vrijdag 6 januari 2017

Een nieuwe vondst in Bandoeng

Vanochtend vroeg, buiten is het nog donker, ik word wakker.
De kinderen hebben nog kerstvakantie en ik kan lekker uitslapen.
Ik kijk op mijn telefoon om te zien hoe laat het is. Het is nog maar half acht en ik zie dat er een nieuwe reactie is op een bericht op facebook dat ik volg. Het bericht komt van een man die op zoek is naar een voorouder die naar Indonesië is gegaan en nooit is terug gekomen en dat heeft mijn interesse. 
In plaats van dat ik me nog een keer omdraai en verder probeer te slapen, lees ik toch met mijn ogen nog half gesloten het berichtje. In de reactie onder het bericht wordt een website genoemd; www.roosjeroos.nl.
Ik ken de site niet en klik er op. Een zoekbalk verschijnt in beeld en zonder nadenken tik ik van Adrichem in, zoals ik al zo vaak heb gedaan, meestal zonder resultaat, dus ik verwacht er weinig van. Tot mijn grote verbazing verschijnt de naam Hendrik Wijnandus Arie van Adrichem tweemaal in beeld. Over de zoektocht naar hem schreef ik in de vorige blog al. Overleden in Bandoeng is het enige wat ik zie…
Ik lees niet eens verder en spring letterlijk mijn bed uit. Snel kleed ik me aan en ren naar beneden.
Onze jongste zoon zit beneden op de bank televisie te kijken als ik roep: "Ik heb Hendrik gevonden! Verdwaasd kijkt hij me aan en zegt; "wie is Hendrik?". “Maakt niet uit”, roep ik en sta nog net niet te springen in de kamer van blijdschap.
Hoe kan ik iemand uitleggen hoe het voelt om eindelijk iemand te vinden waar je uren, maanden en vervolgens jaren naar aan het zoeken bent?
Ik wil het wel van de daken schreeuwen, maar denk niet dat dat enthousiasme door veel mensen gedeeld zal worden.

Ondanks de adrenaline besluit ik toch maar om eerst te gaan douchen, want mezelf kennende ben ik de eerste uren niet achter de laptop vandaan te krijgen. 
Inmiddels is onze andere zoon, die nog in bed lag, op mijn lawaai afgekomen. Ik roep wederom dat ik Hendrik gevonden heb, en krijg precies dezelfde reactie van hem als van de zijn broertje. Ik vertel hem wie Hendrik is en hij reageert met een lauwe “nou mooi”.
“Zeg maar dat je heel erg blij voor me bent!”, zeg ik tegen hem. Gehoorzaam zegt hij wat ik wil horen en als dank krijgt hij een dikke knuffel. Tot zijn groot ongenoegen doe ik met hem  er ook nog een vreugdendansje achteraan, maar kan me dan niet meer bedwingen en ga op zoek naar de laptop.  
Het duurt veel te lang naar mijn zin voordat dat ding opgestart is. Eindelijk vindt ik de website terug en daar lees ik tot mijn grote vreugde dat Hendrik op 1 december 1911 in Bandoeng is getrouwd met de inlandse vrouw Estie.
Ah! Dus daarom kon ik Hendrik in Nederland niet terugvinden, hij is daar gebleven en heeft er een nieuw leven opgebouwd! Stiekem hoopte ik al dat de reden zou zijn.
De volgende hit die ik lees is minder goed nieuws . Amper 9 maanden na zijn trouwen is Hendrik op 19 september 1912 in Bandoeng overleden op 51 jarige leeftijd. Het gekke is dat de aangifte van zijn overleden op last van Justitie pas in 1928 wordt gedaan. 
Meer vindt ik helaas niet terug op de site. Ik besluit op Delpher te kijken en vind na enige zoeken het volgende kranten bericht. 

Vendutie van Hendrik Wijnandus Arie van Adrichem

Vendutie? Ik heb er nog nooit van gehoord, maar het blijkt een woord vooral gebruikt in Nederlands-Indië en het betreft het verkopen van den inboedel van een persoon die van standplaats verandert of het land verlaat. Of dood is dus…  
Ik zie dat er straatnamen bij staan en sla meteen aan het zoeken. Zoals ik had kunnen verwachten zijn de straatnamen van toen niet meer de namen van nu. Na lang zoeken en puzzelen denk ik dat ik een foto heb gevonden van de hoek waar de Tamblongweg, de Boengsoestraat(weg/gang) en de oude Hospitaalweg elkaar kruizen. Op Google Maps ga ik op zoek naar de beelden van dezelfde situatie nu. Er is niks herkenbaars te vinden. De stad is onherkenbaar veranderd. Waar eerst de rijtuigjes met paarden reden, scheuren nu honderden auto's, scooters en brommers rond. 

Kruizing Tamblongweg, oude Hospitaalweg, Boengsoestraat

Kruizing Jalan Thamblong, Jl Veteran, Jl Lembong, Jl Sumatra

Na wat verder zoeken op Delpher vind ik ook nog wat er te koop werd aangeboden bij de boeldelverkoop van Hendrik.

