vrijdag 1 februari 2019

Johannes van Adrichem, door Harold Pot


Johannes van Adrichem: 18-12-1793 / 26-09-1863

Het is december 1793, de Zuid-Franse havenstad Toulon is bezet door Britse, Spaanse en Frans-royalistische troepen, door toedoen van Napoleon Bonaparte moeten de geallieerden zich na enkele maanden terugtrekken. Napoleon vestigt hier zijn naam als militair leider en stijgt in rang van kapitein naar brigadegeneraal. De jonge artilleriekapitein Napoleon Bonaparte bedenkt het plan om de forten van l'Eguillette en Balaguier in te nemen en zo de kleine haven en grote haven van Toulon van elkaar af te snijden. Dit gaat de aanvoer van goederen naar de geallieerde troepen in Toulon onmogelijk maken. Napoleon heeft maar een enkele batterij kanonnen tot zijn beschikking maar brengt alle kanonnen uit het omringende gebied naar Toulon zodat hij de beschikking heeft over een grote artilleriemacht, gelijk aan vijftig batterijen van elk zes kanonnen. Van alle kanten gebombardeerd, doen de geallieerde troepen in Toulon een uitval en veroveren een aantal van de kanonnen. Een tegenaanval door Napoleon en de nieuwe Franse commandant Dugommier volgen en de geallieerden worden teruggeslagen. De Britse generaal O'Hara word bij deze Franse tegenaanval gevangengenomen en begint te onderhandelen met de afgevaardigden van de Nationale Conventie, Augustin Robespierre en Antoine Louis Albitte over een eervolle geallieerde overgave. Napoleon is inmiddels bevorderd tot kolonel en komt na de gevangenname van O’Hara overeen om een grote aanval te ondernemen in de nacht van 16 december. Rond middernacht begint de aanval en het gevecht. Napoleon wordt verwond aan zijn heup door een Britse sergeant gewapend met een bajonet. De geallieerden besluiten hierop om via de zee hun troepen uit Toulon te evacueren. De Franse revolutionaire troepen gaan op 19 december de stad binnen. Naar schatting worden 800 tot 2.000 gevangenen doodgeschoten of vermoord met bajonetten. Napoleon Bonaparte, inmiddels onder behandeling vanwege zijn verwondingen, is niet aanwezig tijdens deze massamoord. Hij word op 22 december tot brigadegeneraal bevorderd, op 24-jarige leeftijd. Diezelfde dag vertrekt hij naar zijn nieuwe post in Nice als bevelhebber van de artillerie van het Armée d'Italie.


Rosaliakerk
Duizend kilometer noordelijker wordt in Rotterdam een tweeling geboren. Anna van Adrichem schenkt op woensdag 18 december 1793 het leven aan Johannes en Wijnand. 
Beide jongens worden op 24 januari 1794 gedoopt in de 
Rooms Katholieke Rosaliakerk aan de Leeuwenstraat. 
Anna staat er blijkbaar alleen voor want bij de doop zijn haar ouders niet aanwezig, de getuige van Johannes van Adrichem is Franciscus Barré en getuige van Wijnandus Josephus van Adrichem is Wijnandus Josephus Buchet. 
De namen Wijnandus Josephus doen vermoeden dat Buchet de vader is. Helaas overlijd Wijnandus Josephus van Adrichem als hij 11 maanden oud is.
  




In deze tijd spreken we nog over de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, in 1795 wordt de Republiek bezet door Franse troepen en komt tot een roemloos einde. Vanaf nu begint de Frans-Bataafse tijd, Johannes is dan één jaar. Het grootste deel van Nederland wordt een vazalstaat van Frankrijk en vanaf 1810 een onderdeel van het Eerste Franse Keizerrijk. Een deel van het huidige Nederland (Zeeuws-Vlaanderen en een groot deel van Nederlands-Limburg) word al in 1794 bij Frankrijk ingelijfd.

Napoleon heeft soldaten nodig om zijn vele oorlogen te voeren. In zijn hele keizerrijk voert hij daarom de dienstplicht (in die tijd ook wel conscriptie geheten) in. Die dienstplicht geschied door middel van loting. Rijke jongeren kunnen vaak hun dienstplicht afkopen. Nederland krijgt vanaf 1811 ook te maken met deze dienstplicht. Uiteindelijk worden er door de Napoleontische dienstplicht zo’n 30.000 á 35.000 Nederlandse jongens onder de wapenen geroepen vanaf begin 1811 tot aan de nazomer van 1813. Tegen de dienstplicht bestaat veel verzet. Op verscheidene momenten vinden zogenoemde ‘conscriptieoproeren’ plaats, die door de Napoleontische autoriteiten met harde hand worden neergeslagen.


Slag bij Dresden: Ook Johannes moet in het leger van Napoleon, op 15 augustus 1813 wordt hij ingedeeld bij het 27ème Régiment d’Infanterie de Ligne, In het archief vinden we hem onder de naam Johannes Buchet maar ook als Jean van Adrichem. Op 26 augustus is hij in Dresden.  Op deze dag hebben 150.000 geallieerde troepen zich in de buurt verzameld en opgedeeld in vijf grote aanvalscolonnes. Deze zetten zich in beweging richting Dresden. De geallieerden verwachten weinig tegenstand aangezien ze de troepen van de Fransen in aantal verre overtreffen. En inderdaad worden de Fransen steeds verder teruggedrongen. De verdediging word echter steeds hardnekkiger. Als de geallieerden tot vlak bij de stad zelf naderden is dit het teken voor Napoleon om zijn 90.000 man versterking in de strijd te gooien. Twee divisies van de Jonge Garde vallen de colonne van generaal Wittgenstein aan. Na harde gevechten worden de Russen teruggedrongen. Versterkt door twee andere divisies Jonge Garde, drijven de Fransen de Pruisen en Oostenrijkers in het centrum terug. Allleen Napoleons rechterflank word nog door Oostenrijkers tegengehouden. De eerste dag van de slag is voorbij. 's Nachts regent het. Hoewel in de minderheid is Napoleon duidelijk in het voordeel. Zijn troepen hebben geen last van de regen omdat ze in Dresden ingekwartierd zijn. Ook krijgt Napoleon constant versterkingen.. Voor de geallieerden is dit allemaal niet het geval. Bovendien zijn hun troepen gedemoraliseerd door de Franse successen. Toch word besloten om 's morgens opnieuw aan te vallen. Op 27 augustus hervatten de geallieerden hun offensief ’s in de ochtend. De Pruisen slaan de Fransen terug, Colloredo's Oostenrijkers rukken op in het centrum en Wittgenstein maakt ook goede vorderingen op de rechterflank. Op de geallieerde linkerflank, die in de minderheid is, gaat het minder goed. De Franse rechterflank staat onder bevel van maarschalk Joachim Murat. Zijn flank is 36.000 man sterk en de Oostenrijkers hebben 28.000 man. Het Franse korps van Victor valt de Oostenrijkers aan en ondertussen maken de cavaleristen van Charles César de Fay de La Tour-Maubourgs cavaleriekorps een omtrekkende beweging. De Oostenrijkers trekken zich haastig terug, maar zijn omsingeld door de Franse cavalerie. Niet in staat hun musketten af te vuren in de stromende regen, geven 9000 infanteristen zich over. Het offensief van de Oostenrijkers loopt vast en het gevecht in het centrum mond uit in een artillerieduel dat de hele dag duurt. Napoleon heeft de overwinning bijna binnen. Zijn rechterflank heeft een totale overwinning behaald, zijn centrum houd goed stand en het front op zijn linkerflank zit muurvast. De geallieerden staan op het punt hun laatste reserves in de strijd te gooien als het bericht binnen komt dat het Franse corps van de Belg Dominique Vandammes Pirna heeft veroverd. Hierdoor dreigt de terugtocht afgesneden te worden, dus trekken de geallieerden zich terug. Dit is een geweldige overwinning voor Napoleon. Hij heeft 11.000 man gevangengenomen, inclusief de Oostenrijkse luitenant-veldmaarschalk Joseph, Baron von Mesko de Felsö-Kubiny. Verder heeft hij dertig kanonnen en tientallen bagagewagens veroverd.


