dinsdag 6 september 2022

de Zuiderzeesteunwet, deel I, KP24

De Afsluitdijk, we kennen 'm in Nederland allemaal. Ook weten we allemaal dat deze gebouwd werd om ons land tegen overstromingen te beschermen.

Maar het afsluiten van de Zuiderzee had natuurlijk grote gevolgen voor de mensen die afhankelijk waren van de Zuiderzee voor hun inkomsten. Dit waren niet alleen de Zuiderzee vissers maar ook o.a. de zeilmakers, nettenbreiers, de wiervissers, de taanders en de visrokers.

Voordat de Zuiderzee kon worden afgesloten moest er natuurlijk veel gebeuren. In 1918 werd de Zuiderzeewet aangenomen. De wet bevatte in artikel 3 ook de opdracht dat bij de wet moest worden geregeld en vastgesteld de maatregelen ter tegemoetkoming aan de Zuiderzeevisschersbevolking. De zogenaamde Zuiderzeesteunwet. Deze wet gold voor iedereen die op 25 juli 1918 zijn hoofdmiddel van bestaan had in de Zuiderzeevisserij. Er werd een lijst opgesteld met vijfentwintig beroepen die daarvoor in aanmerking kwamen,

Kwam je in aanmerking voor deze wet als belanghebbende dan kon je een aanvraag indienen. Bijvoorbeeld voor een tegemoetkoming wegens waardevermindering van o.a. je boot of netten. Maar je kon ook hulp krijgen bij het zoeken naar ander werk en de kosten die daaruit vloeiden zoals verhuiskosten e.d., kostenvergoeding voor een opleiding, kredietverlening of tegemoetkoming voor het levensonderhoud. Je aanvraag voor steun werd alleen in behandeling genomen als je kon bewijzen dat je op 25 juli 1918 meer dan helft van je inkomsten uit de Zuiderzeevisserij kwam.

De voorkeur lag er natuurlijk op om degene die afhankelijk waren van de Zuiderzeevisserij te helpen aan ander werk en een eigen inkomen. Als dit echt niet mogelijk was dan kwam je in aanmerking voor geldelijke tegemoetkoming.


De uitvoering van de wet lag in eerste instantie bij de Generale Commissie en werd vanaf 1932 overgenomen door de hiervoor opgerichte Rijksdienst ter uitvoering van der Zuiderzeesteunwet. In belangrijke vissersplaatsen werd er plaatselijke commissies ingesteld om te zorgen dat de rijksdienst de goede informatie had over de vissers. Hiervoor worden controleurs aangesteld die keken of je al je inkomsten wel correct opgaf e.d.


In 1920 werden de wensen van de vissers geformuleerd. Ze wilden graag een volledige vergoeding van de waardevermindering van hun materialen en een pensioen voor alle vissers afhankelijk van hun leeftijd. Bij de uiteindelijke Zuiderzeewet ontbrak die vergoeding helemaal. En het pensioen bleek een soort armensteun te zijn. In 1931 werd alsnog de vergoeding voor waardevermindering toegevoegd, maar al met al bleek de daadwerkelijke steun die de vissers kregen veel minder te zijn dan de verwachtingen die ze hadden. Het was bepaald geen vetpot. Zo zal ook blijken uit het dossier van mijn betovergrootvader Antonius Mossel. Zijn aanvraagdossier heb ik onlangs laten digitaliseren bij het Flevolandsarchief nadat ik zijn naam tegenkwam in de inventaris van alle aanvraagsteundossiers. Het dossier van Antonius bevatte maar liefst 77 pagina's. Teveel om hier allemaal te tonen. Het originele dossier vind je hier. In dit eerste deel zal ik over het dossier van Antonius vertellen. In deel twee het dossier van zijn zoon Evert, mijn overgrootvader. Zijn dossier bevat 109 pagina's.


Sluiting van de Afsluitdijk


Antonius Mossel woonde op het moment dat eindelijk de aanleg van de Afsluitdijk begon in 1927, aan de Pleinstraat 16 te Kampen. Hij was de eigenaar van de bons KP24. Antonius was 69 jaar en sinds een jaar weduwnaar.