Sterfboedel Hendrik Wijnandus Arie van Adrichem

En daar zie ik staan; kinderledikanten... En enkele regels verder nog een kindersportkar. Betekend dit dat Hendrik ook kinderen heeft gekregen in Indonesië? Maar waarom wordt de inboedel van hun huis verkocht? Hij is toch getrouwd? Heeft een inlandse vrouw geen recht op de erfenis? Of is ze ook al overleden? 
De overlijdens van een inlandse vrouw vindt je niet terug in de Nederlandse Burgerlijke stand van die tijd. 
En waar zijn de eventuele kinderen dan gebleven? Zijn er nazaten van de familie van Adrichem in Indonesië te vinden, of zijn ze misschien door de tweede wereldoorlog wel in Nederland terecht gekomen? Ik vind het een spannende ontdekking!

Door het oplossen van één vraag, komen er alleen tientallen vragen voor in de plaats. 
Wat was het beroep van Hendrik? Was hij nog steeds militair bij zijn overlijden? Was het huisje van defensie en moesten ze daarom weg? Bandoeng was wel een garnizoensplaats, maar voorlopig heb ik op al mijn vragen nog geen antwoord kunnen vinden. Ik wordt van het berichtje wel een beetje verdrietig. Ik hoop maar dat dit gezin na de dood van Hendrik goed terecht is gekomen.

De advertentie roept bij mij wel het gevoel op dat hij geen armoedig leven lijdt zoals zijn broer Johannes in Enschede. Een jachtgeweer, revolver, boekwerken, schilderijen, mooie kasten en meubelen, porselein en glaswerk. Hij klinkt als een vermogende man, heel wat anders dan de arme jongen uit de Ommerschans, die voor straf naar het Koloniaal Werfdepot werd gestuurd en dat doet me dan wel weer goed! Ik mag graag denken dat hij er net zo gedistingeerd uitzag als de heren hieronder. 

Onbekende heren ca. 1910 Bandoeng

En ik kon het weer niet laten en probeerde het plaatje van zijn leven in Nederlands-Indië wat meer in te kleuren door meer informatie over Bandoeng rond 1910 op te zoeken.

Bandoeng kreeg in 1906 de status van gemeente. De eerste verkiezingen voor de gemeenteraad werden in 1909 gehouden en pas in 1917 kreeg Bandoeng zijn eerste Burgermeester. De stad telde in 1906 zo’n 50.000 inwoners, waarvan er zo’n 2000 uit Europa kwamen.
De meeste wegen in de stad waren onverhard en ’s nachts werden alleen de hoofdstraten verlicht met olielampen. Langs de hoofdweg lagen oude Indische huizen van de Europeanen. Deze waren uit steen opgetrokken en hadden ruime tuinen met paden en afgezet met witte bloempotten zoals overal in het toenmalig Indië.
De huizen van de minder vermogenden waren gebouwd van gevlochten bamboe die gepleisterd werden met kalk. Deze huizen stonden in Kampongs achter de mooie huizen van de Europeanen en waren vanaf de straat kant nauwelijks te zien. Elektriciteit, gas en waterleidingen werden pas in 1915 aangelegd. Er waren winkels, banken, hotels en andere openbare instellingen. Tot 1910 kwamen er zo’n 5000 militairen bij op de Bandoengse hoogvlakte, dit gebied werd vanwege haar centrale ligging een militair concentratiegebied. Deze militairen werden niet meegeteld in de bevolkingsstatistieken, maar zorgden wel voor een economische groei van de stad.

Winkelstraat Bandoeng ca. 1910

De gemiddelde temperatuur overdag in Bandoeng was ongeveer 22 graden. Zo’n 17 graden in de ochtend en 27 graden in de middag. De nachten waren vrij koel. Het regende wel twee keer zoveel als in Nederland. Toch was dit subtropische klimaat voor de meeste Europeanen erg aangenaam. De stad lag op 700 meter hoogte en rondom waren geen moerassen zoals bij vele andere steden, zodat er malaria er niet voorkwam. Doordat de stad op een berghelling lag werd regen- en afvalwater snel afgevoerd en dat had vele voordelen voor de hygiëne van de stad en zijn inwoners.

Sociëteit Concordia

Bij de Europeanen in Bandoeng was de Sociëteit Concordia het centrum van het uitgaansleven. Onder andere de verjaardagen van het koninklijk huis werden hier uitbundig gevierd.
Een belangrijk hoogtepunt in het leven in Bandoeng waren de paardenrennen, de elk jaar in juli werden gehouden. Van ver buiten Bandoeng kwamen de mensen naar dit spektakel kijken. Alle planters uit de omgeving kwamen naar de stad en op het station kwamen overvolle treinen met nieuwsgierige mensen aan. Duizenden bezoekers kwamen samen op het raceterrein en er werd flink gewed. In de stad was het drie dagen feest tijdens de paardenraces, maar verder was er voor de Europese bevolking niet veel te beleven. Er werden met een rijtuigje af en toe tochtjes gemaakt in de omgeving. De Dago waterval en de badplaats Tjihampelas die 20 minuten rijden was, waren erg in trek.