Slag bij Dresden, 26 & 27 augustus 1813

Slag bij klum: Drie dagen later, op 30 augustus staat het 27e regiment bij Klum. De Russen staan opgesteld bij het dorpje Priesten (hedendaags Přestanov in Tsjechië). De Fransen houden het dorpje Kulm bezet. Priesten is een uitstekende plek om met weinig troepen een overmachtige vijand een tijdje tegen te houden. Om zes uur in de ochtend valt Vandamme succesvol Russische formaties aan onder het commando van Wittgenstein, waarbij Russische troepen en artillerie worden gevangengenomen. Rond 12 uur valt hij de Oostenrijkse versterking aan. Aanvankelijk worden de Oostenrijkers gedwongen om zich terug te trekken richting Teplitz (hedendaags Teplice in Tsjechië) . Maar doordat een Pruisisch korps onder generaal Kleist Vandamme's korps van achter aanvalt, kunnen ook de Oostenrijkers in het offensief gaan. Vandamme's korps zit ingesloten. Hij besluit om zich een weg door Kleist's Pruisen te hakken, terug naar de Franse linies. Hierbij verliest hij het grootste gedeelte van zijn korps, wat ophoud te bestaan. In deze slag word alle winst die Napoleon heeft behaald in de slag bij Dresden tenietgedaan. Aan de Franse kant zijn er ongeveer 5000 doden en gewonden, en tussen de 7000 en 15.000 Franse soldaten worden krijgsgevangen gemaakt. Bij de geallieerden worden ongeveer 10.000 soldaten verwond of gedood. Op 13 september wordt Johannes overgeplaatst van het 27e regiment naar het 1er Compagnie, 1er Bataillon, 72ème Régiment d’Infanterie de Ligne.

Slag bij Klum, 30 augustus 1813

Slag bij Sainte-Croix-en-Plaine: Napoleon hoopt op een winterstop, maar eind december maakt het grote geallieerde leger een beweging aan zijn linkerzijde om zich te concentreren op het Zwarte Woud , en dreigt - ondanks de neutraliteit van Zwitserland - de brug bij Bazel over te steken. Op de ochtend van 21 december 1813 steken de troepen van prins von Schwarzenberg de Rijn over bij de brug van Basel. De Oostenrijkse kolonel Scheibler rijd diezelfde dag van Habsheim naar Rixheim tot aan de poorten van Mulhouse. Op de 23e is het Oostenrijkse leger onder leiding van Scheibler  in Ensisheim, 's middags laat hij kapitein Baron Schell, van het huzarenregiment van Hesse-Hombourg, opdragen tot Colmar door te dringen met 100 kozakken te paard. En zo begint de Franse campagne van 1814 ... in 1813. Inderdaad, het eerste gevecht van deze campagne vind plaats aan de vooravond van Kerstmis in Sainte-Croix-en-Plaine, in de Haut-Rhin, een paar kilometer ten zuiden van Colmar. Na de inneming  van Colmar door het Boheemse leger. Het Franse leger stuurt generaal Milhaud, hij slaagt erin Colmar op 23 december opnieuw in te nemen. De volgende dag ontmoeten de Oostenrijkse huzaren en het Beierse leger de Fransen. 400 mannen raken gewond en 150 worden door de Fransen gevangen genomen.  Op 31 december 1813 doen de geallieerden weer een aanval op het dorp Sainte-Croix-en-Plaine  maar de Fransen weten het met succes te verdedigen. Op 3 januari 1814 raakt Johannes in de omgeving van Colmar gewond aan zijn linker been en wordt gevangen genomen door de kozakken die het Württembergse leger ondersteunen, 9 januari wordt hij uit gevangenschap ontslagen.

Slag bij Sainte-Croix-en-Plaine, 24 & 31 december 1813


Al op 13 november 1813 waren de Kozakken in Nederland. De schrik zat er goed in toen de Kozakken de oostgrens overstaken. De Kozakken kwamen om ons land te bevrijden van de Fransen, maar hun reputatie als barbaarse woestelingen was hen al vooruit gegaloppeerd. Dat maakte dat ze niet bepaald met open armen werden ontvangen. Eenmaal in het brave Nederland stonden ze al gauw bekend als liederlijke, twee uur in de wind stinkende half wilden. Zuipschuiten waren het, rokkenjagers, veelvraten en vechtmachines. Het waren niet bepaald frisgeschoren huisvaders die om zes uur thuis waren voor een verantwoorde maaltijd. Eten met mes en vork was er trouwens helemaal niet bij. Ze leefden in mannengemeenschappen en waren een hard en ruig leven gewend, alhoewel ze ook godsdienstig waren. Op 10 november 1813 hadden zich twaalf tot vijftienhonderd Kozakken verzameld bij het Duitse Neuenhaus, boven Nordhorn. Twee dagen later doken de eersten al op voor de IJssel. Hun strategie was om de Fransen zo snel mogelijk de rivier over te jagen en dan door te stomen naar het westen tot uiteindelijk Parijs. Dat lukte wonderwel. Op 21 mei 1814 was heel Nederland voorgoed van de Fransen bevrijd.

                                                                                                

Op diezelfde 9 januari is ook de oprichting van het Nederlandse leger, de Staande Armeé. Deze bestaat uit vrijwillig dienende beroepsmilitairen. Daarnaast is er een ‘Nationale Militie’. Deze is samengesteld uit door loting aangewezen dienstplichtigen. Koning Willem I besluit om de gehate Franse dienstplicht uit 1811 over te nemen. Hij moet wel, want er melden zich te weinig vrijwilligers om de Staande Armee te vullen. Op 17 augustus 1814 treedt Johannes toe als soldaat bij het Bataljon Infanterie der Staande Armee. Hij tekent voor een periode van zes jaren. Hij is op dat moment: 1 El, 6 palmen, 7 duim en 4 streep. Dat staat voor 167,4 cm. Volgens het stamboek neemt Johannes deel aan veldtochten naar Frankrijk. Al op 1 december 1814 wordt hij bevorderd tot Korporaal. Men eet twee keer per dag, te weten om 10:00 uur en om 16:00 uur. 's Ochtends is dat vaak een stevige soep, 's middags een soort stoofpot, waarin alle ingrediënten worden gekookt. Aangezien de soldaten binnen hun escouade beurtelings moeten koken ben je wel afhankelijk van de kookkunst van je maten. Én de korporaal mag altijd als eerste opscheppen.