In zijn aanvraagformulier geeft hij aan dat hij Zuiderzeevisscher is. Op de vraag welk beroep zijn vader had staat ook Zuiderzeevisser, "en dit altijd al geweest". Hij geeft aan zelf de belanghebbende te zijn en dat mede door zijn hoge leeftijd en de slechte vangsten hij graag een geldelijke tegemoetkoming wil om in zijn levensonderhoud te voorzien. Dit is ook wat de Burgemeester van Kampen adviseert aan de toen nog Generale Commissie. In het dossier zitten veel formulieren waarop Antonius steeds maar weer moet aangeven waarom hij die geldelijke tegemoetkoming wil. En steeds weer geeft hij aan dat het vanwege zijn hoge leeftijd niet meer mogelijk is om ander werk te vinden en dat de visserij door de afsluiting van de Zuiderzee niet genoeg meer oplevert om in zijn onderhoud te voorzien. Hij vist in 1927 nog met aalkuilen, haringnetten, spiering vallen en fuiken volgens zijn dossier. Dat leverde hem eerst een inkomen van zo'n 15 gulden per week op. Nu moet hij het met 10 gulden per week minder doen.

Antonius ontvangt ook 3 gulden per week Ouderdomsrente.

Verder staat er als opmerking; "Aanvrager is weduwnaar. Voor zijn verzorging woont eene gehuwde dochter met gezin bij hem in. Dit gezin bestaat uit; Net, Kobus, schoonzoon, 38 jaar, sigarenmaker, weekloon ca. 15 gulden. Mossel, Johanna Maria, dochter, 38 jaar, gehuwd met net. Net, Johanna Catharina, kleindochter, 12 jaar. Maria Jacoba, kleindochter, 8 jaar. Jacob Antonius, kleinzoon, 7 jaar. Theresia Johanna Luberta, kleindochter, 4 jaar. Catharina Luberta, 1,5 jaar, kleindochter. " Allen schoolgaand. 

In juni 1928 wordt Antonius aanvraag goedgevonden. Hij krijgt een tegemoetkoming van 3 gulden per week. 


Antonius met dochter Johanna Maria

In januari 1929 schrijft Antonius echter een handgeschreven brief naar de Generale Commissie.

"Hoog Geacht College!

Ondergetekende, Mossel, A., oud 71 jaar, verzocht beleefd, doch dwingend, zijn geldelijke tegemoetkoming als bedoeld in art 13 der Zuiderzeesteunwet, van 3 gulden tot 6 gulden te verhoogen.

Reden 1. Hij te oud is om nog met netten te gaan vissen.

2. Hij het fuiken niet meer kan uitoefenen, omdat aan deze kant der Zuiderzee niet loonend meer gevangen wordt.

3. wanneer hij nog met fuiken zou gaan vissen hij een voldongen knecht aan boord zou moeten komen en hij deze niet zou kunnen betalen, daar hij hier niet meer zou verdienen.

4. Hij thans niet van die 3 gulden steun kan rondkomen, omdat hij als alleenstaand man kostgeld moet betalen. 

Waarmee hij u, geacht college nogmaals beleefd en eerbiedig verzoekt, den hand over het hart te leggen om een oude man zijn laatste levensjaren wat te verlichten, door hem het gevraagde te verlenen. Hopende op een gunstige beslissing, teken ik met de meeste hoogachting, dhr A. Mossel."


Of Antonius de brief echt zelf heeft geschreven vraag ik me af. De toon van de brief is wel heel formeel. Hij heeft het in elk geval wel zelf ondertekend. In februari 1929 wordt zijn verzoek afgewezen. Hij doet meteen een nieuw verzoek, nu via een officieel formulier waarop hij ook aangeeft dat hij alleen inkomsten heeft van maart tot november. In de winter heeft hij geen inkomsten omdat er dan geen vis kan worden gevangen. Hij moet ook aangeven dat hij in bezit van een eigen huis die een hypotheek heeft van 1000 gulden, maar dat het huis 1500 gulden waard is. Dit huis verhuurd hij voor twee gulden per week, maar daar blijft weinig van over als hij de kosten van onderhoud, rente en grondbelasting van af moet halen. In maart 1929 wordt zijn aanvraag goedgekeurd. Hij krijgt vanaf juni 1929 vier gulden in plaats van drie.


In oktober vraagt hij opnieuw om verhoging. Hij verdiend nu nog maar acht gulden per week met het vissen. Alleen als zijn gezondheid het toelaat gaat Antonius nog wel eens mee met zijn ingehuurde knechten om te vissen. 


Hij geeft aan dat hij in woont bij zijn schoonzoon aan de Pleinstraat 16 aan wie hij zeven gulden kostgeld per week moet betalen. Diezelfde schoonzoon huurt echter het huis aan de Pleinstraat van Antonius voor twee gulden per week. In mijn ogen een vreemde constructie. 