Paardenraces, Bandoeng

Paardenraces Bandoeng

Paardenrenbaan Bandoeng ca. 1910

Paardenraces Bandoeng

Het verhaal over het familielid die een plantage had, al zijn geld vergokte en een moord pleegde in Indië wordt nu toch wel steeds aannemelijker. Er waren theeplantages genoeg rond Bandoeng. Het grootste feest in de stad draaide om weddenschappen. En waarom wordt het overlijden van Hendrik pas 16 jaar na zijn overlijden opgetekend door justitie? Mocht het verhaal dat in de familie rondgaat een kern van waarheid bevatten en wij in Nederland zijn er van op de hoogte, dan betekend dat, in tegenstelling tot wat ik zelf verwachtte, Johannes en Hendrik wel contact met elkaar gehouden hebben al die jaren! Ze hebben elkaar dan wel nooit meer teruggezien nadat Hendrik in 1887 naar Harderwijk vertrok, maar ze hebben elkaar in elk geval op de hoogte gehouden van elkaars leven. Tenminste… dat hoop ik.

Als allerlaatste vond ik ook nog een krantenbericht van september 1912, vlak voor het overlijden van Hendrik. Daarin wordt vermeld dat er een Europese korporaal van de genie, wonend aan de Boengsoegang-Tamblongweg was opgenomen in het hospitaal te Tjimahi met cholera. Zou dit misschien Hendrik zijn? 



Wordt vervolgd….

maandag 12 december 2016

Hendrik Wijnandus Arie van Adrichem

In eerdere post zoals hier noemde ik hem al even Hendrik Wijnandus Arie van Adrichem, de broer van mijn betovergrootvader Johannes van Adrichem. 

Heel veel weet ik niet van Hendrik, maar wat ik weet is wel het vermelden waard. We beginnen maar gewoon weer even bij het begin.

Hendrik wordt geboren 28 april 1861. Het KNMI verteld mij dat het op die dag 8,6 graden is en droog. De kleine man wordt vernoemd naar zijn moeder Hendrikje Vitjeroo. Die op haar beurt weer werd vernoemd naar haar opa hendrik Moon. 

De plek waar Hendrik wordt geboren is het trieste omgeving van de Ommerschans. Wel woont het gezin dan in een eigen hoeve. Ik schreef er al eerder over, het was niet de fijnste plek om op de wereld te komen. Geboren in gevangenschap, het voorspelde misschien niet zo heel veel goeds voor deze kleine Hendrik. 

Hij groeit op met zijn halfzus, zijn broer en zijn 2 jaar jongere zusje in afwisselend de Ommerschans en Veenhuizen. Elf jaar is hij als het gezin voorgoed vertrekt uit de Maatschapij van Weldadigheid. Ze vertrekken lopend naar Hellendoorn waar het gezin aan de slag gaat in de textielindustrie. Ook de 11 jarige Hendrik maakt lange dagen in de fabriek.  Het gezin woont twee jaar in de gemeente Hellendoorn als ze het boeltje weer bij elkaar pakken en naar Hilversum vertrekken om daar in een andere textielfabriek te gaan werken. 

Het is 1878, Hendrik is 17 jaar en zijn vader is een jaar daarvoor overleden. Hendrik en zijn broer Johannes moeten nu de kost verdienen voor het gezin. 

Het gezin woont op dat moment aan het Gooische Gat in Hilversum. 
Tot 1700 lag de Gooische Vaart in Hilversum tot aan het Gooische Gat, maar in 1840 werd begonnen met het verder graven van de vaart tot aan de Havenstraat. Dat punt bereikten ze in 1880. Hendrik was een van de vele jongens en mannen die met alleen een schep tot zijn beschikking geholpen heeft met het uitgraven van de vaart.

Gooische Gat in Hilversum.

Op 8 december 1878 omstreeks 22.00 liep de 17 jarige Hendrik op de openbare weg in Hilversum toen hij Willem van Sprenger tegenkwam. 
De twee kende elkaar zeer goed, maar blijkbaar had Hendrik met deze Willem nog een appeltje te schillen want zonder enige waarschuwing  sloeg Hendrik, Willem vol in het gezicht. 
De lichamelijke gevolgen vielen wel mee volgens het proces verbaal dat door de veldwachter na het incident werd opgemaakt. Daarin staat; "dat de beklaagde zal worden verklaard schuldig aan het moedwillig toebrengen van slagen aan een persoon waaruit geenerlei ziekte of beletsel van te werken, gedurende meer dan twintig dagen is ontstaan."
Getuige van het misdrijf waren "van Daal"en "Groenhuizen" die beide onder ede verklaarden dat zij zagen hoe Hendrik het slachtoffer moedwillig met de vuist in het gezicht sloeg. 
Blijkbaar was Hendrik niet onder de indruk van de dagvaardiging die hij kreeg want op de behandeling van zijn zaak bij de arrondisementsrechtbank in Amsterdam op 6 januari was hij niet aanwezig.  
Volgens art 309.34 van het wetboek strafrecht werd hij schuldig gevonden aan het misdrijf. 
Vanwege verzachtende omstandigheden (er was geen letsel) werd hij veroordeeld tot "ene gevangenisstraf voor den tijd van acht dagen door hem in eenzame opsluiting te ondergaan, en in de kosten van het regtsgeding ten behoeve van den staat, 3,10 gulden".








