woensdag 28 september 2016

Johannes van Adrichem

14 Augustus 1858, een mooie zomerdag.
In de bedelaarskolonie Ommerschans wordt ’s avonds om 10 uur een baby geboren. Het is een jongetje en hij wordt, zoals in die tijd gebruikelijk, vernoemd naar zijn grootvader Johannes. Op 16 augustus gaat zijn vader Johannes Huibert aangifte doen van de geboorte bij de gemeente Ommen. Vader Johannes Huibert is een Kolonist, en in verband met vluchtgevaar moet er een veldwachter mee om aangifte te doen van de geboorte. Een aanwezige klerk wordt de tweede getuige.

Ommerschans

Moeder van het kleine ventje is Hendrikje Vitjeroo. Een vrouw die op haar 31e al haar man en dochtertje was verloren. Beide overleden in de Ommerschans.  9,5 Maand na het overlijden van haar man beviel Hendrikje van dochter Johanna Catharina Vitjeroo. Vader onbekend...

In 1857 als Hendrikje voor de 2e keer wordt ontslagen uit de Ommerschans en Johannes Huibert voor de 5e keer, tref ik ze beide aan in het bevolkingsregister van Avereest. In Wijk L, nr 2, het is dan oktober 1857, wonen ze er samen met nog een aantal mensen. 
Dochter Johanna Catharina Vitjeroo, die dan twee jaar is, staat er niet bij.  Misschien sloeg hij de vonk over, want amper 1 maand later, op 3 november 1857 trouwen Hendrikje en Johannes Huibert met elkaar.
Drie 3 dagen na hun huwelijk vertrekt het kersverse echtpaar naar Amsterdam volgens de notities in het bevolkingsregister van Avereest. 3 Maanden later, het is dan 11 februari 1858 en buiten is het bijna 4 graden onder nul, wordt het stel weer opgezonden richting Ommerschans vanuit Assen. Hendrikje is dan al zwanger van baby Johannes.

Ik vraag me af, waarom vanuit Assen? Zijn ze nooit in Amsterdam aangekomen? Ik heb ze daar nl. niet kunnen vinden. Zijn ze vrijwillig richting de Ommerschans vertrokken en hebben ze zich bewust laten oppakken zodat ze met dat koude weer, zwanger en met een twee jarige dochtertje een warme plek om te wonen hadden? Johannes Huibert was aan zijn rechterzijde mank en zal niet veel hebben kunnen werken. Hoe erbarmelijk de situatie ook was in de Ommerschans, het lijkt me altijd nog beter dan, bedelen in de kou met een klein kindje.

Maar goed, ze worden weer opgenomen, Hendrikje bevalt van zoon Johannes. Johannes Huibert wil dan ook Johanna Catharina Vitjeroo erkennen als zijn dochter, maar zij blijkt nooit geregistreerd te zijn bij de burgerlijke stand. Via de rechtbank wordt, drie jaar na haar geboorte, Johanna Catharina alsnog geregistreerd in het supplementair geboorte register van de Stad Ommen. Johannes Huibert lukt het niet om haar te erkennen, want de rest van haar leven houdt ze de achternaam Vitjeroo.

De familie doet het goed in de Ommerschans, zo goed dat ze een hoeve mogen betrekken, horend bij de Ommerschans. Johannes Huibert is dan vrijboer. Hij bewoond een klein boerderijtje met een stukje land waar hij gewassen op moet telen. Het is hoeve nr 18. (Nu Zelhorstweg 10, Vinkenbuurt) In deze hoeve wordt ook zoon Hendrik Wijnandus Arie geboren op 28 april 1861. 



Op 11 juli 1861 vertrekt het gezin naar Veenhuizen. Daar wordt nog een dochter geboren. Ze noemen haar Gerhardina. Ze wordt geboren op 5 juni 1863 en van de geboorte wordt aangifte gedaan in Norg. Een hele tijd lijkt het goed te gaan.

Onderwijs is verplicht in de koloniën, dus de kinderen leren lezen en schrijven. Ongeletterdheid in de onderste laag van de bevolking is erg groot, veel van hun leeftijdsgenootjes zullen dan ook nooit leren schrijven.

Alles werd bij gehouden in de Ommerschans. Dus ook wat kleine Johannes elke dag te eten kreeg. Kinderen van 2 tot 12 jaar kregen 3/5 van een portie eten. Eén portie eten bestond uit: 3 kop aardappelen of 2,5 kop aardappelen met 1 kop knollen of met 0,5 kop wortelen of verse kool, bonen, erwten. Of Soep voor het middageten. Daarbij kregen ze schapen-, rund-, of varkensvlees, of spel en boter. Voor het avondeten kregen ze roggebrood. Ontbijt kregen ze niet.- Vanaf 12 jaar kregen ze 4/5 van een portie omdat ze vanaf deze leeftijd moesten werken. 

Ook qua kleding is exact bekend wat ze aanhadden. De mannen en jongens boven de 6 jaar droegen een pet een regenbuis, een voerlaken broek, een hemd, een halsdoek, kousen en klompen. Tot 6 jaar liepen de jongens met een rok of jurk en een gebreide must. De "verpleegden" zoals ze genoemd werden sliepen in een hangmat en hadden "een stroozak, een hoofdkussen, een bedlaken, een wollendeken en 1 katoenendeken". 

Het zal niet makkelijk zijn geweest opgroeien in een strafkolonie. Gezinnen werden uit elkaar gerukt. Mannen bij de mannen, vrouwen bij de vrouwen en kinderen op een aparte zaal. Het was een vergaarbak voor invaliden, wezen, mensen die niet wilden werken, arbeidsongeschikten en ander uitschot. Op de slaapzalen werden open tonnen gebruikt als wc, overal krioelde het van het ongedierte. Schurft en oogziektes waren de gewoonste zaken. Je moest voor je vertrek een bepaald bedrag bij elkaar verdienden. Werken vanaf je 12e, en dan het constant verplaatsen. Vanuit de Ommerschans naar een Hoeve als je goed je best deed. Naar een arbeidersgezin woninkje in Veenhuizen. En als je het bedrag bij elkaar had mocht je vertrekken om met je gezin weer door het land te trekken op zoek naar bestaansmiddelen en een plek om te wonen. 


Het hielp ook niet dat er een stigma ruste op de voormalige bewoners van de Kolonie van Weldadigheid. Werk vinden was al niet makkelijk, helemaal niet als je een voormalig kolonist was met een handicap. Dat kon je beter verzwijgen. Misschien dat ze daarom keer op keer (vrijwillig?) terugkeerden naar de Ommerschans?  

Vanaf april tot november 1870 werkt dochter Johanna Catharina als dienstbode bij de boekhouder Lerouy in Veenhuizen. Ze is dan nog maar 15 jaar.

Ik weet niet wanneer het gezin weer ontslagen is uit Veenhuizen maar op 29-12-1870 wordt opnieuw het hele gezin opgezonden vanuit Assen. Buiten vriest het 8 graden, er is moeilijk aan werk te komen, en dat drijft ze misschien met een gezin met vier kinderen wel weer naar Assen, waarna ze weer opgenomen worden in de Ommerschans. Het is dan al de 7e keer dat Johannes veroordeeld en opgezonden wordt. 