In november 1932 schrijft het bestuur van de RK Zuiderzeevissersvereniging St. Petrus te Kampen een brief dat Antonius niet rond kan komen van de tegemoetkoming en of ze deze willen verhogen. Dit wordt toegekend en Antonius krijgt nu vijf gulden per week steun. Maar dan vind ik in het dossier een aantekening zonder afzender. Hier in staat "A. Mossel heeft vier gulden steun en drie gulden ouderdomsrente. Komt als oude man veel in de kroeg en heeft pas nog een radio aangeschaft. Volgens mijns inziens hoeft de steun niet worde verhoogt." In potlood staat onderaan geschreven "Blijkt te onrechte verhoogd". Het zal waarschijnlijk een briefje zijn van een van de controleurs van de Rijksdienst voor uitvoering ter Zuiderzeesteunwet in Kampen.



In 1933 verklaard Antonius dat hij geen visvergunning heeft aangevraagd voor het seizoen 1933/1934. En daarmee verlaat hij definitief de Zuiderzeevisserij. Om het aantal vissers die dan nog vissen op wat dan inmiddels al het IJsselmeer is te verminderen werd in 1932 besloten dat er geen nieuwe vergunningen meer werden afgegeven als je eenmaal de vergunning had laten verlopen. Antonius is dan ook al 74 jaar oud. Waarschijnlijk is hij eigenlijk al niet meer in staat om de zee op te gaan, maar wordt hij door het gebrek aan inkomsten gedwongen om toch te gaan.

Zijn vaartuig wordt in 1932 verhuurd aan H. Klappe. Met ingang van zaterdag 19 augustus 1933 is het schip echter aan wal gelegd en werd niet meer verhuurd. Onderaan het briefje in het dossier waar hiervan melding wordt gemaakt staat "is gewaarschuwd voor het drinken van een borrel". Wie is gewaarschuwd? Antonius Mossel of meneer Klappe? Ik kan het er niet uit opmaken.



Augustus 1933 gaat er weer een handgeschreven brief naar de directeur van de Rijksdienst ter uitvoering van de Zuiderzeesteunwet. Hierin wordt aangegeven dat Antonius inkomsten vrijwel nihil zijn.

Blijkbaar is zijn toezegging van vijf gulden teruggedraaid. Antonius wil weten op welke gronde dit is gebeurd en wil graag dat een controleur bij hem op bezoek komt. Van de drie gulden ouderdomsrente alleen kan hij niet rond komen en zijn kinderen hebben zelf grote gezinnen die met moeite rond kunnen komen en hem daarom niet langer in de kost kunnen hebben. Omdat hij zelf vanwege zijn hoge leeftijd ook niet in staat is om te werken is hij nu bang dat hij armlastig zal worden terwijl maatschappelijke hulp de vissers niet steunt. Hij denkt dat beslissing is genomen op grond van verkeerde inlichtingen en wil dit graag ophelderen. De RK Zuiderzeevissersvereniging St.Petrus stuurt opnieuw een brief dat een knecht inhuren 1/3 van de bruto inkomsten kost en aangezien de visserij al zo weinig op heeft geleverd, dit voor Antonius geen optie is. 


Alsof dit nog niet genoeg is tref in het dossier dan een handgeschreven briefje aan van oktober 1933. Door het slechte weer is de KP24 van Antonius Mossel onder water komen te staan. De mast is er ook uitgevallen. Hij vraagt om raad. Hij kan zelf het schip niet boven water krijgen en hij zou graag er weer mee varen willen om geld te verdienen. Antonius krijgt een keurig getypt antwoord. "Ik deel u hierbij mede, dat indien uw vaartuig gezonken is, gij die maatregelen dient te nemen welke de omstandigheden gebieden. Voor de vaststelling der waardevermindering zal binnen afzienbare tijd het vaartuig worden opgenomen en getaxeerd. Het verdient dus wel overweging te zorgen dat het vaartuig getoond kan worden."




Waar de belanghebbende in eerste instantie geen tegemoetkoming kregen in de waardevermindering van hun benodigdheden voor de visserij werd in 1931 deze toch aan de steunwet toegevoegd. Omdat voor het vaartuig dus alsnog een tegemoetkoming kan worden gekregen zit er er maar één ding op. De KP24 moet weer boven water gehaald moeten worden. Alleen dient Antonius de aanvraag voor de tegemoetkoming wegens waardevermindering niet vóór de uiterste inleverdatum 31 december 1932 in. Gelukkig wordt er dit keer wel met de hand over het hart gehaald en mag Antonius na een jaar alsnog zijn aanvraag indienen.