Slag bij Waterloo: Na in 1814 verbannen te zijn naar Elba, keert Napoleon in maart 1815 naar Frankrijk terug. Hij installeert zich daar opnieuw als keizer van Frankrijk. Zijn oude vijanden kunnen dat niet aanvaarden en vormen de Zevende Coalitie om hem weer te verjagen. Engeland en Pruisen trekken grote legers samen in de zuidelijke Nederlanden om Frankrijk op 1 juli 1815 binnen te vallen. Napoleon besluit ze voor te zijn en trekt op 14 juni de grens van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden over bij Charleroi. Hij hoopt de legers van Wellington en Blücher uiteen te drijven om ze apart te kunnen vernietigen maar dat mislukt grotendeels. Zijn linkervleugel word op 16 juni door de Nederlanders opgehouden in de Slag bij Quatre-Bras. Hij brengt de Pruisen dezelfde dag met zijn rechtervleugel een nederlaag toe in de Slag bij Ligny maar die trekken zich naar het noorden terug om Wellington te blijven bijstaan. Napoleon achtervolgt het Engels-Nederlandse leger op 17 juni met zijn hoofdmacht en laat de Pruisen volgen door maarschalk Emmanuel de Grouchy. Wellington neemt een verdedigende positie in op een heuvelrug ten zuiden van Waterloo in de hoop dat de Pruisen hem op tijd te hulp zouden schieten.

Johannes is ingedeeld bij de Nederlandse krijgsdienst onder bevel van 2e Bataljon Infanterie Luitenant Kolonel J. Speelman bij het 2e bataljon Infanterie. Dit bataljon valt onder de 3e divisie onder leiding van Luitenant General H.G. Baron Chassé. “Het goede weer scheen ons te verlaten, zware regen buijen bleven aanhouden tot den 18den.” Op 17 juni marcheert de divisie in de stromende regen naar hun nieuwe positie op de rechterzijde van de geallieerden rond het dorpje Braine l'Alleud. 

 Wij marcheerden anderhalf uur, alwaar wij onzen vijand ontmoetten, die ons verwelkomde met zes, twaalf, achttien en vierentwintig ponders, waarop wij hen met dito soort bedankten tot de avond inviel en wij ons bivouac opsloegen.”


Tijdens de slag bij Waterloo staat de divisie eerst geheel op de rechterflank opgesteld rondom het dorp Eigenbrakel. Al snel komt het bevel om zich in reserve op te stellen achter het centrum van de geallieerde linie. Chassé bespeurd dat de Britse troepen vóór hem op de vlucht zijn geslagen en de artillerie niet langer vuurt. Hij ziet al snel dat Napoleon de Keizerlijke Garde op het centrum afstuurt, hierop geeft hij het bevel aan zijn artillerie om positie te nemen en de vijand onder vuur te nemen, terwijl hij intussen de brigade van kolonel Detmers in colonnes laat opstellen voor de tegenaanval.

Een soldaat uit het Staande leger 1815


Na een kort vuurgevecht opent hij de aanval op de Franse garde, die uiteindelijk moet wijken. De brigade van Detmers zet de aanval door, verdrijft de Franse garde van een laatste positie bij La Haye Sainte en achtervolgd de vluchtende Fransen tot aan het Maison du Roi bij Plancenoit, waar ze Pruisische troepen tegen komen. Van de kleine tweehonderdduizend man die aan de slag hadden deelgenomen zijn er na afloop zo'n vijfenvijftigduizend dood of gewond. Het Franse leger, dat daarvan ongeveer vijfendertigduizend man verliest, verlaat het slagveld in volledige chaos en trekt zich via Charleroi terug over de Franse grens. Tot afgrijzen van Chassé en zijn officieren maakt de Hertog van Wellington in zijn verslag geen melding van de aanval van de divisie van Chassé. Ondanks toezeggingen van de Britse generaal Lord Hill, die het Nederlandse aandeel in de slag bij Waterloo erkend, is deze weglating nooit gecorrigeerd. Koning Willem I benoemd Chassé vanwege zijn verdiensten in Waterloo op 8 juli 1815 tot Commandeur in de Militaire Willems-Orde. Napoleon word in Parijs gedwongen afstand te doen van de troon. De Britten verbannen hem naar Sint-Helena.


Op 5 november 1815 wordt Johannes gepromoveerd tot Fourier. Een fourier is een onderofficier binnen de infanterie, artillerie en cavalerie, die onder andere zorg draagt voor de inlegering, bewapening, foeragering en kleding van de compagnie en tevens compagnieschrijver is. Op 6 januari stapt Johannes over naar het 18e Bataljon Infanterie Nationale Militie als Sergeant-majoor. 15 januari 1820 gepasporteerd (Eervol ontslag uit militaire dienst). 11 februari 1820 in dienst bij het Korps Mariniers als Sergeant.




Johannes heeft in de tussentijd niet stilgezeten. Op 31 januari 1821 trouwt hij met de dan 32 jarige Johanna Elizabeth Houter. Als ouders van Johannes wordt in de huwelijksakte alleen Anna van Adrichem gemeld, vader onbekend.... Voor hun huwelijk heeft Johanna al wel 2 zoons gekregen. Op 7 januari 1819 kreeg Johanna een zoon Johannes Huibert, die voor hun huwelijk nog Houter van de achternaam heet. En twee jaar later op 8 januari 1821, wordt zoon Wijnandus Josephus Houter geboren, 4 weken voor hun huwelijk. Het mannetje wordt vernoemd naar de overleden tweelingbroer van Johannes. Veel geluk brengt de naam niet, ook dit kindje sterft veel te jong, slechts 8 maanden oud. Beide kinderen worden gewettigd bij het huwelijk.  Op de dag af, 1 jaar na de geboorte van de eerste Wijnadus, bevalt Johanna op 8 januari 1822 weer van een zoon die de namen Wijnandus Pieter Josephus Christiaan van Adrichem krijgt. Deze jongen heeft meer geluk en haalt de volwassen leeftijd. Het gezin, zonder vader Johannes, maar met Oma van Adrichem wonen vanaf 10 november 1824 in Vlissingen aan de Breewaterstraat 112b. Ze horen bij de militair op de Kousteenschedijk 102.
 Al staat hij in het bevolkingsregister pas gemeld vanaf 1828. Op 25 september reëngageerd Johannes als Sergeant–Majoor in het leger. Op 2 december 1825 wordt in Rotterdam de eerste dochter van het stel geboren, vernoemd naar haar oma. Het meisje heet Anna Catherina Maria Johanna van Adrichem. Een korte tijd later op 12 december 1825 verhuisd het gezin naar de Kousteenschedijk 102.  Op 1 mei 1827 vertrekken Anna, Johanna, Johannes Huibert, Wijnandus en zusje Anna naar Kousteenschedijk 84. Nog voor vader Johannes aan zijn nieuwe baan als Marine Luitenant begonnen is, overlijdt zijn moeder Anna op 26 februari 1828 op 67 jarige leeftijd. Ze is altijd ongehuwd gebleven en heeft altijd bij het gezin in gewoond, Op 10 september 1828 's avonds om zes uur sterft ook de kleine Anna, ze is dan 9 maanden oud. Op 13 juli 1829 vertrekken vader en zoons naar de Steenen Beer nr 14 en Johanna komt er ook weer bij wonen. Op 17 oktober 1829 vertekt het complete gezin naar de Grote Markt 79. Waarna ze uit het bevolkingsregister van Vlissingen verdwijnen en dochter Johanna op 12 juni 1830 in Rotterdam wordt geboren. 