Vanuit de Ommerschans gaat het gezin weer naar een arbeidersgezinhuisje in Veenhuizen. Twee jaar zullen ze er blijven. Als de oudste dochter 17,en de jongste 7 jaar wordt het gezin opnieuw ontslagen. Het is de dag voor kerst en voor de laatste keer loopt het gezin de weg af. Weg van Veenhuizen en de Ommerschans, ze zullen er nooit weer terugkeren.  Johannes Huibert heeft er dan met tussenpozen maar liefst 30 jaar gezeten. Johannes is dan 14 jaar.

De weg naar Veenhuizen


Tussen 1872 en 1874 ben ik het gezin even kwijt. Een aantekening in het bevolkingsregister van hun volgende woonplaats vermeld dat ze in Hellendoorn hebben gewoond. Ik heb ze in het bevolkingsregister van Hellendoorn niet gevonden, maar zelf vermoed ik dat ze misschien in Nijverdal hebben gewoond.

In 1836 stichtte Thomas Ainsworth met samenwerking van de Nederlansche Handel-Maatschappij, Nijverdal als fabrieksdorp. De naam Nijverdal komt van de woorden nijverheid en Reggedal. Ze stichten er een fabriek met een weverij en een spinnerij. Thomas Ainsworth overleed en in 1850 opende de gebroeders Salomson de Koninklijke Stoom Weverij. Het was in 1854 de enige draaiende stoomweverij in Nederland en had maar liefst 360 getouwen. De gebroeders trokken wevers aan uit heel Nederland. Bijvoorbeeld van het eiland Schokland en uit de Koloniën van Weldadigheid. Waarschijnlijk is Johannes Huibert hier ook op afgekomen en zoons Johannes en Hendrik zullen er wel gewerkt hebben. Ook zijn broer Wijnandus woonde een tijd in Hellendoorn.

In 1874 duikt het gezin van Adrichem op in Hilversum. Ook hier stond een grote textielfabriek. Net buiten het dorp “aan de (Gooische) vaart” werd speciaal voor de arbeiders van de fabriek huizen gebouwd. Al snel kreeg het de naam “het rode Dorp” Regelmatig stroomde er rood verfwater door de straten, afkomstig van de fabriek.
Het Rode dorp had een eigen cultuur. Het stond bekend om zijn vechtpartijen, kroegjes en onafhankelijke mentaliteit. Zoon Hendrik heeft er ook het een en ander uitgevreten, maar daarover volgt meer in een andere blogpost.

Graven aan de vaart. Bron: oudhilversum.nl
Het rode Dorp Hilversum Bron: oudhilversum.nl
De textielfabriek in Hilversum. Foto van vóór 1874! Bron: oudhilversum.nl

De lonen in de fabriek waren redelijk, de mannen werkten 66 uur per week. Dat was een stuk minder dan de handwevers die wel 78 uur per week werkten. Er was een ziekenfonds, en ze hadden hun eigen huisje. Net toen het voor het gezin een beetje voor de wind leek te gaan overleed vader Johannes Huibert in 1878 op slechts 58 jarige leeftijd. 
Ineens was zoon Johannes, 19 jaar oud,  de man in huis, en zou hij nog harder hebben moeten werken om voor zijn moeder, broertje en zusje te zorgen. 
Johanna Catharina was toen al getrouwd met Abraham de Roo en woonden in Rheine, Duitsland. Moeder Hendrikje ging bij dit gezin wonen toen Johannes op 20 jarige leeftijd in Militaire Dienst moest. Hij kwam terecht bij het regiment Grenadiers Jagers in Den Haag. Hier was Johannes Hoornblazer.

"Oefenig der recruten op de achterplaats" Oranjekazerne Den Haag

Koning Willem I richtte op 7 juli 1829 het regiment Grenadiers Jagers op. Koning Willem I zag de Grenadiers Jagers als een keurkorps elitetroepen die een voorbeeld voor de rest van het leger waren. Omdat het korps in Den Haag, in de directe nabijheid van de koning, gelegerd was, werden de Grenadiers Jagers als een garderegiment (elite-eenheid) beschouwd, dat in geoefendheid en uitstraling een voorbeeld moest zijn voor de andere infanterie-eenheden.
De Grenadiers Jagers werden gestationeerd in de beide residenties van de koning, ’s-Gravenhage en Brussel, de laatste omdat Nederland en België toen verenigd waren. Ze dienden ‘onder het oog des Konings’. Zij hadden daarom vanaf hun oprichting een speciale band met het Oranjehuis en met ’s-Gravenhage. Zij waren gelegerd in de befaamde Oranjekazerne midden in de stad. In maart 1919 brandde deze kazerne af.
De Oranjekazerne werd gebouwd in de tuin van de Koninklijke Bibliotheek, die aan het Lange Voorhout was. Waar de kazerne heeft gestaan, bevindt zich nu het Louis Couperusplein.

Oranjekazerne Den Haag

In dienst ging het waarschijnlijk anders aan toe dan hij gewend was geweest in het rode dorp waar diefstal misschien wel orde van de dag was. Johannes was nog maar net in dienst toen hij al werd veroordeeld. “Diefstal van goederen, in Oegstgeest, waarbij hij als Sausgarde geplaatst was. Jegens twee personen gepleegd. Veroordeeld door Hoog Militair gerechtshof. Staf, 5 jaren kruiwagenstraf. Ten eersten maal gestraft. Overgenomen en ingeschreven 15-12-1879.  14-11-1883 einde straf op last van der Commissie van Administratie". Aldus de inschrijving in de gevangenis te Hoorn. 

Gevangenis Hoorn. Thans Gevangenishotel


Hij was op dat moment een 21 jarige man van 1,582 cm lang. Hij had bruin haar en wenkbrauwen, blauwe ogen en een ovaal gezicht. Net als ik! Zijn voorhoofd was rond, en hij had een gewone mond en neus en een ronde kin. Zijn kleur was gezond en hij had geen baard of andere bijzondere kenmerken.

Nadat hij zijn straf uitgezeten had kwam Johannes richting Enschede. Ook hier was een bloeiende textielindustrie en kon hij aan de slag als wever.

Skyline Enschede

In Enschede woonde Judith Langkamp. Judith was ongehuwd en had een zoon van 2 jaar. Albert Frederik genaamd. Johannes en Judith touwden op 25 maart 1886. Bij dit huwelijk wettigde Johannes Albert Frederik.  7 Maanden na hun huwelijk werd dochter Johanna Huberta geboren in Ibbenburen Duitsland. In de grensregio rond Enschede was een bloeiende textielindustrie. 
Maar dat Johannes moeilijk vast werk kon vinden is wel te zien aan de geboorte plaatsen waar de kinderen geboren worden. 

13 Maanden na de geboorte van Johanna Huberta werd zoon Frederik geboren aan de Emmastraat in Enschede. Zoon Hendrik/Heinrich volgde in 1889 in Schüttorf (Dld).

Johannes halfzus Johanna Catharina woonde nog steeds in Rheine (dld) en stierf daar op de veel te jonge leeftijd van 35 jaar. Ze liet 3 kinderen van 5,7 en 10 jaar oud achter. Haar man Abraham de Roo overleed een aantal jaren later. De kinderen waren toen 11, 13 17 jaar oud. Johannes werd voogd van de drie zonen van het echtpaar. Ze woonden ook (tijdelijk) bij ze in.