In 1934 wordt er een eindelijk proces verbaal opgesteld. De KP24 wordt getaxeerd. De omschrijving van het geschatte eigendom betreft: Een bons, de KP24, bouwjaar ca. 1895, zonder motor, eigenaar sinds 1912. Inclusief toebehoren en 1 stel zeilen. Waarde 287 gulden. 3 Kluiffokken, 4 haringsleepnetten, 1 dwarskuil, 1 halve dwarskuil, 4 klaarzakken, 1 aatje v/e dwarskuil, 1 bek v/e dwarskuil, 3 botsleepnetgalen, 1 stel kuiltouwen met boom en gewichten, 40 kg lood, 300 sleepnetkurken. Waarde 155 gulden. Samen is dit 442 gulden. 



In overleg met Antonius wordt de werkelijke waarde van de KP24 geschat op 96 gulden en de netten op 25 gulden, samen 115 gulden. Er wordt hem een krediet verleend van 664 gulden voor de waardevermindering. Voor de bespreking hiervan dient Antonius op 2 maart 1934 naar het kantoor van de arbeidsbemiddeling komen op de Nieuwe markt 2 te Kampen. Er zit een berekening in het dossier, maar ik snap niet helemaal hoe het in elkaar zit.

Er staat dat de geschatte waarde 442 gulden is en de werkelijke waarde 115 gulden. Dit wordt van elkaar afgehaald waarna de waardevermindering dan 327 gulden is.

Daaronder staat nog een berekening.  

De contante waarde der waardevermindering is 222.20 gulden. Antonius heeft al 664 gulden ontvangen, als krediet voor de tegemoetkoming. Na aftrek blijft Antonius zitten met een schuld van 442 gulden. 



Antonius vaart na het niet opnieuw aanvragen van de gratis visvergunning niet meer. Hij mist de zee.

Hij schrijft in 1937 opnieuw een brief.

"Geachte Heeren. Meneer ik woude eens vraagen of ik ook niet voor plezier mee mag met Drenth ik ben 78 jaar maar ik verveel me aan de wal en nu het mooie weer aan komt woude ik van de zomer wel graag met Drenth mee maar ik verdien er niets mee. Ik ga voor plezier mee. Schrijf u s.v.p. voort even terug. Hoogachting A. Mossel".

Dit taalgebruik past beter bij een visser die alleen lagere school heeft genoten.

Het briefje vind ik aandoenlijk. Die oude man die vanaf zijn kinderjaren al heeft gevaren en die nu vast zit op wal. Hij wil zo graag weer de zee op, ik kan het me zo voorstellen. Dat eindeloze water, de golven, de wind in de haren. Maar helaas, het antwoord dat hij krijgt is vast niet wat hij had willen horen.

"In het antwoord op uw nevenvermeld schrijven bericht ik u hierbij, dat, indien u aan de IJsselmeervisscherij wordt deelgenomen aan boord van het vaartuig van Drenth, door mij een nader te bepalen bedrag zal worden aangenomen als inkomsten, dat U door de uitoefening van de visscherij ten goede geacht wordt te komen." In datzelfde jaar vraagt hij ook weer een verhoging van de tegemoetkoming aan. Hij ontvangt nu zes gulden per week. 



In 1943 krijgt hij zevenenhalve gulden per week. Na de oorlog wordt dit bedrag verhoogd naar achtenhalve gulden. Dan wordt er in 1947 een Nootwet Ouderdomsvoorziening ingeschakeld en krijgt Antonius vierendertig gulden per maand. Dat staat gelijk aan achtenhalve gulden per week.


De Noodwet Ouderdomsvoorziening zorgde in Nederland vanaf 1947 voor de verstrekking van een uitkering aan mannen en alleenstaande vrouwen van 65 jaar en ouder zonder voldoende eigen inkomsten. Het was een noodoplossing zolang de definitieve regeling nog niet tot stand gekomen was. Een voorloper van de AOW. Door ontvangst van dit bedrag werd Antonius gekort op zijn tegemoetkoming. Deze ging van achtenhalve gulden naar tweeënhalve gulden per week. Maar samen opgeteld was dit elf gulden per week.



Op 23 oktober 1948 stierf Antonius in kampen op de mooie leeftijd van 90 jaar. De ruim twintig jaar na de afsluiting van de Zuiderzee heeft hij zich continu moeten verantwoorden voor zijn (gebrek aan) inkomsten. Een vetpot was de geldelijke tegemoetkoming niet, hij verkeerde vaak op het randje van armoede, zijn beloning als oude man, na een hele leven hard werken...


