven grootmoeder; Neeltie, naar Neeltie Claes van der Laan. Het zesde kind kreeg opnieuw de naam Corstiaen nadat ook de vorige Corstiaen overleed op 1 jarige leeftijd.
En de komt het 7e kind, en zijn de namen op. Dit wordt dus Johannes. Mogelijk is hij vernoemd naar zijn overgrootvader. De vader van Cornelis Jans van der Meer, waar het eerste kind naar werd vernoemd. Ik heb echter geen bewijs gevonden van een Jan of Johannes van der Meer. Maar dit lijkt me het meest logisch. Johannes of Jan was in elk geval op dat moment de populairste naam in Nederland. Vlak na de geboorte van Jan overlijd zus Neeltje. Als achtste kind komt er een meisje bij die ook de naam Neeltie krijgt. 

Het leeftijdsverschil tussen Jan en zijn oudste broer Cornelis is tien jaar. En met zijn zus Adriana ssheelt Jan negen jaar. Broer Corstiaen is twee jaar ouder en zus Neeltie is twee jaar jonger.
Jan groeit dus op in een gezin met twee broers en twee zusjes. Het gezin woont de eerste jaren in het dijkdorp IJsselmonde. Waar, zoals hier te lezen is, zijn de kinderen naar school geweest. Iets wat vader Sijbrant en moeder Anna erg belangrijk vonden. Hoewel Jan dus waarschijnlijk een goed beroep had, heb ik nergens kunnen vinden wat dit is geweest.

In IJsselmonde is al vanaf 1700 jaarlijks de Paardenmarkt. Dit evenement duurt een week, waarbij ook een kermis, braderie en andere activiteiten zijn zoals ringsteken. Iets waar het hele jaar naar uitgekeken werd. Ook door Jan en zijn broers en zussen. Helaas is me verder niets bekend over de jeugd van Jan...

Bijschrift toevoegen


In 1745, als Jan 23 is, trouwt hij in Cool met Marietje Pons, een vrouw die zes jaar ouder is dan hij. Marietje komt uit Kralingen. Jan is dan woonachtig "onder de singel in Cool".
Pas in 1747 is Marijtje zwanger. Helaas wordt het kindje op 27 mei 1748 levenloos geboren. En niet alleen het kindje overlijd ook Marietje overlijdt in december 1750 op slechts 34 jarige leeftijd.

Anderhalf jaar later trouwt Jan, die inmiddels 29 is, met de tien jaar jongeren Hester Molenaar, een jongedochter geboren in Alphen, maar wonend aan de Binnenweg onder Cool. Arm is het stel niet. Beide betalen ze de 6,00 gulden kostende leges voor het huwelijk.
Na hun huwelijksdag op 16 mei 1752 gaat het stel in Cool wonen aan de Binnenweg.

Al in 1454 liep door de Coolpolder een binnenweg van Rotterdam naar Schoonderloo met een afslag naar Delftshaven. Die afslag heette Coolsche Weg of Binnenweg en loopt door tot aan de Coolsingel.  Cool was tot 1816 een ambachtsheerlijkheid ten Westen van Rotterdam. En zelfs van 1809 tot 1816 nog even een zelfstandige gemeente.

Cool

Hester raakt vrijwel meteen na het huwelijk in verwachting en in de zomer van 1753 bevalt Hester van hun eerste kind. Het is een meisje en krijgt de naam Anna. Twee jaar later krijgt het stel een zoon; Dirk, genoemd naar de vader van Hester. Maar dan gebeurd er de ene na de andere trieste gebeurtenis. Dirk overlijdt na 14 dagen. Een jaar later wordt er een levenloos jongetjes geboren. En drie weken later overlijdt dochtertje Anna, net twee jaar oud. Een jaar daarna gaat het weer mis. Er wordt weer een levenloos jongetje geboren.
In 1760 krijgt het stel weer een dochter, met opnieuw de naam Anna. Het meisje blijft leven en drie jaar later wordt zoon Sijbrant geboren. Maar ook dit ventje wordt niet ouder dan 1 jaar.
Zes jaar na de geboort van Anna krijgen ze een dochter Maria. Ook dit kindje blijft in leven.
In 1768 ziet dochter Adriana het levenslicht en Elisabeth in 1771.
Hester is dan 39, net zo oud als ik nu ben. Jan wordt dat jaar 50..
Het geluk lijkt compleet. Maar Adriana overlijdt op drie jarige leeftijd. Elisabeth wordt slecht acht jaar oud.
Als je de tabel bekijkt zie je duidelijk hoe groot de kindersterfte was in die tijd. Negen keer is Hester zwanger geweest. Met het kindje uit zijn eerste huwelijk erbij heeft Jan maar liefst acht keer een kindje moeten begraven. Wat een groot verdriet. Slechts twee meisjes worden volwassen...

Zeven van de negen kinderen worden geboren aan de Binnenweg Op de doopakte van Adriana staat "Wonende buiten de Delftse Poort". De Delftse Poort was één van de tien stadspoorten van Rotterdam. Deze werd in 1764 gebouwd en was de derde poort op die plek, de twee anderen werden vanwege hun bouwvalligheid gesloopt. Bij het bombardement van Rotterdam werd deze Delftse poort verwoest. Nu staat er op deze plek een reconstructie van staal.