Het zal een drukke bedoening zijn geweest in het huisje van de familie van Adrichem, want intussen waren ook dochters Albertina Frederika (1892),  Barendjen (1894) en Alberdina (1896) geboren in Nordhorn, Duitsland. Helaas overleed de oudste zoon Albert Frederik in 1891 op 7 jarige leeftijd in Enschede.

afdakswoningen

Eenmaal weer in Enschede ging het gezin wonen aan de Sebastopol, nummer 28. De Sebastopol stond bekend als een vergaarbak voor mensen die aan de onderkant van de samenleving verkeerden. Eigenlijk net zoals in het Rode Dorp in Hilversum.
Sebastopol geplaagd door grote sociale problemen. Het drankmisbruik was er groot en vanwege de armoede werden er veel schimmige handeltjes bedreven. Met de hygiëne en algemene woonomstandigheden was het in de huizen niet al te best gesteld. Riolering en stromend water ontbraken en de woningen waren vochtig en overbevolkt. 
Het Enschede van rond 1900 was zeer dynamisch, mensen kwamen en vertrokken, er was een constante stroom werkzoekenden uit heel Nederland. Tussen de vele nieuwkomers bevonden zich ook een groot aantal kleurrijke figuren die niet behoorden tot de groep gewone fabrieksarbeiders: ambulante handelaren, orgeldraaiers, voddenkoopmannen enzovoort. En dus ook een voormalig kolonist uit de Ommerschans. In dit huis aan de Sebastopol werd dochter Judith (1900) en zoon Johannes (1903) geboren.
Sebastopol
Sebastopol
Het leven was zwaar voor ze. Op de persoonskaart die ik bij het CBG heb aangevraagd staan Albertina Frederika, Barendjen en Frederik na 1907 niet meer op. Ik ben bang dat ze alle drie in Duitsland zijn overleden op jonge leeftijd. Vier van de 9 kinderen verliezen op jonge leeftijd moet echt verschrikkelijk zijn geweest.  En dan de constante zorg om je gezin onderdak en te eten te geven. Om rond te komen was Johannes courantenbezorger en volgens de familieverhalen ook Hannekemaaier.
Wikipedia leert mij dat Hannekemaaiers seizoenarbeiders waren (voornamelijk uit Duitsland) die in de zomer te voet naar Nederland kwamen om op het te land werken. De term hannekemaaier is afkomstig van de naam Johannes, doorgaans afgekort tot Hannes en is ontleend aan de dag van traditionele in-dienst-treding, Sint Johannesdag (24 juni). 

Hannekemaaiers


Een lichtpuntje in het leven van Johannes en Judith moet de geboorte van hun eerste kleinkind zijn geweest. Dochter Johanna Huberta (die overal vermeld wordt als van Andrichem) beviel van zoon Reinder. Uiteindelijk kreeg Johannes maar liefst 17 kleinkinderen. En tijdens zijn leven werden er ook nog 8 achterkleinkinderen geboren. Johannes moeder Hendrikje Vitjeroo overleed in 1913 in Hilversum op de mooie leeftijd van 89 jaar. Ze was toen al bijna 30 jaar weduwe.

Het gezin ging wonen aan de Getfertweg. Het huis stond pal naast textielfabriek Scholten. Deze joekel van een fabriek had aan de Getfertweg een vrij gesloten straatwand. Waar de voormalige oprit van de Ambulances van het MST was, lag het ketelhuis gevestigd. Op 10 meter hoogte een gigantische stoomketel, gewoon in de open lucht. 
Stoomketel Textielfabriek Scholten Haaksbergerstraat


Het was in de 50er jaren heel gewoon om met de stoomfluit tijdsignalen te geven. Die waren bestemd voor het personeel om ze er aan te herinneren dat het werk moest beginnen of eindigen. Ook werd er een oproepsysteem gebruikt voor personeel. 4 a 5 Toontjes snel achter elkaar waren te horen over het hele fabrieksterrein en dus ook in de wijde omgeving.  Het moet een soms een kakafonie van stoomfluiten, signalen en bellen van de sprinklerinstallaties zijn geweest daar aan de Getfertweg. Denk daarbij gevoegd de rook en stank die de fabrieken uitbraakten en je begrijpt dat het Enschede van 50 jaar geleden een totaal andere sfeer ademde. 

Textielfabriek Scholten

Na het overlijden van zijn vrouw Judith op 78 jarige leeftijd woonde hij bij dochter Judith aan de Floresstraat.  Later kwam Johannes kwam in het oude Mannenhuis aan de Molenstraat in Enschede te wonen. Achterkleinkinderen kunnen zich nog herinneren dat ze geld naar hun overgrootvader moesten brengen. 
Tehuis voor oude mannen en vrouwen, Molenstraat Enschede
Volgens mijn vader was hij een hoge leeftijd nog een energiek man die zo over een bankje sprong. Op een koude decemberavond kreeg Johannes ruzie en vertrok uit het mannenhuis waarna hij de volgende dag op een bankje in het Volkspark is gevonden. Hij had de hele nacht in de kou gezeten. Johannes liep een longontsteking op waar hij uiteindelijk aan is overleden. Hij werd maar liefst 97 jaar, niet slecht voor een kolonisten zoon!  


Johannes  is pas in 1955 overleden, fotografie was al lang uitgevonden. Ik ben overtuigd dat er ergens een foto van hem moet zijn en misschien ook wel van zijn vrouw Judith. Ik wil zo ongelofelijk graag zien hoe deze man er uit ziet! Dus ik blijf maar speuren naar familieleden en wie weet kan ik hier ooit een foto van hem hier laten zien, dat zou geweldig zijn. Vind je ‘m eerder dan ik, Let me know! 

woensdag 1 juni 2016

Geboorteplaats kwartierstaat

Het begon met meneer J Paul Hawthorne een Amerikaanse auteur, die een "Five Generation Birthplace Pedigree Chart" op Facebook zette met daarin niet de namen van zijn voorouders, maar de plaatsen waar ze vandaag kwamen. 
Binnen no time was het onder (hobby)genealogen een hit en verspreide het idee zich snel over het internet. Vaak ben ik 'm al tegen gekomen, maar ik besloot er zelf ook maar een te maken. Eigenlijk is één generatie verder nog interessanter, vooral aan de kant van de van Adrichem's, maar die past hier helaas niet op....
De eerste ben ik uiteraard zelf, en boven aan is de mannelijke lijn, onderaan dus de vrouwelijke. 


woensdag 25 mei 2016

Oorlogsslachtoffers in de familie

Onlangs kocht ik het boek “Nazareth” van Jos Wessels, met als ondertitel “Bredevoort en zijn Katholieken”.
Het boek kocht ik online, omdat ik van iemand te horen had gekregen, dat er familie in zou staan.
Op pagina 257 van het boek staat een foto van mijn voorouders Johannes Bernardus (Jan) de Vries, zijn vrouw Johanna Elschot en hun 8 kinderen.  Ook anderen namen van familieleden, die via de familie de Vries verwant zijn, komen er in voor. 