In 1838 duikt de gehele familie op in Amsterdam. Johannes is dan Luitenant Geweldige, Hoofd departement van de Zuiderzee.  Johannes geeft zoon Johannes Huibert, die dan 19 is, zelf op bij de Marine. In het militieregister staat bij zoon Johannes Huibert: "Geëmployeerd aan de Werf. Luitenant Geneedrager bij de Marine. Wonende te Amsterdam. Opgegeven door zijn vader. Wonend bij zijn ouders; Bethanienstraat 5 boven nr 14. Ligte gebreken, finaal vrij". Ook zoon Wijnandus wordt door hem opgegeven bij de Marine. Blijkbaar hebben ze niks te willen. In augustus 1837 wordt Wijnadus Pijper bij de 2e divisie Mariniers, voor een tijd van 8 jaren, zonder handgeld. Wijnandus is dan nog maar 15 jaar oud! Moeder Johanna Elisabeth Houter overlijdt in 1841 in het binnengasthuis te Amsterdam. Het Binnengasthuis, ook wel “Pest huys” genoemd, was in de 19e eeuw berucht om zijn deplorabele toestanden. De zalen zijn: "groot, hol, kil, kerkvormig en met stenen bevloerd lokaal, dat des winters voor geen behoorlijke verwarming vatbaar is". De verpleging bestaat uit "knechten en meiden" die zich, volgens een rapport van het stadsbestuur, schuldig maken aan drankmisbruik en mishandeling, de medicijnen verkopen en het voedsel voor zichzelf houden.

“ ’T’ Pest Huys”, In dezer dagen is alles dat niet verklaarbaar is, zoals gezwellen en kanker onder te brengen onder de ziekte de pest.
Een Oostenrijkse arts, die het Binnen- en Buitengasthuis in 1852 bezoekt, schrijft in zijn verslag aan het Koninklijke en Keizerlijke Artsengezelschap in Wenen: "Hoe moeten we deze twee verpleeginrichtingen beschrijven, die op geen enkele wijze die naam verdienen? Als wij bijzonderheden opsommen, blijkt als vanzelf dat ze het tegendeel zijn van wat ziekenhuizen behoren te zijn. (...) Op iedere buitenstaander maakt deze plek een hoogst onaangename indruk. Op zeshonderd zieken zijn er slechts twee artsen." Het verplegend personeel noemt hij een afschrikwekkend voorbeeld van ruwheid, traagheid en smerigheid. Zeven maanden na het overlijden van zijn vrouw trouwt Johannes met een 22 jaar jongere vrouw, Catherina van Haarlem. Waarschijnlijk om de zorg op zich te nemen van dochter Johanna, die dan nog maar 10 jaar is. Zijn nieuwe vrouw Catherina is daarentegen slechts 4 jaar ouder dan zijn zoon Johannes Huibert. Met Catherina krijgt Johannes een jaar na het huwelijk nog een zoon, Aart Pieter Jacobus Johannes van Adrichem. Blijkbaar gaat het daarna niet goed meer in het gezin. De beide oudste zoons deserteren, en ondanks de goede baan van vader worden beide zoons voor het vragen van een aalmoes, veroordeeld voor bedelarij en opgesloten in de Ommerschans. Ook dochter Johanna komt er terecht, zij zal op 57 jarige leeftijd, ongetrouwd en kinderloos sterven. In de krant verschijnt alleen een oproep: Met zoon Aart lijkt het in eerste instantie beter te gaan, ook hij gaat bij de Marine, trouwt en krijgt twee dochters.




Terug naar vader Johannes. In 1850 verlaat Johannes de Marine, na 37 jaar in militaire dienst te hebben gezeten, met eervol ontslag en kan hij van zijn pensioen genieten. Hij is dan 57 jaar. Hij heeft dan inmiddels als drie kleinkinderen, maar betwijfel of hij die ooit gezien heeft, ze worden namelijk alle drie geboren in gevangenschap. Of in de Ommerschans of in Veenhuizen.



Johannes overlijdt op 26 september 1863 in Amsterdam, 69 jaar oud. Als ouder wordt weer Anna genoemd, van Wijnandus Josephus Buchet geen spoor.... Catherina plaatst een advertentie in de krant, waar uit opmaakt kan worden dat die twee veel van elkaar gehouden hebben. Dit strookt niet helemaal met het beeld dat we van Johannes van Adrichem hebben. Hoe kan het dat de kinderen van zo'n succesvolle Marine Luitenant, die toch een goed salaris moet hebben gehad, zo diep in de goot komen te zitten? Het zal jaren duren voordat Johannes Huibert met zijn gezin uit de Ommerschans komt, waarna hij vrij snel overlijdt. Zoon Wijnandus overlijdt in Veenoord, en het kind die hij krijgt uit zijn huwelijk met Trijntje Kuiper, zijn dochter Petronella, zelfs voor haar eerste levensjaar, in de Ommerschans. Catherina van Haarlem overlijd in Amsterdam in 1865, twee jaar na het overlijden van haar echtgenoot. Slechts 49 jaar oud.

Credits: Marloes van Adrichem en Harold Pot.

zaterdag 26 januari 2019

Een familie van Scherprechters

Naar aanleiding van mijn eerdere post over Wolter Jansen de scherprechter kreeg ik voor de zomervakantie een mailtje van meneer C. Snijder. Meneer Snijder is nazaat van de bekende scherprechter familie Snijder en doet al jaren onderzoek naar alle scherprechters- en vildersfamilies in Nederland.
De namen Jansen, Goedgeluk maar ook Vogedes die in mijn vorige post genoemd werden kwamen hem dan ook bekend voor.
Hij vertelde mij dat niet alleen Wolter Jansen uit de vorige post en zijn vader scherprechters waren, maar nog veel meer van mijn voorouders.
Met elk stukje dat ik verder las groeide mijn verbazing. Dit was niet zomaar een familie van scherprechters meer, het was een hele dynastie!
Meneer Snijder verwees me naar een publicatie van hem in het genealogisch tijdschrift De Nederlandse Leeuw. Dat wakkerde de interesse natuurlijk nog veel meer aan. Dagen heb ik op internet geprobeerd mijn kwartierstaat zo compleet mogelijk te krijgen en heb ik zoveel mogelijk gelezen wat ik kon vinden over de scherprechter.

Zeker zeven van mijn directe voorouders waren vilder of scherprechter, en dat zijn alleen de voorouders die mij bekend zijn en waarvan ik weet wat ze voor de kost deden.
De zeven voorouders hadden vaak ook zonen, ooms, en neven die vaak ook vilder of scherprechter waren.


Niet alleen het vinden van een functie als scherprechter vinden was moeilijk, ook het vinden van een geschikte huwelijkspartner was een uitdaging. Er werd namelijk bijna uitsluitend binnen de eigen beroepsgroep getrouwd. Niet alleen omdat ze een vanwege hun beroep buiten de maatschappij vielen maar ook om hun hoge maatschappelijke positie te beschermen. Hierdoor bleven de kennis die ze hadden, maar ook het vermogen en macht binnen de familie gewaarborgd, wat leidde tot uitgebreide scherprechters dynastieën.