Volgende keer het dossier van Antonius zoon Evert.



zondag 5 juni 2022

Klappenbruin

Het is het 25 mei 1749, het Pinksterweekend. De zevende zondag na Pasen. Tien dagen na Hemelvaart. Op schokland traditioneel het weekend van de Schokkerkermis. Een week vol feest. Geen attracties zoals we dat nu kennen. Maar optredens van rondreizende toneelgroepen en handelaren die het eiland bezochten zodat je er van alles kon kopen. Op kermissen door het hele land waren er spellen als ringsteken, vogelschieten, kat of konijn knuppelen en gans trekken. Wrede spellen met levende dieren. Het was voornamelijk een volksfeest en had weinig meer met religie te maken. Er werd veel gedronken en lawaai gemaakt, er werd geslagen op potten en pannen, en er werd gedanst en gezongen. 



Het gedrag van de Schokkers deze week was losbandig en door het vele drankgebruik werd men onvoorzichtig. Door de ze onvoorzichtigheid tijdens de kermis zou dat Pinksterweekend de, toen nog houten kerk, van Emmeloord helemaal afbranden. 

En niet alleen de kerk viel ten prooi aan de vlammen. Bijna het hele dorp, van Noorderhoofd tot aan het kerkhof ging in vlammen op. De huizen, die meestal van hout waren, met vaak een rieten dak waren erg brandbaar. Hierbij werden maar liefst vierendertig huizen verwoest. Tegen zo'n vlammenzee viel amper te blussen. 


Zicht op het Noorderhoofd met op de voorgrond de kerk. 

De brandweer bestond nog niet, zeker niet op een klein eiland midden in de Zuiderzee. Er stond op Emmeloord echter wel een brandspuithuisje. Een huisje waarin de emmers, de brandspuiten en de slangen werden opgeborgen. Maar tegen zo'n vlammenzee zal men weinig hebben kunnen uitrichten.



Vele gezinnen raakten dakloos en moesten onderdak zien te vinden bij familie die vaak al met meerdere gezinnen in de veel te kleine huisjes woonden. Een situatie die verre van ideaal was. 

Het voorval heeft een grote indruk achtergelaten. Het was niet de eerste keer en ook zeker niet de laatste keer dat er brand uitbrak op het eiland, maar toen de nieuwe pastoor Doorwerth ruim vijftig jaar later de bevolking wilde waarschuwen voor het gevaar van onvoorzichtigheid tijdens de kermissen noemde hij de brand van 1749. 

Ook schreef hij in zijn dagboek over een voorouder van mij, Bruin Klase.  In 1749, tijdens die kermisweek raakte Bruin Klase zwaargewond toen hij "met kruid zijne handen en aangezicht verbrandde". Dit moet een enorme klap gegeven hebben. De brandwonden en littekens in zijn gezicht waardoor hij getekend werd voor het leven leverde hem in elk geval zijn bijnaam "Klappenbruin" op. 

En die naam is blijven hangen. Als in 1811 door Napoleon wordt beslist wordt dat er een vaste achternaam aangenomen moet worden, noteert een ambtenaar in het register van naamsaanneming "Klappe"als achternaam en wordt dit een officieel geregistreerde familienaam. Een achternaam die nog steeds veel voorkomt onder de Schokker nazaten.  


Klappenbruin werd op 29 november 1723 in Emmeloord geboren. Hij was een zoon van Claes Albertsen en Antonia Albertsen. Van de vier kinderen die dit echtpaar kreeg zijn drie van de kinderen een voorouder van mij. 

Klappenbruin trouwde op 26 januari 1748 met Joanna Willems Brander. Joanna overleed al op 48 jarige leeftijd. Hij hertrouwde daarna met Catharina Koek. Klappenbruin overleed op 17 juli 1797 op 73 jarige leeftijd. (Ook stam ik van twee kinderen van deze Bruin Klase Klappe af. De meeste huwelijken op Schokland werden gesloten met dispensatie vanwege verwantschap in de tweede of derde lijn. Kwartierherhaling komt dan ook onder Schokker nazaten vaak voor.)

dinsdag 3 mei 2022

Het trieste lot van vader en zoon Coridon

Dankzij de Schokkervereniging en dan met name dankzij Bruno Klappe en wijlen zijn vader Ab Klappe weet ik veel over mijn Schokker voorouders. De verhalen in het Schokkererf geven vaak heel mooi het tijdsbeeld weer. Hoe zwaar het leven was op het kleine maar zo geliefde eiland midden in de Zuiderzee. De gebeurtenissen door de pastoors opgeschreven in hun dagboeken zijn meestal niet de vrolijkste verhalen. Eén verhaal dat me altijd heel erg is bijgebleven is het trieste lot van mijn voorouders Jacob Coridon en zijn zoon Evert. 