Mijn betovergrootvader Jan (die met die lange pijp) had een bakkerij aan de Landstraat te Bredevoort.  Het pand op de foto bestaat nog, maar heeft alleen een nieuwe voorgevel gekregen. De achterkant van het pand dat je via de Officiersstraat kunt bekijken is nog in oude vakwerk stijl.
Mijn overgrootvader Herman Jozef de Vries (de langste op de foto) is naar Enschede vertrokken, maar bijna alle broers en zussen zijn in Bredevoort blijven wonen, en vele verre familieleden wonen er nog.

Fam. de Vries, landstraat 20 Bredevoort

In het boek stond een stukje over de kinderen van de familie de Vries die in Bredevoort zijn blijven wonen. Bij een van de zonen, Bernard de Vries, zag ik staan dat zoon Bernard jr. gestorven was in een concentratiekamp in april 1945 en dat zoon Henk verongelukte in april 1945 door op een landmijn te stappen. Dat was nieuw voor me en daar wou ik wel eens wat meer over weten.

Ik was al een tijdje niet meer bezig geweest met de stamboom, maar tijden het opruimen van een kast kwam ik het boek weer tegen en besloot ik uit te gaan zoeken wat er gebeurd was met de beide zonen van de oom van mijn oma.
Zoon Henk, blijkt de 13e jarige Hendrikus Wilhelmus de Vries te zijn.

fagment "Nazreth, bredevoort en zijn katholieken."

Door te googelen kwam ik op de site: monument.vriendenkringneuengamme, waar ik de gegevens van Bernard de Vries tegen kwam. 
Bernardus Marinus de Vries werd op 2 April 1925 geboren in Aalten als 2e van in totaal 10 kinderen. Bernard was, op 2 dagen na, 1 jaar jonger dan zijn nicht, mijn oma Annie.

In 1944 werd Bernard in Winterswijk gearresteerd omdat hij zich had ontrokken aan de arbeidsinzet.  Tijdens de Duitse bezetting werd een zeer groot aantal mannen gedwongen tewerkgesteld in Nederland en Duitsland. De rekrutering van deze mannen vond vooral plaats door middel van doelgerichte acties, die naarmate de oorlog langer duurde in hevigheid toenamen. De maatregel om verplicht te werken in Duitsland levert maar 54.000 arbeidskrachten op, in plaats van de verwachte 170.000. De bezetters gingen over tot de 'totale arbeidsinzet'. Dat betekende dat de leeftijd werd verruimd: mannen van 17 tot 40 jaar konden niet meer veilig op straat lopen.Ze konden bij een razzia worden opgepakt om in Duitsland te werken. Waarschijnlijk is dat bij Bernard ook gebeurd. Hij werd in elk geval, gevangen gezet in de Koepelgevangenis in Arnhem. Daarna is hij op 19 december 1944 naar Kamp Amersfoort gebracht. 

Kamp Amersfoort was een berucht kamp. Kampbeulen waren wreed, ze maakten er de dienst uit en niets beperkte hun in hun wreedheid. De gevangenen moesten zwaar werk doen en er was te weinig voedsel. Amersfoort was dan ook een zogenaamd “Hongerkamp”.
Op 2 februari 1945 werd hij op transport gezet naar concentratiekamp Neuengamme. De reis duurde 2 dagen en op 4 februari 1945 kwam hij aan. 
Bij aankomst moesten alle persoonlijke bezittingen worden afgegeven. Vervolgens werd al het lichaamshaar afgeschoren en kreeg men in plaats van de eigen naam een nummer op een zinken plaatje, dat om de nek gedragen moest worden. Zijn kampnummer was 70647.

In februari 1945 […] werd ik met een gevangenentransport van het concentratiekamp Neuengamme naar het onderkamp Reiherhorst-Wöbbelin bij Ludwigslust overgebracht. […] Ik kan me nog herinneren dat wij met een goederentrein van Neuengamme naar een voor ons onbekende bestemming werden gebracht. […] We moesten toen allemaal uitstappen en verder lopen. Na een lange mars […] kwamen we bij een kamp aan, we mochten niet door de ingang naar binnen, maar moesten in een kanaal springen en overzwemmen om binnen te komen, en dat midden in de winter. Op de eerste dag in het kamp sprak de kampcommandant ons toe, hij deelde ons toen mee dat hij in het kamp slechts twee soorten mensen wilde hebben, mensen die werkten of mensen die dood waren, een middenweg zou er niet zijn. Voor zover ik weet, was dit een nieuw kamp, wij waren de eerste gevangenen die daar kwamen. Er stonden barakken van hout.” 
(getuigenverklaring van een ex-gevangene) Bron

Op 12 februari werden er 700 gevangen gebracht naar het nieuw gebouwde buitenkamp van Neuengamme, Außerlage “Wöbbelin”.  De gevangen die naar Wöbbelin werden getransporteerd, hoefden niet meer te werken in de wapenindustrie maar werden aan de hun lot overgelaten. Er waren geen gaskamers of massa executies, maar toch was dit kamp een vernietigingskamp. 

De levensomstandigheden waren zo onmenselijk dat er in de 10 weken dat het kamp heeft bestaan er meer dan 1000 doden zijn gevallen. 
Vanaf 20 April werd er een begin gemaakt met de ontruiming van het hoofdkamp Neuengamme. Een deel van de gevangenen werden op Dodenmars gezet naar andere kampen, zoals Wöbbelin. Meer dan 5000 gevangenen werden in dit kamp ondergebracht.

“ Als men weer in een ander kamp komt, gelooft men graag dat het niet erger kan worden. Maar Wöbbelin heeft wat dit betreft alles geslagen. Het kamp was niet afgebouwd, in de barakken geen deuren, in de ramen geen glas, en er was slechts zand op de grond. Er waren geen bedden, slechts een soort kooien. Sanitair was er ook niet, slechts een handpomp. In de grond waren enkele gaten gegraven om de behoefte te doen. De meeste gevangenen hadden diarree, het kamp was daardoor vervuild, er waren veel luizen, erg weinig te eten en lange appèls. Het is geen wonder dat er zo veel gestorven zijn. Het is evenwel een wonder dat er nog mensen zijn die deze hel hebben overleefd.” (memoires van de Nederlandse ex-gevangene Willem Hadders)

Kamp Wöbbelin

Volgens kamp overlevende Franz Unikower, die al in meerdere kampen had gezeten, overtrof Kamp Wöbbelin alles wat hij tot nu toe had meegemaakt.
Het wemelde er van de insecten, De barakken waren tochtig en het dak was lek. De nachten waren koud en wie nog een deken had en niet meer de kracht om ‘m te verdedigen, werd de deken gewoon afgestolen. De gevangen waren tot op het bot bevroren en het gebeurde wel eens dat als je ’s ochtends wakker werd, degene naast je naakt aantrof op de harde koude grond, zijn kleren hadden ze ‘m afgestolen. Het was het recht van de sterkste.
In het hele kamp bevond zich één handpomp, maar het water wat daar uitkwam was smerig en stonk. Het bleek aangesloten te zijn op een bron die in verbinding stond met een massagraf...

gevangene kamp Wöbbelin, 2 mei 1945

Een dagrantsoen bestond uit 1 kilo brood voor 10 mensen en een halve liter soep (gemaakt met het water uit die ene handpomp!). De soep werd geserveerd in je hoofddeksel want eetgerei was er niet. De soep moest je dus snel opdrinken, anders liep het door de stof heen. De honger was zo erg dat een Russische gevangen die een rat had weten te vangen, hem levend met huid en haar op at. Ook zijn er in kamp Wöbbelin gevallen bekend van kannibalisme.