Zo ook de familie Jansen uit Stadtlohn, Duitsland. Via mijn voorvader Antonius Marcellus Wilhelmus (Anton) Jansen, geboren in Stadtlohn en die in 1847 naar Amerika vertrok ben ik verwant via meerdere lijnen met deze familie. Waarschijnlijk is deze Anton ook verwant aan de Wolter Jansen uit mijn eerdere post, maar bewijs hiervoor hebben zowel meneer Snijder als ik nog niet gevonden.
Zowel Anton Jansen als de vier generatie's voor hem waren afdekker of vilder. Zijn schoonvader Theodorus Hermannus Vogedes was Scherprechter te Olfen. Theodor's eerste vrouw was afkomstig van de familie Koenen, die ook vele scherprechters voortbrachten, zijn derde vrouw was de dochter van Wolter Jansen. En via Wolters vrouw Berendina Goedgeluk kom ik opnieuw bij de familie Koenen terecht. Waarvan de verste voorouder die we konden vinden als in de 16e eeuw scherprechter was. (Klinkt ingewikkeld, is het ook, maar hoop dat bovenstaand grafiekje het verhaal een beetje verduidelijkt)

De oom van Anton Jansen; Gradus Jansen was de scherprechter van Amsterdam. Toen Gradus in 1826 stierf solliciteerde het neefje van Anton Jansen, Dirk Jansen, naar de opengevallen post, maar werd afgewezen ten gunste van Jacobus Ras, die weer afstamde van eerdergenoemde familie Koenen. 
Jacobus Ras was getrouwd met weduwe Nordt. Haar dochter Anna Maria Klotz trouwde op haar beurt weer met Gerardus Jansen, scherprechter van Amsterdam en jongere broertje van Dirk.
Ook de oudere broer van Dirk en Gerardus, Johannes, was op dat moment scherprechter te Groningen, nadat hij eerst assistent scheprechter te Amsterdam was geweest.

Toen Jacobus Ras in 1837 overleed werd zijn overlijden aangegeven door zijn schoonzoon Gerardus Jansen en diens broer Dirk Jansen, de toenmalige assistent-scheprechter te Amsterdam. Dirk, de oudste van de beide broers, werd op 29 April 1837 tot opvolger van de overledene benoemd. Hij was toen 35 jaar en reeds sedert 10 Mei 1820 assistent-scherprechter. In zijn sollicitatie verklaarde hij, dat hij tussen 1820 en 1837 achtmaal een capitale executie had zien voltrekken en er eenmaal zelf een had verricht.

Dirk Jansen was de laatste scherprechter in Nederland. Hij was van oorsprong laarzenmaker. Hij werd omschreven als een vriendelijke, zachtmoedige, zedelijke en plicht lievende huisvader. Zijn foto geeft ook dat beeld weer. Als ik daar naar kijk kan ik amper geloven dat deze man mensen heeft geëxecuteerd en gegeseld. Het schijnt dan ook dat Dirk aan de vooravond van de executies wel eens iets te diep in het glaasje keek.
Dirk Jansen, de laatste Scherprechter van Nederland.
Op 1 januari 1851 werden alle scherprechters van Nederland ontslagen. Zij werden op wachtgeld gezet en zouden bij eventuele executies voor elke handeling een bepaald bedrag krijgen.
Op 16 augustus 1851 werd bepaald dat voor het hele koninkrijk slechts twee scherprechters zouden fungeren. één voor Gelderland, Friesland, Overijssel, Groningen, Drenthe en Limburg, de ander voor Noord-Brabant, Zuid-Holland, Noord-Holland, Zeeland en Utrecht.
De keuze viel op de scherprechters Dirk Jansen, scherprechter te Amsterdam en Johannes Paul Jansen, Scherprechter te Arnhem.

Op 21 november 1854 werd er besloten dat er per 1 januari 1855 nog maar één scherprechter zou zijn. En dat werd Dirk Jansen. Dirk heeft echter niet zo vaak een straf uit hoeven te voeren als zijn collega's in de 17e en 18e eeuw. De meeste lijfstraffen werden na 1854 afgeschaft en misdadigers kregen vaak gratie, zodat Dirk maar acht keer een executie heeft hoeven uitvoeren.
De laatste executie die Nederland werd uitgevoerd, door Dirk Jansen, was op 31 oktober 1860 in Maastricht.
Toen werd moordenaar Johan Nathan door Dirk Jansen opgehangen. Op de ochtend van 31 oktober liep Johan Nathan naar het schavot. Naast hem liep de geestelijke, voor hem Dirk Jansen en daarachter de beulsknecht. Het was doodstil op het marktplein waar zich een flinke menigte had verzameld. Het schavot was rondom met zwarte doeken behangen. Johan Nathan liep het schavot op, waar de beulsknecht hem ontdeed van zijn schoenen. Met gebonden handen keek hij om zich heen en bekende zijn misdaad te hebben begaan en zei bereid te zijn zijn straf te ondergaan. Toen legde Dirk Jansen zijn hand op de schouder van Johan Nathan en deed de strop om zijn nek, waarna hij het valluik liet kantelen. Slechts enkele ogenblikken later was de laatste openbare terechtstelling in Nederland voorbij. Daarmee kwam een eind aan eeuwenlange scherprechters dynastie.
Dirk Jansen bleef officieel nog wel de Scherprechter maar werd nooit meer opgeroepen voor zijn diensten. Bij het afschaffen van de doodstraf in 1870 werd Dirk meteen op wachtgeld van 800 gulden per jaar gezet en daarmee verdween de laatste beul van Nederland uit de geschiedenis,
Dirk Jansen keerden terug naar zijn beroep als laarzenmaker en verhuisde in 1862 met zijn vrouw naar Arnhem, waar hij in 1880 overleed.

Van oudsher was het de gewoonte wanneer een scherprechter bij een executie met het zwaard er niet in slaagde in één slag het hoofd van zijn slachtoffer af te slaan, een prooi werd van de mensenmenigte. Nog in de 16e eeuw zijn er in ons land om die reden beulen doodgeslagen. In de 17e eeuw is dat niet meer gebeurd. Maar het maakt duidelijk dat er van de scherprechter op lichamelijk gebied veel werd geëist.

Het beroep van scherprechter was een achtenswaardig beroep; hij was tenslotte een rechtvaardig justitieambtenaar in dienst van de stad of provincie en diende de handhaving van de rechtsorde. Strafjustitie was een wil van god en daarmee werd het geweld gezien als rechtvaardig. Scherprechters zagen hun beroep ook vaak als een roeping.

Hoewel de beul vaak werd gezien als buiten de maatschappij geplaatste, gewetenloze bruut, waren ze het daar zelf niet mee eens. Dirk van Gorcum, scherprechter te Leeuwarden van 1755 tot 1797 diende zelfs een klacht in tegen de term Beul, dat hem "als een veragtelijk persoon deed voorkomen" en hoopte hij zodoende een "boete te laaten citeeren". 
In oude documenten uit die tijd zul je die term beul dan ook niet vinden. De scherprechters werden toen, heel deftig "Meester van den Scherpe Swaerde" genoemd.

Eeuwenlang werd er enorm streng gestraft bij het overtreden van de wet. Brandmerken, geselen, verminken, ophangen, onthoofde, vierendelen en radbraken gebeurden niet dagelijks, maar waren wel onderdeel van het gewone leven. Deze straffen dienden dan ook tot voorbeeld en afschrikking.
De zoon van een scherprechter werd van kind af aan als door zijn vader in het vak opgeleid om hem dan later te kunnen assisteren of bij een ander familielid in dienst te treden. Niet alle zonen kregen een aanstelling als scherprechter want er waren maar een beperkt aantal vacatures. Voor het beulswerk kon ook niet iedereen gebruikt worden. Je behoorde een uiterst bekwaam vakman te zijn met veel chirurgische kennis. Werd je niet verkozen tot scherprechter dan kozen de zonen vaak een aanverwant medisch beroep als chirurgijn of veearts. Maar ook slager, vilder, afdekker of rijnmaker zijn beroepen die ik veel ben tegen gekomen bij de zonen van de scherprechters.