Oude en Nieuwe Delftse Poort
Jongste dochter Elisabeth werd geboren "op de Cingel" onder Cool. Bij haar overlijden 8 jaar later wordt als woonplaats vermeld "op de Coolse Cingel onder Cool".
Het woord singel betekende ooit zoiets als stadsgrens. De verdedigingswerken aan de stadskant van een gracht werden vesten genoemd. In Rotterdam had je de Coolvest met daar langs de singel, die dus Coolsingel werd genoemd. De Goudsevest met daarlangs de Goudsesingel.  In 1909 is de Coolvest al lang niet meer de rand van de stad en wordt de Coolvest gedempt voor de aanleg voor de huidige Coolsingel, de belangrijkste straat van de stad. 

Delftse Poort met rechts de Coolsingel
Het lijkt er op dat de familie van Adrichem steeds net buiten de grenzen van de stad Rotterdam woonden. Had dit te maken met het beroep dat Jan uitoefende? Was hij herbergier, had hij een bleekerij of tuinderij? Beroepen die je buiten de poorten uit moest oefenen? Of was het buiten de poorten goedkoper wonen?

Het ambacht van Cool, net buiten de stadspoorten van Rotterdam.

De poorten sloten in de winter om half 10 en in de zomer om half elf. Dan kon er niemand de stad meer in of uit. Woonde je buiten de poort dan had je geen bescherming van de stadsmuren zodat boeven en ander gespuis vrij om je huis liepen. 's Ochtends tegen vier of vijf uur, naar gelang het seizoen, gingen de poorten weer open.

In 1788 trouwt de dochter van Jan en Hester, Maria Pro Deo met Pieter Christiaan Jurgens. Pieter een jongeman "van 't Holsteijnse" Maria, 22 jaar, een jongedochter van 't Ambacht van Cool. Het stel krijgt vier kinderen waarvan er slechts één de leeftijd van 42 jaar bereikt. Maria en Pieter wonen 'Buijten de Schiedamsepoort". Bij de geboorte van hun eerste dochter wonen ze aan de "Singel buijte de Delfsepoort"

En dan Anna, ook zij is voor mij een vrij groot raadsel. Waar woonde ze, waar werkte ze, wat deed ze in haar leven?

Ik neem aan dat ze als ongetrouwde dochter nog in huis woonde, of dat ze ergens in de huishouding werkte. Maar als Anna 33 is raakte ze ongehuwd zwanger, van een tweeling. Als ze op 7 januari 1794 haar kinderen laat dopen doet ze dat niet in de Gereformeerd kerk in Cool waar de rest van de familie is gedoopt, maar in de Rosaliakerk in Rotterdam. Een katholieke kerk, met twee wildvreemde mannen als getuige. Ze noemt haar oudste zoon Johannes, naar haar vader. De tweede zoon krijgt de naam van een van de getuigen. Haar woonadres wordt niet vermeld.

Het zal een schok geweest zijn voor Jan en Hester. Amper drie weken na de geboorte van de kinderen sterft Jan op 74 jarige leeftijd en blijft Hester alleen achter.
Of woont Anna met haar twee zoons bij haar?
Vlak voor zijn eerste verjaardag overlijdt Wijnandus, een van de beide kindjes.
Een half jaar later, in de zomer van 1795, bevalt zus Maria van haar derde kindje. Anna is hierbij aanwezig als getuige. Blijkbaar is er dus wel contact met haar familie en is ze niet vanwege de schande verstoten.

Ik wil zo graag weten hoe hun leven er uit heeft gezien, maar ik kan het helaas niet meer achterhalen. Hoe was het in die tijd als ongehuwde moeder? Heeft ze het zwaar gehad? De zorg voor haar jonge zoon en haar ouder moeder, geen man voor financiële ondersteuning. Hoe kwam ze aan geld? Heeft ze drastische dingen moeten doen om te overleven?

Hester overlijdt op 77 jarige leeftijd op 23 mei 1804 op de Binnenweg onder Cool, waar ze ook woonde voordat ze ging trouwen.
Het zou me niet verbazen dat ze al die tijd op dezelfde plek hebben gewoond maar dat het niet zo nauw genomen wordt met het vermelden van de exacte plek waar ze woonachtig zijn. De Binnenweg loopt immers tot de Singel en dat is net buiten de poort. Ook waren de van Adrichem's die er woonden één familie.

De Binnenwegse  of Coolse Poort in 1760 met op de voorgrond buiten de stadspoort een bleekveld. Dit is het Ambacht van Cool. Op de achtergrond de Laurenskerk.
Dezelfde plek nu. Midden in Rotterdam.

Binnenwegse Poort aan de Coolsingel (buiten de poorten, in Cool)

Na het overlijden van moeder Hester woont Anna, dan 44 jaar, met haar zoon 11 jarige zoon Johannes nog steeds in Rotterdam.
Zodra Johannes 18 wordt gaat hij  in dienst van het Franse leger en vecht met Napoleon. Johannes raakt gewond in Colmar en wordt gevangen genomen door de Russen. Na enkele dagen laten ze hem vrij en hij vertrekt hij weer naar Nederland, naar huis, naar zijn moeder. Hij gaat in het Nederlandse leger en vecht mee bij Waterloo.
Uiteindelijk komt zijn carriere in wat rustiger vaarwater. Hij trouwt op 27 jarige leeftijd en vertrekt 10 jaar later moment met zijn gezin en zijn moeder Anna naar Vlissingen waar Anna zal overlijden op 67 jarige leeftijd.