“De aanblik van naakte lijken die eruit zagen als skeletten werd een verleiding voor verscheidene uitgehongerden. Zij sneden in de lichamen om te proberen hun ergste honger te stillen. Van deze doden bleef slechts de huid, de botten en het zitvlak over dat met poep besmeurd was. […] Een Franse kameraad vertelde ons dat hij op een dag, aangetrokken door een eigenaardige geur, een groep naderde die iets kookte dat helemaal niet slecht rook, zoals hij zei. Hij bedelde en kreeg een stuk. Omdat het zeer taai was, keek hij er eens goed naar en herkende een stuk menselijk oor.”

Het grootste deel van de gevangen had diarree en daardoor niet meer de kracht om op te staan, zodat men niet anders kon, dan de boel gewoon maar te laten lopen. Degene die nog wel een bed hadden, hadden dan wel eens de pech dat door gebrek aan strozak, deken o.i.d. de inhoud van de darmen van de boven buurman recht in hun gezicht kwamen.
In de barak die als wasplek was gebouwd, werden de lijken, 4 a 5 man hoog, opgestapeld. Ziekten, zoals de tyfus, konden zo nog makkelijker uitbreiden.
In de laatste dagen van april stierven dagelijks meer dan 100 gevangen. Zo ook Bernard de Vries. Hij overleed op 24 april 1945 in Wöbbelin, net 20 jaar oud. Amper 3 weken nadat zijn broertje Henk op een landmijn was gestapt, maar dat heeft hij uiteraard niet geweten. 

Inwoners van Wöbbelin moeten verplicht de verschrikkingen van het kamp bekijken

Op 2 mei bereikten de Amerikanen per toeval kamp Wöbbelin. Op de kaarten stond het kamp niet aangegeven, maar in een nabij gelegen plaats zagen de Amerikanen drie zogenaamde "Musselmannen" staan in een kapotte etalage, die kleren van de paspoppen aan het aantrekken waren. Na navraag kwamen ze er achter dat de mannen uit het door de Nazi's verlaten kamp Wöbbelin kwamen. 
De Amerikanen roken het kamp echter nog eerder dan ze het konden zien....
"Zelfs na drie oorlogsjaren kreeg ik tranen in mijn ogen. Levende skeletten lagen overal. De doden onderscheidden zich van de levenden door hun blauw-zwarte huidskleur. Bij de levenden spande zich de groenachtige huid over de botten. Honderden doden lagen op de grond en in de met teerdoek bedekte barakken.” (gen. James M. Gavin in “On to Berlin, Battles of an Airborne Commander 1943-1946”)

De Amerikanen probeerden zo snel als ze konden medische hulp en levensmiddelen te regelen, maar nog zo'n 200 gevangen stierven in de dagen na de bevrijding van het kamp.

De inwoners van Wöbbelin werden door de Amerikanen verplicht tot het bekijken van het kamp en de slachtoffers. Ze moesten de lijken, die rijen dik lagen gestapeld in de barakken, begraven. De massagraven moesten worden geopend, de lijken, die al in staat van ontbinding waren, wassen en de inwoners moesten allemaal hun witte lakens inleveren om de doden in te wikkelen om ze te herbegraven omdat er gewoon niet genoeg kisten waren. Ook het lichaam van Bernard de Vries, die net voor de bevrijding van het kamp was week overleden was, zal hier bij hebben gezeten. 
Bij de herbegrafenissen moesten de inwoners aanwezig zijn en in defilé langs de kisten lopen. Een Amerikaanse filmploeg heeft opnames gemaakt van de begrafenissen. 
Het is een vreemd idee dat een van die slachtoffers die hier liggen, Bernard zou kunnen zijn. De beelden zijn op zich verschrikkelijk om te zien, maar met de wetenschap dat een neef van mijn oma er bij kan liggen kijk je er toch weer heel anders naar, dan komt de oorlog toch wel dichtbij....



De slachtoffers zijn in de eerste week na de bevrijding van het kamp begraven in o.a. Wöbbelin, Hagenauw, Ludwigslust en Schwerin. 

Op de plekken waar de slachtoffers van kamp Wöbbelin zijn begraven zijn nu enkele monumenten te vinden met de namen van de slachtoffers, maar het is mij niet bekend of de naam van Bernard er ook bij staat. Mocht ik er ooit eens in de buurt komen, dan ga ik een kijkje nemen. 

maandag 9 november 2015

Patiëntenregisters

Door het project "Vele Handen" waar ik zelf aan mee heb gewerkt, zijn de patiëntenregisters van Amsterdam nu gedigitaliseerd.
Ik heb het er al vaker over gehad, en ik ben erg enthousiast over dit initiatief. Door samen gegevens in te voeren kunnen we veel archieven eerder openbaar maken. Door het invoeren, verdien je punten waarmee je akte's gratis in kunt zien. Ik moet eerlijk zeggen dat ik het vooral uit eigen belang doen. Ik wil uiteraard zo veel mogelijk gegevens voor mijn stamboomonderzoek verzamelen, en dit is een mooie manier om dat te doen.
Met de punten die ik verdiende met meerdere projecten van het Stadsarchief van Amsterdam ben ik al heel wat te weten gekomen over het leven van de van Adrichem's in Amsterdam.

In de vorige post schreef ik al dat Wijnandus van Adrichem twee keer in het patiëntenregister voorkomt. Maar ook mijn voorvader Johannes Huibert van Adrichem en zijn zus Johanna Maria en hun halfbroer Aart van Adrichem komen in het register voor.

Op 4 mei 1842 komt de dan 23 jarige Johannes Huibert voor het eerst in het Buitengasthuis te liggen. En wel op de afdeling Mannen Syphilitsch.
(Dat zet me aan het denken, dit betekend dat hij seksueel actief was voordat hij getrouwd was, dan kan het heel goed zijn dat er ergens onechte kinderen van hem zijn geboren...)

Johannes Huibert ligt dan in bed 17, en wordt 22 dagen verpleegd.
Hij woont dan aan de Kromboomsloot nr 34. En geeft aan dat beide ouders overleden zijn. Zijn vader leeft echter nog, en woont zelfs op hetzelfde adres. Hij verdiend zijn geld als behanger.




In 1850 ligt Johannes Huibert weer in het Buitengasthuis. Wederom vanwege syphilisch. Johannes Huibert is dan 31 jaar, ongehuwd en sigarenmaker. Hij woont nu aan de Kromboomsloot nr 31. En zijn vader leeft nu wel volgens het register. Hij is dan ambtenaar op wachtgeld. Op 24 mei 1850 gaat hij over naar de afdeling Syphilitisch, en wordt daar 3 dagen verpleegd. 

In 1850 wordt hij nog een keer opgenomen in het Buitengasthuis op de afdeling Mannen Syphilitisch. Nu woont hij aan de Kromboomsloot 33. Hij wordt 5 dagen verpleegd en ligt in bed nr. 23.