Werd je wel benoemd tot scherprechter dan kwam er natuurlijk de eerste keer dat je een executie uitvoeren moest. Vanwege onze instinctieve afkeer om bloed te vergieten komt ons de weerzin om voor de eerste maal de doodstraf te voltrekken begrijpelijk voor, toch moet het zo elke jonge scherprechter zijn vergaan.

Er zat natuurlijk wel een enorme verschil in maatschappelijk waardering tussen het beroep scherprechter en vilder. Waarmee de laatste als laagste op de sociale lader stond. De vilders hadden vooral tot taak het gestorven vee en paarden van de huid te ontdoen en de kadavers op te ruimen. Ook zorgden zijn voor het leeghalen van het privaat of secreet (toiletten) en het transporteren en begraven van "onnatuurlijk" gestorven personen waaronder zelfmoordenaars en ter dood gebrachte misdadigers. Per land verschilde ook de functie van vilder. In Frankrijk was het een dubbel functie; zowel scherprechter als vilder, maar in het noorden van Duitsland stonden de vilders in dienst van de scherprechters. Er werd regelmatig getrouwd tussen de scherprechters en vildersfamilie's zoals ik al eerder beschreef. Ook trad men vaak op als doopgetuigen, dat ben ik mijn onderzoek naar de familie Jansen vaak tegen gekomen.

Hoe meer onderzoek ik doe naar deze familie en hoe meer ik over hun beroep te weten kom, hoe gemengder mijn gevoelens over deze familie worden. De details over de lijfstraffen en executies zijn afschuwelijk en vervullen me met weerzin. Ik kan me echt geen voorstelling maken hoe het moet zijn om als je vak dit soort dingen bij mensen moet doen die bidden en smeken om op te houden en die het uitgillen van de pijn. Hoe kun je zoiets volhouden? Maar tegelijk is en blijft het mijn familie, het zijn mijn voorouders, die dit generaties lang hebben gedaan en ik draag een stukje van hun DNA met mij mee en ben ik ergens ook nog wel trots op ze. Het is in elk geval een hele interessante familiegeschiedenis waar vast nog meer over valt uit te zoeken!


"prijslijst" van Meester Wolter Jansen, scherprechter te Gendringen

woensdag 12 december 2018

Familie Houter

Er zijn een aantal families in mijn stamboom waar ik van het zoeken er na echt gefrustreerd van raak. Dit zijn vaak de families die waarschijnlijk niet uit Nederland komen. De familie Fietjero is er daar een van, maar ook bij de familie Houter zucht en steun ik er wat af. 
Ik zoek er al jaren naar, maar wat ik ook probeer, hoe ik ook zoek en vraag. Ik zit hartstikke vast met dit gezin.

De eerste Houter is mijn stamboom is mijn voormoeder Johanna Elisabeth Houter. Ze trouwt met mijn voorvader Johannes van Adrichem. Als enige van de familie Houter vertrekt zij uit Rotterdam, zij zal in Amsterdam sterven.
Maar dat weet ze nog niet als ze in 1821 in Rotterdam trouwt met Johannes van Adrichem. 

Volgens het extract van het geboorteregister die bij de huwelijkse bijlagen van dit huwelijk zitten staat dat Johanna Elisabeth geboren is in Veere, Zeeland, op 8 juni 1788. Op 13 juni wordt ze Nederlands Hervormd gedoopt. De getuigen, naar wie ze wordt vernoemd en die bij deze plechtigheid aanwezig zijn Johan Kasper Smit en Elizabeth Pagter. 
De moeder van Johanna Elisabeth is de 26e jarige Catharina Visser, de dochter van de eerder beschreven Pieter Visser en Tanneke van Helleput.
De vader van Johanna is de  27e jarige Johannes Houter. Johannes is soldaat en volgens zijn overlijdensakte geboren in Bern, ik neem dan aan dat dit Bern, Zwisterland moet zijn. Er zaten veel Zwitsers in het Nederlandse leger. 

De originele doopakte van Johanna Elisabeth heb ik, ondanks jaren zoeken, nog steeds niet gevonden. Vermoedelijk is dit bij een bombardement tijdens de tweede wereldoorlog vernietigd. Ook de huwelijksakte van vader Johannes en moeder Catharina kan wel eens vernietigd zijn, die is voor mij ook onvindbaar.
Ik weet wel dat dit stel getrouwd is omdat er wel een akte bestaat waarin staat dat Johannes en Catharina trouwgeld hebben betaald voor hun huwelijk. Deze akte is gedateerd op 1-10-1786 te Veere. Een aardige meneer uit Middelburg is onlangs voor me op zoek geweest naar akte's van de familie Houter in het Zeeuws Archief, maar zonder verder resultaat. 

Trouwgeld Johannes Houter
Johanna Elisabeth is dus het eerste kind van het echtpaar Houter. Twee jaar later vind ik een doopinschrijving in Geertruidenberg. Op 12-12-1790 wordt daar Johan David Houter gedoopt. Volgens de doopinschrijving zijn de getuigen Jan David Boller en Rosina Houter. De vader is in Geertruidenberg in garnizoen. Rosina zou een zus, maar ook de (ongehuwde) moeder van Johannes kunnen zijn. 
Doop Johan David Houter
Dat betekend dat het hele gezin steeds mee verhuisd als het garnizoen verder trekt. 
Ondanks een speurtocht in het boek "Vredesgarnizoenen van 1715 tot 1795 en 1850 tot 1940" van H. Ringoir heb ik niet met zekerheid het regiment vinden waarin Johannes Houter zou hebben gediend, en loopt ook dit spoor hier dood. 

In 1792 en 1795 worden er door Johannes Houter in Rotterdam twee levenloos geboren kinderen aangegeven. Johannes zit dan waarschijnlijk niet meer in actieve militaire dienst. Rotterdam was volgens mij geen garnizoensstad.
Het gezin woont in Rotterdam op de hoek van Zwaanesteeg en het Achterklooster. Ze bewonen de voorkamer van het huis nr 2. De kinderen worden pro deo aangegeven, dat geeft een beeld hoe armoedig het gezin moet zijn geweest. 

Het vreemde is dat ik dan tussen 1795 en 1801, dus zes jaar lang, geen geboorteaangifte's meer kan vinden. Mijns inziens kan dit niet kloppen en moeten er in die tussenliggende jaren nog een stuk of twee kinderen zijn geboren, al dat niet levenloos. Niet in Rotterdam, maar waar dan wel? 
Na 1801 worden er ineens binnen vier jaar tijd weer vier dochters geboren.

De eerste dochter die in Rotterdam levend ter wereld komt is Catherina Elizabeth. Ze wordt ook "Agter 't Klooster" geboren op 13 mei 1801. 
Dan volgt dochter Tannetje, zij wordt geboren aan de Kipstraat te Rotterdam op 14 augustus 1802. Margrieta Rosina wordt op 21 oktober 1804 geboren "op 't Agter klooster. Vier dagen na haar geboorte overlijd haar zus Tannetje op 1 jarige leeftijd. 
De 28e oktober wordt Margrieta Rosina gedoopt, met als doopgetuige Margarieta Blecker. De volgende dag begraaft het gezin de kleine Tannetje in de regen. Ik vind het maar een trieste situatie...

Achterklooster 1710
Op 6 december 1805 wordt aan de Kipstraat het laatste kind geboren. Als ze zes dagen later wordt gedoopt, krijgt ze haar naam; Maria Elizabet, vernoemd naar haar doopgetuige; Maria Steets. 