Woensdag 18 februari 1807. De weersvoorspellingen beloofden voor die dag weinig goeds maar de grote armoede en de slechte vangsten dwongen de vissers op Schokland om toch met hun schuiten de zee op te gaan. Met zijn vijfenzeventig jaar is Jacob Coridon al aardig op leeftijd. Toch besluiten hij en zijn veertigjarige zoon en diens 11 jarige zoon Jantje die dag ondanks de slechte weersvoorspellingen om uit te voeren met hun schuit. Die middag trok de wind behoorlijk aan. Bovendien was er zware jachtsneeuw waardoor de vissers al snel niet meer wisten waar ze waren. 

De vissers uit Emmeloord gingen vaak richting noorden en de vissers uit Ens richting zuiden. Hierdoor zagen de Emmeloorders die avond kans om op tijd weer richting Schokland te varen. De vissers uit Ens hadden dat geluk niet. Die nacht was ijskoud en de wind was aangewakkerd tot een heuse storm. De vissers uit Ens, die vaak leden onder zware armoede hadden waren niet alleen vaak niet voldoende bemand maar hadden ook geen eten of brandstof aan boord. Dat werd een aantal vissers die nacht fataal.


Zo ook op de schuit van de familie Coridon. Gedurende die koude stromachtige nacht lukte het Evert en zijn vader niet meer om het vele water overboord te pompen. Ze waren volledig uitgeput door de armoede, de kou en vermoeidheid. Ze konden niet anders dan hun schuit aan de zee en wind ten prooi geven. Ze beseften dat hun einde naderde. "Zij wekten elkander tot berouw over hun zonden, vroegen elkander vergeving, zegden elkaar vaarwel en zoo ontsliep Evert biddende" staat er in het dagboek van Pastoor Doorenweerd. Ik zie het bijna voor me, vader en zoon die elkaar om vergeving vroegen en vaarwel kusten. Een ontzettend triest beeld. 

Vader Jacob ging in de kooi liggen en de 11 jarige kleinzoon Jantje kroop ook bij zijn opa. Hij ging tussen diens benen liggen waarna ook zijn opa Jacob overleed. De schuit dobberde nu doelloos op de woeste zee en spoelde uiteindelijk aan op het strand van Doornspijk.


De volgende dag bleek wat de storm had aangericht. Schepen waren vergaan en lijken dreven in het rond. Toen het weer was bedaard vond de burgermeester van Doornspijk op het strand de aangespoelde schuit. Met gevaar voor eigen leven keek hij in de schuit en zag de levenloze lichamen van Jacob en zijn zoon Evert. Hij meende echter in de benen van het jongetje nog wat beweging te zien. Hij hees de jongen op zijn schouder en spoedde naar huis. De dokter werd erbij geroepen en na enige uren lukte het om de jongen bij bewustzijn te krijgen. De 11 jarige Jantje overleefde die nacht. Zijn opa en vader werden begraven in Doornspijk.

In de krant stond hierover het volgende artikel:

Doornspijk, den 19 Februari.

Eene daad van moed en menschlievendheid, alhier op heden verrigt, verdient bekend te worden. Twee Visschers-Schuiten van het Eiland Schokland waren door den geweldigen storm van gisteren onder gezegde Eiland van hunne Dreggen geslagen, en daar er geene Zeehavens dan die van Elburg langs den geheelen Zuidwal zijn en deze Haven niet genoeg uitgebragt is om die bij noodweer te kunnen aandoen, tot boven dit Zeedorp voortgedreven, geraakten aldaar op eene droogte, en werden op eenen goeden afstand van den wal in den vroegen morgen ontdekt door den Burgemeester van dit Dorp, Willem Reiersen Vos genaamd, die daarvan terstond aan den Schout van het Ambt kennis gaf, en met zijn Zoon in het woeden van den storm, geene andere hulpmiddelen bij de hand hebbende, inmiddels in Zee liep, en met levensgevaar elk een der Schuiten beklommen, alwaar zij drie arme Visschers vonden, leggende in het water en die reeds geheel verstijft waren en geene teekens van leven meer gaven.