Op 27 maart 1880 vertrekt Hendrik met zijn moeder Hendrikje Vitjeroo en zijn zusje Gerhardina naar Haarlem. Het gezin woont er aan de Burgwal 67. 
Moeder Hendrikje vertrekt na een jaar op 5 mei 1881 naar Almelo samen met Gerhardina. 

Burgwal Haarlem
Hendrik staat dan nog steeds ingeschreven in Haarlem maar in 1881 moet de 20 jarige Hendrik zich inschrijven in het Militieregister. Hij krijgt bij de loting nummer 8 toegewezen. Hij woont nog thuis bij zijn moeder in Hilversum volgens de gegevens uit het register. 
Hier wordt het voor mij een beetje verwarrend omdat Hendrikje volgens mij dan in Almelo zit, maar daar heb ik nog geen bewijs van gevonden. In 1884 wordt Hendrik pas uitgeschreven uit het bevolkingsregister van Haarlem. 


Bevolkingsregister Haarlem
Een manier om vrijstelling te krijgen van militaire dienst is de broederdienst. Als er een even aantal broers in huis zijn, dan hoeft de ene helft maar in dienst, de andere niet. Hendrik's broer Johannes is al in dienst, dus Hendrik is niet aanwezig bij de loting van 15 maart omdat hij er van uit gaat dat hij vrijgesteld gaat worden vanwege broederdienst. Maar bij zijn inschrijving staat dat broederdienst niet bewezen is en 11 april wordt hij toch aangewezen tot dienst. 
9 Mei wordt hij ingelijfd bij het 1e compagnie, 5e bataljon 7e regiment infanterie garnizoen met als standplaats Naarden.

Kazerne te naarden


Zijn signalement luidt: 
Uiterlijk: 1,651 meter
gezicht: Ovaal
Hoofd: laag
Oogen: grijs
Neus: gewoon
Mond; id
Kin: rond
Haar: Blond
Wenkbr: id
Merkbaare Teekenen: geene

De eerste 3 maanden is het rustig rond Hendrik maar dan heeft hij zijn eerste akkefietje. 
Op 19 augustus krijgt Hendrik 8 dagen provoost voor het niet onmiddelijk voldoen aan de gegeven bevelen en oneerbiedig gedrag tegenover een Korporaal. Een provoost is een militaire gevangenis.
Op 1 november opnieuw 8 dagen provoost omdat hij na afloop van het schijfschieten aangewezen was om kogels te zoeken en daarbij een patroon die hij op het terrein had gevonden had afgeschoten.
Op 18 november moet 14 dagen naar de politiekamer omdat hij voor de 1e keer gedeserteerd is. Wel in tijd van vrede met vrijwillige terugkomst binnen 4 weken. Maar verder dan 1 meter buiten het garnizoen zonder toestemming is verboden.
Die twee weken zit hij blijkbaar niet want op 26 november krijgt hij weer 8 dagen provoost met om de andere dag water en brood omdat hij op straat met burgers slaags is geraakt en daarbij zijn bajonet heeft gebruikt. 
Op 28 november wordt bepaald dat hij 6 maanden lang zijn bajonet niet meer mag gebruiken.



Op 30 April 1882 vraagt Hendrik groot verlof aan maar hij komt nooit weer terug naar zijn garnizoen. Op 4 november 1884 wordt hij als deserteur vermeld. 

In de krant verschijnen meerdere oproepen in de krant:
Gesignaleerde personen (Bij het departement van oorlog is opgemaakt de navolgende staat, de namen en signalementen bevatten der personen, die gedurende het jaar 1884 van de landmacht en van het korps mariniers gedeseteerd zijn en omtrent wier lot bij de korpsen, waartoe zij behoord hebben, op 1 januari 1885 niet stelligs bekend was.

216. ADRICHEM, Hendrik Wijnandus Arie, van
Milicien bij het 7e regiment infanterie, geboren te stad Ommen (Overijssel) 28 april 1861, lengte 1.651 meter, aangezicht ovaal, voorhoofd laag, oogen grijs, neus en mond gewoon, kin rond, haar en wenkbrauwen blond; gedeserteerd 4 november.)