Syfilis is een geslachtsziekte die zich in de 16 eeuw vanuit de nieuwe wereld (Amerika) naar Europa kwam. Ze ontdekten al snel dat de ziekte met seksualiteit te maken had. De ziekte kent vier stadia. Eerst kwam er een grote zweer met een harde omgeving. Stadium twee was rode knobbels of vlekken en dan grote wratten rond geslachtsdeel of anus.
De ziekte kon daarna wel jaren rusten. Stadium drie kon interne organen aantasten. Dit stadium kon al dodelijk zijn of invaliditeit veroorzaken. Maar er kon ook nog een vierde stadium zijn; hierbij konden de hersenen aangetast worden en krankzinnigheid optreden. Aan het eind van de 19e eeuw zaten de ziekenhuizen vol met patiënten die Syfilis  hadden en krankzinnig zijn geworden. Pas in 1909 kwam er een doorbrak in de behandeling van Syfilis. Voor die tijd werd kwik gezien als het enige (weinig effectieve) middel tegen syfilis.


Zus Johanna Maria van Adrichem komt ook in de registers voor.
In 1851, als ze 20 jaar is ligt ze er voor het eerst. Op de afdeling Vrouwen verband.
Ze is Naaister en ongehuwd.
Ze woont aan de (Lange) Keizerstraat nr 9, afdeling 2. Bij haar vader en zijn nieuwe vrouw, alle andere kinderen staan er ook ingeschreven.
Ze wordt 41 dagen verpleegd en gaat op 1 mei 1851 naar huis.

In 1855 ligt ze er opnieuw, ze is dan 25 jaar.
Ze komt in bed nr 63 in het Binnengasthuis te liggen.
Ze is op dat moment dienstbode en woont aan de Lange Leidse Dwarsstraat nr 382.
Ze is dan ongehuwd, wat ze ook de rest van haar leven zal blijven.
Haar vader is gepensioneerd Luitenant en haar moeder is overleden.
Ze wordt 25 dagen verpleegd en op 5 december 1855 ontslagen.

Op 10 augustus 1857 komt ze in het Buitengasthuis te liggen.
Ze is dan naaister en woont aan de Regulier Dwarsstraat nr 244.
Ze wordt dan maar liefst 140 dagen verpleegd tot 28 december.
Waarvoor ze er ligt staat er helaas niet bij.

de als ziekenzaal ingerichte zolder van het Amsterdamse Binnengasthuis ca. 1880

In 1888 ligt zo zowel in het Buiten-, als Binnengasthuis.
Op 13 maart ligt ze in het Binnengasthuis, in zaal 13, bed 7.
Ze is 47 jaar en nog steeds ongehuwd en naaister.
Ze woont dan aan de Elandsgracht 54, Klaverbladsgang.

Johanna Maria heeft een Chronische Nierontsteking, Chronische Bronchitis en Longemfyseem (dat is tenminste wat ik er uit opmaak.)
Ze wordt 4 dagen verpleegd en wordt dan overgeplaatst naar het Buitengasthuis.
Ze wordt daar 14 dagen verpleegd en ontslagen op 31 maart 1888.



Slechts 9 dagen later zal Johanna Maria overlijden. 


HIER schreef ik ook al een stukje over het binnengasthuis: 
"Het Binnengasthuis was in de 19e eeuw berucht om zijn deplorabele toestanden. De zalen zijn:  "groot, hol, kil, kerkvormig en met stenen bevloerd lokaal, dat des winters voor geen behoorlijke verwarming vatbaar is". De verpleging bestond uit "knechten en meiden" die zich, volgens een rapport van het stadsbestuur, schuldig maakten aan drankmisbruik en mishandeling, de medicijnen verkochten en het voedsel voor zichzelf hielden."

In het Buitengasthuis was het niet beter, het was dan ook een gasthuis voor de allerarmsten in de stad: Een Oostenrijkse arts, die het Binnen- en Buitengasthuis in 1852 bezocht, schreef in zijn verslag aan het Koninklijke en Keizerlijke Artsengezelschap in Wenen: 
"Hoe moeten we deze twee verpleeginrichtingen beschrijven, die op geen enkele wijze die naam verdienen? 
Als wij bijzonderheden opsommen, blijkt als vanzelf dat ze het tegendeel zijn van wat ziekenhuizen behoren te zijn. (...) Op iedere buitenstaander maakt deze plek een hoogst onaangename indruk. Op zeshonderd zieken zijn er slechts twee artsen." Het verplegend personeel noemde hij een afschrikwekkend voorbeeld van ruwheid, traagheid en smerigheid. "

Het verplegend personeel stond er om bekend om dat ze de medicijnen per opbod verkochten aan de patiënten en dure medicijnen zoals morfine achteroverdrukten. Het personeel at het voedsel van de patiënten zelf op en er was sprake van drankmisbruik en mishandeling. 

Het Buitengasthuis werd in de 17e eeuw gebouwd als pesthuis. Pestlijders werden per boot van het Binnegasthuis via de Pestsloot naar het Buitengasthuis vervoerd. 
Eind 19e eeuw werden de omstandigheden verbeterd. In 1883 werd er in een gemeentelijk rapport de droevige situatie van de gasthuizen uit de doeken gedaan en er er werden een aantal vervormingen doorgevoerd. Voortaan zou er alleen gediplomeerd personeel  worden gebruikt. Ook probeerde de geneesheer-directeur de toestand in de gasthuizen te verbeteren door een verpleegstersopleiding op te zetten. Uniforms, ziekenhuiskleding voor patiënten en nachtdienst werden ook ingevoerd. 

Buitengasthuis
Geen pretje om te liggen dus, ik vraag me af of je er wel gezonder uit kwam dan dat je er in ging...









donderdag 5 november 2015

Wijnandus Pieter Josephus Christiaan van Adrichem

Dat de van Adrichem's nou niet de aller beschaafdste mensen in de 19e eeuw waren, heb je in eerdere posts al kunnen lezen. Maar Wijnandus Pieter Josephus Christiaan van Adrichem spant wel de kroon. Wijnandus is de zoon van Johannis van Adrichem en Johanna Elisabeth Houter. En daarmee dus de broer van Johannes Huibert. HIER heb ik al eens wat geschreven over het gezin.

Wijnandus wordt op 8 januari 1822 geboren in Rotterdam. Op exact dezelfde dag, maar dan een jaar later, als zijn 4 maanden daarvoor overleden broertje, die ook Wijnandus werd genoemd.  Johannes Huibert is zijn oudste broer.
Wijnandus is 3 jaar als het hele gezin van Rotterdam naar Vlissingen verhuist. Daar gaat hij ook naar de lagere school.
 In 1838, als Wijnandus 16 jaar oud is, duikt de familie op in Amsterdam. Zijn vader heeft hem en zijn broer dan al gegeven bij de Marine. Op 15 jarige leeftijd is Wijnandus dan als geëngageerd als Pijper (fluitspeler bij de Marine, speelt marsen en geeft signalen door) bij de 2e divisie mariniers.





In 1841 komt zijn moeder te overlijden. Wijnandus is dan 19 jaar. Zijn vader hertrouwd binnen een jaar met een vrouw die maar 7 jaar ouder is dan Wijnandus. Zijn vader en een zijn nieuwe vrouw krijgen samen nog een zoon in 1842. 