Hoewel de straat waar ze wonen steeds anders wordt genoemd denk ik dat ze wel steeds op dezelfde plek hebben gewoond. De korte Kipstraat is namelijk de oudste benaming voor het Achterklooster. 
Aan de Hoogstraat in Rotterdam stond vroeger een klooster. Op het terrein van het klooster verrezen na 1572 het Gasthuis, het Pest- en Dolhuis en het Oude vrouwenhuis. Het is me opgevallen dat bijna al mijn voorouders uit Rotterdam, ook de familie van Adrichem, in dit gebied woonden.
Uit 18e eeuws belastinggegevens weten we, dat het gebied waarvan het Achterklooster, bestaande uit zes smalle steegjes achter de Hoogstraat, deel van uit maakte, het armste stuk van de stad was.   

Achterklooster 1830
De bekende Kaat Mossel woonde na haar huwelijk ook op 't Agter Klooster, zij stierf op 4-7-1798 aan de Swanensteeg. Dat is waar de familie Houter op dat moment ook woonde. Wie weet waren ze wel buren. Ze moeten elkaar in elk geval gekend hebben.

Kaat Mossel
Als je de reputatie van Kaat Mossel (losbandig en een viswijf) een beetje kent en je bedenkt dat Tanneke van Helleput, de moeder van Catharina Houter-Visser, er een "hoeragtige manier van leven" op na hield, dan geloof ik niet dat de familie Houter een beschaafde familie in een nette buurt was.  

Kipstraat voor het bombardement
(De huidige Kipstraat en Achterklooster liggen vanwege het bombardement van Rotterdam nu niet meer op dezelfde plek als in het begin van de 19e eeuw.)

Johannes Houter sterft in 1820 in Rotterdam. Geboren te Bern, gedomicilieerd te Rotterdam, 58 jaren en 11 maanden oud, staat er op zijn overlijdensakte. Zijn vrouw Catharina zal nog 21 jaar lang zonder hem aan haar zijde leven. Zijn dochters trouwen alle vier en stichten grote gezinnen. 

Tot zover beste leuke informatie, maar het frustrerende begint als ik op zoek ga naar zoon Jan David Houter. Wat is er met hem gebeurd? Is hij overleden voordat het gezin in Rotterdam kwam wonen? 
En wie is zijn doopgetuige, Rosina Houter? Is zij de zus van Johannes, of misschien wel zijn moeder? De naam Rosina wordt wel doorgegeven binnen de familie, ook zijn kleindochters worden naar haar vernoemd. Dat lijkt mij er op wijzen dat zij belangrijk voor hem was.
En wat is er gebeurd met dochter Margrieta Rosina Houter? Nergens kan ik de overlijdens van deze drie vinden. 

De naam Houter, zonder toevoeging, komt in Nederland verder niet voor. Ik zoek al jaren op alle varianten en in alle archieven, maar kan niets vinden. En komt Johannes daadwerkelijk uit Bern? Waar was hij gelegerd? In een achternamen database van Zwitserland komt ik de naam ook niet tegen. Ik wil zo graag meer weten over deze naam, maar alle sporen lopen dood. 
Ik hoop dat dit verhaal hier op de site op een of andere manier informatie oplevert, dat zal niet de eerste keer zijn. Fingers crossed! 

zondag 9 december 2018

Pieter Visser; gastblog door Harold Pot

Ik ben niet de enige in de familie die geïnteresseerd is in de familiegeschiedenis en daar graag over schrijft. Ook mijn achterneef Harold Pot heeft het "stamboomvirus" te pakken. We hebben elkaar leren kennen door het onderzoek naar onze stamboom en we bleken parallel een paar straten van elkaar te wonen en hebben elkaar toen voor het eerst ontmoet. Het klikte meteen en ik herkende bepaalde karaktereigenschappen van hem bij mezelf. We zijn al een paar keer samen op stap geweest en delen onze vondsten met elkaar en we vullen elkaar volgens mij goed aan. Zo heeft Harold de blog die ik over Tanneke van Helleput heb geschreven verder uitgezocht en er zelf een stuk over geschreven, die je hieronder vind. Ik ben er van onder de indruk en hoop dat er nog vele gastblogs van hem zullen volgen! 
-------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Pieter Visser en Tanneke van Helleput: door Harold Pot

Heinrich van Adrichem                 Wilhelmina Hekke
Johannes van Adrichem              Judith Langkamp
Johannes Huibert van Adrichem  Hendrikje Vitjeroo
Johannes van Adrichem              Johanna Elisabeth Houter
Johannes Houter                          Catharina Visser                            
Pieter Visser                                 Tanneke van Helleput

Begin 18 eeuw komen we in onze stamboom Pieter Visser tegen, Pieter is geboren op 18 november 1731 in Werkendam bij Gorinchem, zoon van Abraham Visser en Lijsbeth van der Wal. Pieter is het oudste kind uit een gezin waar elf kinderen zijn geboren, zeker twee zusjes en een broertje van hem overlijden in de eerste jaren van hun leven.

Op 29 augustus 1760 trouwt Pieter met de dan 20 jarige Tanneke van Helleput, Tanneke is geboren op 22 mei 1740 in Hulst. Ze is het oudste kind van Levinius van Helleput en Catherina van de Voorde. In de zes jaar na Tanneke's geboorte worden zoon Pieter en dochters Adriana en Magdalena geboren. Eén jaar na hun huwelijk word hun eerste dochter, Catherina Visser geboren. Na Catherina krijgen ze in 1763 dochter Elisabeth. Rond diezelfde tijd passeert de koopakte van een huis aan de Vismarkt in Hulst. In het huis aan de Vismarkt (gebouwd in 1633) beginnen Pieter en Tanneke een  herberg, ze noemen de Herberg "Het Vismijntje", een verwijzing naar de functie die de markt gelegen vóór de woning had in de jaren dat de haven er nog stroomde. Blijkbaar vinden er bezigheden plaats die weinig te maken hebben met water. Op bevel van het stadsbestuur word de herberg in 1765 gesloten vanwege de schandelijke en "hoeragtige mannier van leven" van Tanneke die, vanwege het beledigen van de leden van het stadsbestuur, zelfs gevangen word gezet. Het Vismijntie word in 1765 verkocht aan François de Bruijn. Waarschijnlijk uit geldgebrek want volgens aantekening op de akte van aankoop is de koopsom nog steeds niet voldaan door Pieter en Tanneke. In 1765 word er ook een zoon geboren. Ze noemen hem Abraham, naar de vader van Pieter. Drie jaar later word er ook nog een dochter Magdalena geboren.





Hulst in de 17 eeuw

Door de financiële situatie wordt het er niet beter op. Het is dan ook erg waarschijnlijk dat Pieter door arbeidsbemiddeling aan een “baantje” is geholpen. Ronselaars, ook wel logementhouders of zielverkopers genoemd, bieden berooide werkzoekenden werk of geld voor een nog uit te voeren dienst. Als bekend word dat de VOC in de stad op zoek is naar personeel brengt de logementhouder zijn “gasten” naar de Kamer van het Oost-Indisch Huis. Door het afleggen van een eed op het reglement van de VOC kunnen ze aanmonsteren als matroos of soldaat. Van de logementhouder krijgen ze een eenvoudige uitrusting. Als vergoeding voor die uitrusting en eventuele andere diensten ontvangt de logementhouder het voorschot van de nieuwbakken Oost-Indiëvaarder (twee maanden gage). Bovendien ontvangt hij een schuldbekentenis, ook wel transportbrief of transportceel genoemd. Vaak bedraagt deze transportbrief het bedrag van 150 gulden. Vlak na de geboorte van zijn dochter Magdalena vertrekt Pieter als matroos voor de VOC naar Batavia met spiegelretourschip Barbara Theodora. Op 14 december 1768 varen ze uit. Als matroos heeft hij verschillende taken. In zijn functieomschrijving staat het volgende: Waak -en Roergang, Laden en lossen, reinigen, teren en kalfaten van het schip, af en aanslaan van de zeilen, Helper van de onderofficieren. Ook wel bootsgezel genoemd. 