   


Op 4 juli 1887 duikt Hendrik ineens op in Enschede. Misschien dat hij zich koest hield bij zijn broer Johannes of bij zijn moeder en halfzus in Rheine (Dld). Ik was in elk geval erg verbaasd om hem hier in mijn woonplaats tegen te komen. 

Raadhuis Enschede

Hendrik meld zich zelf  dan bij het raadhuis van Enschede en geeft zichzelf aan als deserteur bij de Burgemeester van Enschede. Hendrik wordt gearresteerd en komt voor de krijgsraden in Naarden en moet een maand de gevangenis. Daarna wordt hij over gedragen aan het koloniaal Werfdepot te Harderwijk.






binnenplein Koloniaal Werfdepot




In Harderwijk zal Hendrik een opleiding van 6 weken hebben gehad voordat hij op een zaterdagmorgen onder begeleiding van Militaire muziek en gejoel van de Harderwijker jeugd naar het station ging van Harderwijk ging. Vanaf daar vertrokken ze met de trein naar Rotterdam en met de boot naar de koloniën.
Op deze manier zijn er tussen 1815 tot 1910 zo'n 150.000 militairen vertrokken om plaats te nemen in het Oost-Indische leger. Niet alleen gestrafte militairen maar ook "gewone" militairen, bedelaars, gevangenen, deserteurs uit vreemde legers en buitenlanders zoals de beroemde Franse dichter Arthur Rimbaud en voormalig minister President Hendrik Colijn.

Elke nieuwe rekruut kreeg na het tekenen van het contract een flink geldbedrag (al zal dat niet voor Hendrik zo zijn geweest als gestrafte militair). De winkeliers, hotelhouders, kroegbazen en bordeelhouders in Harderwijk beleefden gouden tijden, want het bedrag aan handgeld dat de militairen kregen was meestal al op in de 5 tot 25 weken die ze moesten wachten voordat ze aan boord van het schip gingen. Er waren vaak vechtpartijen, Harderwijk kreeg hierdoor een slechte reputatie en werd het gootgat van Europa genoemd.
Vaak werd er voor vertrek naar Indië een foto gemaakt van de militair met de tekst "tot ziens" of "Naar Indië", wie weet vinden we ooit die foto van Hendrik nog wel.

Dit is het allerlaatste wat ik over Hendrik heb kunnen vinden. Het is het waarschijnlijkst dat hij onderweg of in Indië is overleden. Of misschien heeft hij er een vrouw gevonden en loopt r wel een familie van Adrichem aan die kant van de wereld rond!
Hij komt in elk gevalhet meest in aanmerking voor het verhaal dat er in de familie rondgaat over een voorvader die naar Indië is vertrokken, er een plantage had, een moord pleegde en al zijn geld vergokte. Misschien komen we er op een dag achter...ik zie hem er in elk geval wel voor aan.

vrijdag 2 december 2016

Hoe Johannes van Adrichem toch een gezicht kreeg




Schreef ik hier al eerder het verhaal van mijn bet overgrootvader Johannes van Adrichem en dat ik zo graag een foto van hem zou willen vinden. Hij is pas in 1955 overleden dus er moest toch een foto van hem zijn...en ik kan melden dat ik 'm inmiddels heb gevonden! 

Hoe kom ik nou zo ineens bij die foto? 
Nou, ik wou al een tijdje op bezoek naar een nicht van mijn vader, maar ik vond het doodeng om de eerste stap te zetten. Vorige week heb ik haar dan toch maar gebeld. Met trillende handen tikte ik het nummer in, en zo zat ik nog twee minuten op de trap voordat ik de telefoon daadwerkelijk over liet gaan. Echt helemaal niks voor mij dat bellen.... 
De nicht van mijn vader was heel enthousiast en ze zat zelfs al op mijn telefoontje te wachten. Meteen voor de volgende dag maar afgesproken. Het was een hele gezellige middag, zij heeft mij interessante dingen kunnen vertellen over mijn opa en overgrootvader en ik had voor haar de stamboom en foto's meegenomen. 
Ook kwam er een fotoalbum op tafel, waar ze me op de laatste pagina een klein donkere fotootje liet zien. Een gezichtsuitdrukking is er amper op te zien, maar het was een foto van Johannes van Adrichem! Na ene fotobewerking hebben we er dit van kunnen maken. 

Johannes van Adrichem!





Het fotoalbum mocht ik mee naar huis nemen om te scannen en toen ik de volgende dag daarmee bezig was, ging de deurbel. Daar stond de nicht van mijn vader. 's Nachts had ze zich herinnerd dat ze nog ergens een foto van Johannes moest hebben en die had ze gevonden. In haar hand had ze een dubbelgevouwen artikel uit een tijdschrift met daarop een foto gemaakt ter ere van het 40 jarig huwelijk van Johannes van Adrichem en Judith Langkamp! 
Van hem had ik verwacht dat er een foto zou zijn, maar nooit gedacht (wel gehoopt) dat ik ook een foto van Judith zou vinden. Ik stond nog net niet te dansen in de deur opening, zo blij! 