Wijnadus inschrijving Nationale Militie

Wijnandus is dan al voor de eerste keer gedeserteerd. Op 7 februari 1842 veroordeeld de krijgsraad van Noord Holland hem "voor het gemis van Kokarde (insigne) van 12 maanden". Hij moet 4 weken de gevangenis in, "gesloten aan hand en voet", en hij moet om de dag alleen leven op water en brood. 



Op 25 april 1842 wordt hij overgeplaatst naar de 3e divisie van het Algemeen Depot van de Landmacht. Hij is dan Fuselier, en 21 jaar oud. 



Het depot was in Harderwijk en het belangrijkste werfdepot voor het Oost-Indische leger. Franse deserteurs, Duitse ex-officieren, Zwitserse soldaten, Nederlandse soldaten uit strafdivisie's, van allerlei pluimage had dienst in dit Oost-Indische leger. 

"De middenstand profiteerde echter flink van de komst van de militairen en bakkers, slagers en ambachtslieden zagen hun omzet stijgen. In het kielzog van de militairen kwam ook een ander soort middenstand tot bloei. Kroegbazen, bordeelhouders en prostituees vestigden zich in Harderwijk en brachten het stadje tot leven op een manier die de gemeente niet voorzien had. De geworven militairen ontvingen, voorafgaande aan hun uitzending, een handgeld, dat hen in de zak brandde en dat er om vroeg uitgegeven te worden. De binnenstad veranderde dan ook in een drukke uitgaansgelegenheid waar brave burgers zich nauwelijks nog durfden vertonen. De militairen werden opgenomen in het dagelijkse straatbeeld, overdag met exercities en patrouilles, ’s avonds en ’s nachts in het bruisende uitgaansleven. Het leverde Harderwijk de weinig vleiende bijnaam ‘het gootgat van Europa’ op (veel militairen waren van buitenlandse komaf)." (bron: http://www.herderewich.nl/gebouwen.html)


Koloniaal werfdepot te Harderwijk

Ik heb nog niet kunnen achterhalen waar Wijnandus gelegerd is geweest in Oost-Indië, maar goed zal het hem niet gedaan hebben.
Transport der Kolonialen Jozef Israels


In 1843 lag Wijnadus met zijn garnizoen in (Den) Helder. Tijdens zijn schildwacht (in tijd van vrede) is hij zonder verlof of wisseling van de wacht, weggelopen. Hij is later aangehouden in Castricum. Hierbij is hij tot vier jaar kruiwagenstraf veroordeeld (dwangarbeid). Hij zit dan vast in Leiden.

Pesthuis Leiden, later militaire gevangenis, thans ingang Naturalis




In die 6 jaar dat hij dan in dienst heeft gezeten heeft hij een heel lang strafregister opgebouwd. 

De 1e straf die hij krijgt is in April 1838. Wijnandus is onzedelijk geweest bij de "Zaterdagsche inspectie" en krijgt 4 dagen "kwartier arrest". In mei worden er goederen in zijn deken gevonden, weer 4 dagen arrest. In juni is hij 's avonds niet op appel en komt pas om 10 uur terug. 4 Dagen provoost te water en brood en een maand kwartier arrest. 
Bijna elke maand is het daarna wel raak. Hij is onzedelijk op zijn kleding, en spullen. En zitten 4 dagen in de politiekamer, of weer kwartier arrest. Dan is hij in december 1838 dronken op de taptoe (vergeet niet dat hij nog maar 16 jaar is!) en weer 8 dagen provoost. 
En zo gaat het maar door. Hij laat zijn kleding slingeren, is ongevoelig voor de straffen die hij krijgt.  Hij ruilt zijn goederen, gaat zonder permissie aan wal en verkoopt equipment stukken. Verregaande onzedelijkheid van zijn lichaam en wapening. 
De straffen worden steeds strenger. Steeds langer arrest, en als dat niet meer helpt; 20 rietslagen. 

"Bij het disciplinair afstraffen met rietslagen, is steeds een officier van gezondheid tegenwoordig. De veroordeelde ligt, met de broek gekleed en met de benen bij elkander gebonden, op een bos stro of op een ander veerkrachtig lichaam. De slagen worden niet op den rug, maar op de billen gegeven. Ze worden, regelmatig op elkander volgende, zonder tussen pozingen , welke de straf verzwaren, toegediend. Het is verboden om militairen , die volgens verklaring van den officier van gezondheid de straf niet geheel hebben kunnen doorstaan , later het ontbrekende getal slagen toe te dienen. De straf van rietslagen wordt immer opgevolgd door 24 uren zoveel mogelijk eenzame, opsluiting."

En nog trekt Wijnandus zich er weinig van aan en krijgt hij 56 slagen met handdaggen*. Ook moet hij 4 dagen in het cachot. Hij loopt weg als hij kwartierarrest heeft, weer verregaande dronkenschap op de taptoe, 8 dagen cachot te water en brood. Tot hij de 1e keer deserteert. 

*De gestrafte werd rechtopstaand met de handen omhoog aan het want geboeid. De lendenen werden beschermd door een strakgespannen lap zeil, waarmee het lichaam tegen een matras werd gesnoerd. Het aantal slagen van de strafoefening werd over het algemeen toegediend door twee kwartiermeesters, waarbij de gehele bemanning stond aangetreden.


http://www.vaartips.nl/images/handdaggen.jpg
Handdaggen






Bij het Algemeen Werfdepot gaat hij gewoon op dezelfde voet verder. Alleen krijgt hij hier als straf geen kwartier arrest meer, maar alleen rietslagen. 
Vieze kleding? 6 rietslagen. Weigeren aardappels te schillen? 6 Rietslagen. Malproper op zijn wapens, op zijn ransel, kwartiernest, patroontas? Niets in order hebben, goederen verbergen, verwaarlozing van zijn linnengoed, ransel slecht ingepakt, orders negeren? 6 rietslagen, 10 rietslagen. Het doet hem blijkbaar allemaal niets. Tot hij dus in 1843 wegloopt tijdens dienst en dan de gevangenis in moet. Dat is het einde van de carrière van Wijnandus bij de Marine. Heel wat anders dan zijn vader Johannis! 





Net als zijn broer, duikt ook Wijnandus op in de Ommerschans. 
Op 13 april 1847 voor de eerste keer. Hij komt aan vanuit Rotterdam, en hij wordt na exact een jaar weer ontslagen. 

Op 1 december 1848 wordt Wijnandus schuldig bevonden aan bedelarij. In Haarlem heeft hij gevraagd om een aalmoes. Hij is dan 26 jaar oud, kleermaker van beroep. Wat zijn straf is heb ik niet kunnen vinden.

In 1850 is hij in elk geval in Amsterdam. Hij ligt dan namelijk 16 dagen in het Buitengasthuis. Wijnandus is dan nog steeds kleermaker van beroep en hij woont blijkbaar aan de Boommarkt 283 te Amsterdam. Waaraan hij is behandeld staat niet vermeld. 


In november van datzelfde jaar wordt Wijnandus opgenomen in het Binnengasthuis te Amsterdam. Hij woont dan aan de Derk van Hasseltsteeg 11. Hij ligt op zaal 1, bed 7. En wordt 18 dagen verpleegd tot 7 december 1850.