Rammekens in de 17e eeuw
Het leven aan boord is voor de meeste opvarenden geen pretje. Er zit een groot verschil tussen het leven voor de mast en het leven daarachter. Het leven achter de mast is in vergelijking met dat van voor de mast ontzettend luxe. Deze passagiers wonen in kleine, doch zeer comfortabele hutten. De hutten zijn voorzien van onder andere een tafel met 

stoelen, een bed, een kast en soms zelfs een bank. Voor de mast is het leven compleet anders. Men leeft daar op het overloopdek tussen plunjekisten en hangmatten,  kanonnen en handelsgoederen. Door het lage plafond moeten zij zich voorover gebogen door het ruim verplaatsen. Pieter verblijft voor de mast met andere matrozen en soldaten. Waar de edellieden nog op matrassen kunnen slapen moet hij het zich zo comfortabel mogelijk zien te maken op een strozak met een haren deken of in een hangmat.


De Barbara Theodora heeft voor negen maanden voedsel aan boord. Dat is op zichzelf ruim voldoende.  De eerst volgende plaats waar voedsel en water kan worden ingeslagen is Kaap de Goede Hoop en dat ligt op vier maanden varen van Holland. Voor een bemanning van 350 opvarenden word het volgende meegenomen op een lange reis: 55.000 pond brood, 22.000 pond vlees, 10.000 pond spek, 3700 pond boter en 700 kazen. De rantsoenen zijn precies afgemeten en nauwkeurig is beschreven hoeveel een ieder krijgt. Dit is voor de gewone bemanningsleden per week: 330 gram vlees, 660 gram spek,  220 gram boter bij het brood, één mutsje azijn en één mutsje olijfolie. De onderofficieren hebben een ruimere portie: anderhalf maal het rantsoen van de gewone bemanningsleden.  Overigens is dit weer minder dan de officieren die tweemaal zoveel krijgen als de gewone matrozen. Toch zijn er problemen met het voedsel en de drank. Zo kan het voedsel alleen gedroogd of gezouten worden bewaard, maar soms blijkt tijdens de reis een deel van het voedsel niet geschikt voor consumptie.  De precieze oorzaak van het bederf is vaak niet te achterhalen. Soms word er door leveranciers in Nederland oud en bedorven voedsel geleverd.  Ook kan het voorkomen dat een volledig verse lading voedsel op zee door vocht aan boord en de brandende zon op het schip bederft.  Het goedhouden van de meegebrachte drank is vaak nog moeilijker dan het conserveren van het ingeslagen voedsel. De eerste weken van de reis is er wat betreft de drank nog niet erg veel problemen. In deze begintijd van de reis kan er nog voldoende bier worden gedronken. Voor elk bemanningslid is er twee liter per dag. Het scheepsbier heeft echter een probleem: het is beperkt houdbaar. Binnen drie maanden moet al het bier zijn opgedronken. Als het bier op is heeft de scheepsbemanning nog maar één alternatief: water. Bij het aan boord brengen van het water word rekening gehouden met 400 liter per persoon, inclusief het water wat nodig is voor het bereiden van de maaltijd. Het water bederft echter vaak. Bedorven water verspreid een enorme stank aan boord en er is weinig anders aan te doen dan het overboord te kieperen. Er word echter wel wat op gevonden om het kostbare (bedorven) water weer drinkbaar te maken: in het water word een roodgloeiende ijzerstaaf uitgedoofd en aan het water word een scheut limoensap toegevoegd om het geheel weer drinkbaar te maken. Tussen de opvarenden is het niet altijd koek en ei. Kleine onenigheden kunnen soms uitlopen op grote ruzies. De voornaamste conflicten ontstaan over de werkzaamheden op het schip, de voedselverdeling, de kwaliteit van het leven op de schepen en het strakke schema van het wachtsysteem waar niet iedereen zich op aan wil passen. De oorzaak achter de meeste ruzies is drank. Overmatig drankgebruik zorgt ervoor dat van een mug vaak een olifant word gemaakt. Een verkeerd gekozen woord of een flauwe grap kan uitlopen op een hevig conflict. Het onderlinge geroddel, de aanwezigheid van passagiers met vlugge vingers en het beledigen van medepassagiers – o.a. door het geven van bijnamen als ‘bokkepoot’ en ‘smeerbroek’ – vergroot de spanning. De mondelinge ruzies lopen al gauw uit op lichamelijk geweld en messengevechten.


Op 14 december 1768 varen de Barbara Theodora en Geynwensch uit.



Aan boord komen veel ziektes voor, zoals malaria, beriberi, verkoudheid, longontsteking en scheurbuik. De meest bekende zeemansziekte is scheurbuik, met als voornaamste symptomen verlamming van ledematen en ontsteking van tandvlees. Het is bekend dat scheurbuik word veroorzaakt door een gebrek aan verse groenten en fruit, dus zijn er soms groentetuintjes aan boord van het schip. Een schatting van de sterftecijfers aan boord is dat 15% van de bemanning de heenreis niet overleefd en op de terugreis 10% het loodje legt. Deze doden worden dan over boord gegooid.



Op zaterdag 1 april 1769, na vier maanden varen, komen ze aan op kaap de Goede hoop. Daar word vers water, fruit en ander proviand meegenomen. Ruim 2 weken later vertrekken ze op 18 april verder richting Indië. 




Na nog eens vier maanden varen komt de Barbara Theodora op 19 juli 1769 aan in Batavia. Bijna 8 maanden zijn ze onderweg geweest!


Op 1 november van datzelfde jaar vaart de Barbara Theodora weer uit naar Rammekens in de Republiek der zeven verenigde Nederlanden, ook Pieter is dan weer als matroos aan boord. Op 7 januari legt het schip aan bij kaap de Goede hoop, daar blijft het vier weken liggen.


In februari wordt de reis naar hervat en na 3 nog eens maanden varen komt Pieter op 8 mei 1770 aan in Rammekens. Na een jaar en 5 maanden is Pieter weer thuis. Of hij ook weer naar zijn gezin gaat is niet duidelijk. In ditzelfde jaar wordt in de Nieuwe haven van Rotterdam het lijk opgevist van een jonge vrouw. In haar zak vinden ze een brief van Catherina van Voorde waaruit blijkt dat de dode vrouw Tanneke van Helleput is. Ze is op 17 december 1770 begraven in Rotterdam en werd slechts 30 jaar. Na 1770 komen we Pieter Visser uit Gorinchem of Werkendam niet meer tegen in de archieven.


Uit het Soldijboek van de Barbara Theodora:  Onderaan staat de Fl.150,= transportbrief die voldaan moet worden aan de logementhouder.


Aantekeningen van schulden uit het Soldijboek.



Credits: Marloes van Adrichem, Archief Zeeland, http://www.gahetna.nl