Johannes van Adrichem en Judith Langkamp
Na al die jaren fantaseren over hoe ze er uit zouden zien, is het wel vreemd om ineens een foto van ze te zien. Ze zien er zo anders uit dan ik had gedacht. Ik had verwacht dat hij een lange baard zou hebben en dat zij een klein mager mensje zou zijn. Maar niets is minder waar. 

Diezelfde dag kreeg ik ook bericht van het gemeentearchief van Hellendoorn. Ik kon maar geen gegevens van de familie van Adrichem vinden in Hellendoorn. Volgens de gegevens van het bevolkingsregister van Hilversum moesten ze er toch wel gewoond hebben. 
Een medewerker van het archief van Hellendoorn was zo aardig om voor mij op zoek te gaan en hij vond inderdaad een inschrijving. Waarin stond dat ze vier dagen na de laatste vrijlating uit Veenhuizen al aankwamen in Hellendoorn. Volgens de medewerker woonde het gezin in Noetsele. Vroeger een marke in de gemeente Hellendoorn, nu is het een wijk van Nijverdal. 

Bevolkingsregister Hellendoorn

Op de site van de Historische Kring Hellendoorn Nijverdal staat een mooi stukje geschiedenis over de marke Noetsele. Ik zal hier onder een samenvatting geven.

In 1826 stonden er 37 gebouwen in Noetsele, waar alle bewoners als beroep "bouwman" hadden. De meeste inwoners waren Landbouwers, maar er zal thuis ook wel werden geweven, zoals normaal was in die tijd.
Na de 10 daagse veldtocht werd er een plek gezocht voor de katoen industrie en die werd gevonden in Twente. Daar werd vooral in de wintermaanden op de boerderijen nog veel geweven op handweefgetouwen. 
Voor de door de thuiswevers geweven calicots moest er een centrale plaats komen waar deze stoffen in ontvangst genomen konden worden om ze via Zwolle naar Amsterdam te sturen. Dat punt moest een goede verbinding over land en over water zijn. 
Op het punt waar de de Regge en de nieuwe straatweg van Zwolle naar Almelo elkaar zich met elkaar kruisden vestigde Thomas Ainsworth de Nederlandse Handelsmaatschappij. Dit Op 14 mei 1836 werd de eerste steen gelegd en was het eerste begin van Nijverdal een feit. Vanaf dat moment werd er veel gebouwd in het eens zo stille "Koeveen", zoals het gebied rondom Noetsele genoemd werd. Er kwamen nieuwe wegen, sloten en evenwijdig aan de Regge werd een pakhuis met een lengte van 45 meter gebouwd. 
Toen één van de directeuren van de NHM, Willem de Clercq, in september 1837 op een rondreis door Overijssel ook de NHM-vestiging Nijverdal bezocht, schreef hij zijn mededirecteuren daarover: ‘waar voor twee jaren slechts kale heide bestond, verheft zich thans het belangrijke Nijverdal, als eene Oase in de woestijn’.

Thomas Ainsworth overleed plotseling en vanaf daar ging het bergafwaarts met het bedrijf tot het in 1851 werd gekocht door de gebroeders Salomonson. Ze sloopten alle gebouwen en bouwden op deze plek de eerste mechanisch aangedreven katoenweverij die al heel snel het predikaat "Koninklijk" kreeg. 
Er brak een nieuw tijdperk aan voor het dorp. Na het eerste jaar waren er al 426 getouwen in bedrijf en in 1879 had Nijverdal al 1822 inwoners. 
De meeste arbeiders kwamen uit de kolonies van de Maatschapij van Weldadigheid. Hier werd namelijk ook veel geweven. 
Ondanks de lange werktijden (van 5.00 tot 20.00 of soms zelfs tot 21.00 en op zaterdags van 5.00 tot 17.00) kwamen de kolonisten graag naar Nijverdal. 
Na het strenge regiem in de kolonies, lokte de vrijheid die in Nijverdal werd geboden. De woongelegenheid was goed en in de schaarse vrije tijd kon men op een eigen stukje grond aardappelen en groente verbouwen. 
De mensen, die voor werk naar de KSW kwamen, moesten gehuisvest worden. nadat er eerder al 78 woningen waren neergezet, werden er nu nog eens tachtig nieuwe woningen gebouwd. Achtenzestig daarvan in vier blokken van zeventien langs de Grotestraat. De woningen bevatten één kamer met twee bedsteden, en een “deel” waar zich ook nog twee besteden bevonden. Voor water moest men de weg oversteken, waar aan de andere kant van de bermsloot welputten waren aangelegd. Deze kon men via bruggetjes bereiken. Tussen de blokken van de vier woonblokken waren ronde gebouwtjes met vier toiletten voor sanitaire behoeften. In de volksmond werden de woningen al gauw ”De Verdeling” genoemd, omdat ze gebouwd waren op een stuk grond dat die naam droeg na de verdeling van de marke gronden. 
De kinderen van de fabrieksarbeiders, die zelf ook al op jonge leeftijd (vanaf 9 jaar) naar de fabriek gingen, genoten aanvankelijk amper enig onderwijs. De gebroeders Salomonsen sloten vrijwel direct na het in bedrijf komen van de weverij met de onderwijzer van de school in Noetsele een contract af. Hij moest de kinderen één uur op zaterdag na werktijd en één uur op zondag lesgeven. En dat na een werkweek van dertien à vijftien uur per dag. In 1874 schreef Godfried Salomonson, de zoon van Hein, dat hij aan ‘de groote weg naar Zwolle’ een lokaal voor onderwijs aan de fabriekskinderen had ingericht. De kinderen kregen daar bij toerbeurt ’s morgens van zes tot acht uur les.