Onder dezen bevond zich een Grijsaard van 75 Jaren, met het hoofd alleen boven water liggende, en boven op denzelven een Jongeling van 12 Jaren, die mede schijnbaar dood was, doch welke nog eenige teekens gaf van nog niet lang dood geweest te zijn. Welken Jongeling de evengemelde Burgemeester uit het water trok, op zijne schouders nam, met denzelven in Zee sprong, en met levensgevaar aan Land bragt, alwaar aan denzelven, op order van den Schout, door Doctor en Chirurgijn, aan het Huis van den Burgemeester de gepaste middelen geappliceerd zijnde, langzamerhand bij het leven wierd terug gebragt, en des middags om 4 uren weder zijne zinnen en spraak terug bekwam, terwijl de overige ongelukkigen mede oogenblikkelijk afgehaald, doch bevonden werden reeds lang gestorven te zijn.

Blijkende uit de afgegeven verklaring van den geredden Jongeling, dat zijn oude Grootvader en Vader, Jacob en Evert Coridon genaamd, na den geheelen dag gezworven en met pompen de Schuit boven water gehouden te hebben, door honger, koude en vermoeidheid reeds des avonds te voren om 8 uren in zijne tegenwoordigheid waren gestorven, en dat hij bedwelmd op het Lijk van zijnen Grootvader gevallen zijnde, in dien toestand was gebleven bijna 24 uren, eer hij wederom bij zijne kennis gekomen was.

Uiteindelijk kwamen er in totaal acht mannen afkomstig van Schokland om tijdens deze storm. 

  • De 36 jarige Bruins Pieters Sul strandde met zijn schuit bij de monding van de Eem en bezweek door kou en honger. 
  • De 31 jarige Jan Pieters van der Molen had de hele winter koorts gehad en was te zwak om de ontberingen van die nacht te doorstaan. Hij liet zijn hoogzwangere vrouw en twee kinderen achter.
  • De 72 jarige Jacob Gerrits en zijn 45 jarige zoon Jan Jacobsen verdronken in de woeste zee. 
  • De 46 jarige Cobus Jansen Kok die met twee kleine jongens aan boord was bezweek ook van kou, honger en uitputting. De twee kinderen werden bij toeval door een andere visser gered. Cobus werd ook in Doornspijk begraven. 

vrijdag 22 april 2022

Achternamen

Wist je dat er in Nederland vijf typen achternamen zijn? 

De universiteit van Utrecht heeft hier onderzoek naar gedaan en kwam tot de conclusie dat er vijf verschillende typen zijn. Deze achternamen zeggen allemaal iets over de gene die deze achternaam aan nam. 

  1. Er zijn namen die aangeven wiens kind je bent. (afstammingsnaam, patroniem) Bijvoorbeeld de zoon van Jan werd Jansen. de zoon van Piet werd Pietersen. Frenk werd Frenken, Hendriks enz. 
  2. Er zijn namen die aangeven waar je vandaan komt. (herkomstnaam) Bijvoorbeeld Van Egmond, de Vries, van Amerongen enz.
  3. Er zijn namen die aangeven waar ze hebben gewoond. (adresnaam) Bijvoorbeeld Van der Molen, van den Berg, van Dijk, van den Heuvel, Bos, ten Barge enz.
  4. Er zijn namen die aangeven welke eigenschappen diegene had. (bijnaam, eigenschapsnaam) Bijvoorbeeld De Lange, de Groot, de Jonge, De Bruyne enz.
  5. En er zijn achternamen die aangeven welk beroep je voorouder had. (beroepsnaam) Bijvoorbeeld Molenaar, Smid, Bakker, Visser, Kuipers, Mölders enz. 

Tot aan het eind van de middeleeuwen was het niet gebruikelijk om een achternaam te hebben, maar het is een fabel dat Napoleon de achternaam heeft ingevoerd. Velen hadden al een achternaam toen Napoleon in 1811 iedereen verplichte om een achternaam te kiezen. Had je nog geen achternaam dan moest je er inderdaad een kiezen. 

Adellijke personen hadden al wel een achternaam en in de grote steden was vanwege de dichtere bevolktheid het niet meer voldoende om een patroniem te gebruiken en hadden mensen hier vaak ook  al wel een achternaam. In Friesland en Groninger kwam het echter bijna niet voor dat mensen een achternaam hadden. In het Noorden van Nederland moest dan ook het vaakst nog een achternaam aan worden genomen en geregistreerd worden in het register van naamsaanneming.