Voor de 2e maal komt hij in de Ommerschans vanuit Zwolle op 28 januari 1851. Op 28 februari 1851 wordt hij overgeplaatst naar Veenhuizen. En op 8 juli 1853 wordt hij weer ontslagen.
Zijn signalement luidt dan:
signalement; 
lengte: 1,57
aangezigt: ovaal
haar: blond
oogen: blauw
neus: small
mond: klein
kin: rond



9 Maanden later, op 18 april 1854 is hij al weer in de Ommerschans. Wederom komend vanuit Zwolle. 
signalement; 
lengte 1,58
aangezigt; lang
haar; blond
oogen; blauw
neus; spits
mond; gewoon
kin; rond

En op 3 juni wordt hij naar veenhuizen gezonden. 2 Dagen later deserteert hij. 

"....Adrichem, Wijnandus Pieter Josephus Christiaan, van. No 1943, geboren te Rotterdam, oud 33 jaren, van de gereformeerde godsdienst, kleermaker, lang 1,55 el. aangezigt ovaal, voorhoofd laag, oogen blaauw, neus gewoon, mond klein, kin rond, haar en wenkbraauwen blond. Merkbare teekenen: aan de kin eenige vlekken. 
Deze 2 zijn op 6 junij j.l. gedeserteerd uit het 3e gesticht te Veenhuizen. "

9 dagen na zijn ontsnapping wordt hij weer opgepakt en naar de Ommerschans gebracht. En op 28 juni mag hij weer naar Veenhuizen. Wanneer hij dan ontslagen wordt weet ik niet.

In de gevangenis van Hoorn kom ik hem vervolgens weer tegen. Hij is dan "medeplichtig aan schriftelijke bedreiging met brandstichting van eene wooning."



25 oktober 1856 wordt hij veroordeeld tot 2 jaar gevangenisstraf. Op 24 november 1856 komt daar nog 1 jaar bij. Einde straf is op 25 december 1859.
Op 17 december 1856 wordt hij ingeschreven in de gevangenis te Hoorn. Op 25 oktober 1859 wordt hij ontslagen op last van de commissie van administratie. 



Hoe hij het heeft gedaan, geen idee, maar volgens de commandant van Administratie heeft Wijnandus 
op 25 oktober 1859, dus de dag van de vrijlating "diefstal gepleegd bij nacht door meer dan 1 persoon. Gepleegd door middelen van buiten. Braak en inklimming in een bewoond huis. 20e November 1856, prov. ger. Noord Brabant."


De 4e keer dat Wijnandus op de Ommerschans arriveert, is dat vanuit Utrecht. Het is dan 27 februari 1860. Op 24 April wordt hij weer ontslagen. 
signalement;
lengte 1,65
aangezigt; lang
haar; blond
oogen; blauw
neus; spits
mond; gewoon
kin; spits

Daarna is het in de archieven 7 jaar stil rond Wijnandus. 

Als Wijnandus 44 jaar is trouwt hij op 16 september 1867 in Vroomshoop met de ook 44e jarige Trijntje Kuiper(s). Wijnandus is dan nog steeds kleermaker, maar ze trouwen met een verklaring van onvermogen, de schoenmaker en de winkelier kunnen bevestigen dat ze de kosten voor het huwelijk en de extracten uit de burgerlijke stand niet kunnen betalen.

Trijntje is geboren in Wilhelminaoord. Haar vader Heere Jacobs Kuiper en haar moeder Rompkje Douwes komen met 4 kinderen in 1821 naar Wilhelminaoord vanuit de subcommissie Leeuwarden. In Wilhelminaoord worden er nog twee kinderen geboren. Daarna gaat het gezin naar de Ommerschans waar nog 4 kinderen worden geboren.

"Heere Jaakes Kuiper komt in de kolonie dankzij de contribuanten uit Leeuwarden. Hij arriveert met vrouw en vier kinderen op 18 augustus 1821. Zijn echtgenote staat op het aankomstoverzicht als Rompkje Douwes en de kinderen als Janke, Wietske, Jacob en Douwe,
Na drie jaar, op 20 oktober 1824, mag hij met vrouw en inmiddels vijf kinderen (Trijntje is er in Wilhelminaoord bijgekomen) de boerderij nummer 14 bij de Ommerschans als vrijboer betrekken. Zie ook het lijstje eerste vrijboeren op de pagina Ommerschans. Blijkbaar doet hij dat heel goed, want jaren later wonen ze er nog.
Er komen nog drie kinderen bij: Hiltje, Hendrika en Rompkje, en alles lijkt een en al rust.

Maar vanaf 1839 beginnen er allemaal dingen te veranderen.
Eerst gaat Janke op 24 april van dat jaar met ontslag.
Een week later, op 1 mei, gaat Trijntje weg om een dienstje te aanvaarden, maar die keert na anderhalve maand, 15 juni, terug op het nest.
Diezelfde dag, dus 15 juni, vertrekt Jacob de grote maatschappij in.

In 1840 zijn er twee van zulke mutaties.
De eerste is dat Wietske in februari met ontslag gaat, maar de tweede is dat Janke op 24 augustus terugkeert. Mét kind. En met een onduidelijk geschreven aantekening ´verlaten vrouw van F. Naerebout´. Maar voor het goed weergeven van die laatste naam durf ik mijn hand niet in het vuur te steken. Het is wel dezelfde achternaam als van haar kind, dat als voornaam Rompkje draagt en zou zijn geboren op 19 juni 1840.

En tenslotte 1841.
Eerst gaat op 8 mei Janke met ontslag. Of dat vrijwillig is of niet wordt in het stamboek niet vermeld. En dan wordt op 23 december 1841 Heere Jaakes Kuiper met zijn hele gezin ontslagen. En ook hier weet ik niet of het vrijwillig was of niet. Naar schatting is hij dan een jaartje of 53." (bron; Wil Schackmann)


Wijnandus en Trijntje krijgen drie dagen na hun trouwen een dochter; Petronella Hendrika van Adrichem. Helaas overlijdt het meisje een week na haar eerste verjaardag in Vroomshoop.
Wijnandus overlijd 5 jaar later op 27 april 1872 in Veenoord (Sleen) in Drenthe. Wat hij daar deed is mij niet duidelijk. Hij wordt aangegeven door zijn buren, maar zijn woonplaats is op dat moment Hellendoorn, staat in de akte, daar wordt zijn overlijden ook 3 mei geregistreerd. In het bevolkingsregister van Hellendoorn kan ik echter geen van Adrichem vinden.
Wijnandus is slechts 50 jaar geworden.
Van zijn vrouw, Trijntje Kuipers ontbreekt elk spoor. Ook heb ik geen andere kinderen kunnen vinden, wat ook wel kan kloppen met de wat hogere leeftijd van beide bij hun trouwen.

Ik blijft het vreemd vinden dat kinderen van een militair zo op het slechte pad en aan de bedelstaf raken. Vader zal als Luitenant Geweldige bij de Marine geen slecht inkomen hebben gehad. Maar misschien hebben ze hun vader wel nooit meer gezien na het tweede huwelijk. Ooit hoop ik er achter te komen. Tot die tijd moeten we het doen met deze feiten.