Zo zag het leven van de van Adrichem's er in de gemeente Hellendoorn in die tijd er zo'n beetje uit. 
Twee jaar heeft het gezin gewoond en gewerkt in Noetsele. Johannes was 14 toen ze er kwamen wonen. In 1874 pakte het gezin zijn biezen en zijn na een reis van 8 dagen in Hilversum aangekomen, waar het gezin weer in de textiel aan het werk ging . De rest van het verhaal van de familie kun je teruglezen in de eerdere posts. En zo heb ik weer wat puzzelstukjes die het verhaal steeds completer maken! Nu nog uitzoeken waar het gezin, zonder vader Johannes Huibert, bleef na 1878. 

vrijdag 21 oktober 2016

Frederik van Adrichem

Freek van Adrichem

Vandaag zou hij 100 jaar zijn geworden, mijn opa Freek. 
Helaas is hij al 15 jaar niet meer onder ons. Om zijn leven te vieren, deden we als familie iets wat we nog niet eerder deden, we vierden zijn leven door in de stad samen een borrel te drinken. We proosten op hem en op zijn 4e achterkleinzoon die drie dagen geleden werd geboren en als 2e naam, de naam Frederik kreeg. Vernoemd naar hem, net zoals hij 100 jaar geleden werd vernoemd naar zijn overgrootmoeder Frederica. Hij zou er vast trots op zijn geweest!

Veel weet ik niet van mijn opa. Ik was 21 toen hij overleed en in die tijd was ik nog niet met mijn familiegeschiedenis bezig. Ik wou soms dat ik nog eens met hem kon praten, dingen vragen over vroeger. Over zijn jeugd, de oorlog. 
Ik heb ook niet zo'n band met mijn opa gehad als ik graag had willen hebben. Hij was de enige opa die ik heb gekend, maar in mijn herinneringen staat hij altijd een beetje aan de zijlijn. 
's Nachts in mijn dromen ga ik nog wel eens bij mijn oma op opa op bezoek, even een kopje thee drinken. 

Ik herinner me nog dat ik met mijn opa in de stad heb gekeken naar Keep them Rolling, een optocht van legervoertuigen uit de tweede wereldoorlog, Het zal 50 jaar na de bevrijding zijn geweest en was 15 jaar. Opa met zijn typerende wandelstok en alpino pet op. Het is de enige keer dat ik me kan herinneren dat ik iets alleen met mijn opa heb gedaan. 

Prachtig vond ik opa's grasveld. Groen en dik als een hoogpolig tapijt. Zelden mochten we er op spelen. Ik kreeg eens voor mijn verjaardag een wit joggingpak. Ik heb 'm één keer aangehad, op bezoek naar opa en oma en waar we eens mochten spelen op het zo gekoesterde grasveld. Toen we thuiskwamen was mijn outfit helemaal groen, en mijn moeder heeft 'm nooit meer schoon gekregen.

oma in de tuin aan de H. Smeltweg
Ik bleef er niet zo vaak logeren, maar als ik er was kreeg ik altijd van oma en suikerklontje in mijn cola en mocht eerst mijn toetje op eten en dan pas de rest van de maaltijd. 
Ik keek er graag in oma's toilettas vol met nepjuwelen (die ik trouwens nu in mijn bezit heb, en af en toe draag). Ik tekende in de schriften die oma altijd voor ons had klaar liggen of ik keek in de boeken die altijd in de kast stonden. Vooral de prachtige dikke boeken van Rien Poortvliet over David de Kabouter doen me altijd aan opa en oma denken.

Ik ging wel eens wandelen in een park of bij de Universiteit. Oma plukte graag mooie bloemen en takken. Takken met van die oranje, paarse of witte besjes. Vooral de herfst doet me altijd aan oma en opa denken. En in de zomer de bomen vol roze bloesems die voor het huis stonden. Oma had een dag in het park boterhammen gemaakt met vruchtenhagel en wit met bruine hagelslag. Ik kan me de smaak nog zo goed voor de geest halen, ik vond ze zo lekker, vruchtenhagel en hagelslag heeft echt nooit meer zo lekker gesmaakt als die dag! 

Mijn opa, oma, broertje en ik op het balkon van mijn oom en tante

Net als zijn vader Heinrich en mijn vader en oom, was ook mijn opa actief in het verenigingsleven op de speeltuin. Jarenlang is hij voorzitter en beheerder geweest van Speeltuin Varvik. Mijn opa en oma woonden tegenover de speeltuin en we gingen er dan ook vaak spelen als we op visite gingen. 
Op  17 oktober 1981 bestond de speeltuin 30 jaar en nam mijn opa afscheid als toezichthouder van de speeltuin.

Ik met mijn opa bij het afscheid als toezichthouder



In verband met de wet op privacy kan ik in de archieven niets over mijn opa vinden. Nu zijn geboorte 100 jaar geleden is, hoop ik dat er langzaam steeds meer te vinden valt. 
Ik moet het dus doen met de herinneringen, foto's en krantenartikelen die ik van de familie hoor en krijg en dat is niet echt heel veel.  

Hij was de oudste zoon van Heinrich van Adrichem en Wilhelmina Gertruda Hekke. Hij had nog een vier jaar oudere zus en na mijn opa werd er een jaar later nog een zusje geboren. 
En maar liefst 14 jaar later nog een broertje. 

familie van Adrichem
opa op de Theo Thijssenschool
Hij woonde als kind aan de Vlierstraat en de Goudenregenstraat. 

Volgens mijn vader hebben mijn opa en oma elkaar leren kennen tijdens het wandelen. Ook wel het "flaneren" aan de Volksparksingel, waar vrijgezelle jongens en meisjes 's avonds gingen wandelen om de aandacht van de andere sekse te trekken. 

Opa en oma werden verliefd, maar opa was acht jaar ouder dan oma en niet katholiek. Van de vader van mijn oma, mochten ze dan ook absoluut niet trouwen. Maar omdat oma "per ongeluk" zwanger raakte ging opa de Vries uiteindelijk toch overstag. Hij verbood echter om de zusjes en broertjes van mijn oma te komen op de trouwerij. Zes maanden na de bruiloft werd mijn oom geboren.

Trouwdag van mijn opa en oma

aankomst op het stadhuis.

Vanwege de woningnood na de oorlog woonden mijn opa, oma en mijn oom bij mijn overgrootouders aan de Goudenregenstraat. 
Een gezin met twee kinderen had echter recht op een eigen woninkje dus werd mijn oma opnieuw "per ongeluk" zwanger en in 1950 werd mijn vader geboren. Het gezin kreeg een huisje aan de Halmeherastraat, waar 10 jaar na de geboorte van mijn vader nog een derde zoon werd geboren. 

Ze hadden dan wel een eigen huisje, maar opa en oma hadden het niet breed, elk dubbeltje moest omgedraaid worden. 
Mijn oom heeft voor hij stierf een boek geschreven over zijn jeugd,  over de armoede maar ook over de avonturen van hem en mijn vader. Het is geschreven in het Twents en ik heb 'm al meerdere malen herlezen. 
De ene keer staan de tranen me in de ogen als ik lees over de armoedige leefomstandigheden om vervolgens weer slap te liggen van het lachen als ik lees over de rare capriolen van mijn oma. Het boek geeft zo'n mooi beeld van het leven in die tijd. Echt een boek dat ik koester en door ga geven aan mijn kinderen. 

Opa werkte als getouwbaas bij Wisselink Textiel en vanwege het lawaai bij de weefgetouwen kon hij goed liplezen. Toen mijn opa en oma eens op zondag op visite gingen bij zijn ouders is er ruzie geweest tussen mijn opa en zijn ouders. Hij zag voordat ze binnen waren wat ze zeiden over ze en dat viel niet in goede aarde, De ruzie liep zo uit de hand dat het contact voor altijd is verbroken tussen zijn ouders en hem. Mijn vader weet het moment nog goed voor zich te halen dat hij achterop zijn moeders fiets zat en hij zijn opa en oma voor het laatst zag. 

Helaas herhaalde de geschiedenis zich jaren later. Na het overlijden van mijn oma kregen mijn vader, moeder en ik ook ruzie met mijn opa en heb ik mijn opa niet weergezien tot op de dag van zijn crematie. Het afscheid op die dag was moeilijk en ik voelde me er niet op mijn plek. Ik vond dat ik er niet bij had moeten zijn, achteraf ben ik wel blij dat ik er geweest ben.
Ik nam afscheid van de opa die ik al een aantal jaar niet meer had gezien en liepen de tranen me over de wangen bij de gedachte dat ik met die opa nooit meer nieuwe herinneringen zou maken. 
Maar nare herinneringen vervagen en de mooie worden steeds belangrijker. 
En ik koester de nachten waarbij ik bij opa en oma aan de deur sta om een kopje thee te komen drinken, allemaal heel goed wetend dat ze al zoveel jaren niet meer op deze wereld zijn...