Per regio verschilt ook nog of een type achternaam meer voorkomt dan de andere. In het rivierengebied komen er meer herkomstnamen voor. Op de Veluwe zijn dit vaker patroniemen. 

In Twente en de Achterhoek zijn boederijnamen (huisnamen) veel voorkomend. De achtervoegsels -ink, -inga of -ing komen hier vaak voor en geven de oorsprong aan van "de familie van". En er werd niet altijd de achternaam doorgegeven van de vader. Trouwde een stel en gingen ze op de boerderij van de vrouw wonen dan werd de naam van de vrouw aangenomen. Voorbeeld; Derk Holleman trouwt met Jenneken Japink. Ze gaan wonen op de boerderij van Jennekens ouders. Derk neemt de achternaam Japink aan. En hierbij is Japink met achtervoegsels -ink de boederij van Jacobink (Jaopink). Soms worden ook beide namen gebruikt, in de archieven kwam ik Holleman op Japink tegen. Een mooi voorbeeld is ook de meer bekendere achternaam Scholten op Reimer. 

Na 1811 werd er wel bepaald dat achternamen alleen via vader op kind over zouden gaan. En de schrijfwijze van de achternaam werd vastgelegd. 

Werd de achternaam van mijn voorouders voor 1811 nog gespeld als Fitjeroo, Fietjero, Fitjero, Vitjero, Fietjeroe, Pietjerou, Titero, Fitiero of Tetjero. Na 1811 bleef het Vitjeroo tot de naam uiteindelijk vanwege gebrek aan nageslacht met mijn betovergrootmoeder Hendrikje Vitjeroo in 1913 in Nederland uit zou sterven. 




Mijn achternaam van Adrichem is ook een toponiem. 

Kom je een keer bij de Beverwijkse bazaar, rijd dan twee kilometer door naar de Adrichemlaan. Op deze plek stond in de 8e eeuw (722) een versterkte hoeve "Adrichaim". Een ompaalde nederzetting met economisch en militair karakter. Een hoeve die diende ter bescherming van vijandelijke aanvallen.  Rond deze hoeve is Beverwijk ontstaan. 

Adrichaim is de plek waar  "Adrik" woonde. Dus Adric-Haim,  waar haim of heem staat voor "bescherming biedend huis". 

In de tweede helft van de 13e eeuw werd op de plek van deze hoeve kasteel "Adrichem" gebouwd. Dit was het kasteel van Gerard van Velsen en zijn vader, de moordenaars van graaf Floris V van Holland. (Voor diegene die naar de serie "het verhaal van Nederland" hebben gekeken!) Dit kasteel werd later verwoest en op de oude fundamenten werd in 1515 een nieuw kasteel gebouwd.  

Kasteel Adrichem was een omvangrijk landgoed. Het was omgeven door een gracht en verschillende boomgaarden en tuinen. Het had volgens een document uit 1808 met de beschrijvingen van de bezittingen een "Capitalen appelen, peren- en kersen boomgaarden en een extra groote moes- en broeituin met een ananas-bak, verschillende perziken, abrikozen en druivenkassen, een menagerie, goudvissenkom en vijvers, Engelse plantsoenen met inlandsche gewassen, grasparterres en slingerlanen gelegen" Kasteel "Adrichem werd tussen 1809 en 1812 gesloopt. Nu is er van deze tuinen niets meer weer te vinden. 

Toen ik jaren geleden de plek waar het kasteel ooit stond bezocht vond ik er alleen nog een triest uitziend Partycentrum en een camping waarna ik na lang zoeken nog een deel van de slotgracht kon zien. Er schijnen in de oever nog funderingsresten te zitten. De rest van het kasteel ligt onder het sportpark dat nu op deze plek ligt. 

Kasteel Adrichem

Kasteel Adrichem was ook de plek waar de legende van de zwanenjonkvrouw zou hebben plaatsgevonden. De legende gaat als volgt;

De heer van Adrichem leefde als alleenstaande man in zijn grote kasteel. Op een dag zag hij in het water vlakbij zijn woning een prachtige zwanenjonkvrouw zwemmen. Zij had haar zwanenhemd afgelegd en de heer zag zijn kans schoon. Hij nam het hemd mee zodat zij hem wel moest volgen naar het kasteel. Hier leefden zij vanaf dat moment samen als man en vrouw.

Jaren later wilde de heer toch liever een gewone echtgenote. Toen de zwanenvrouw dit hoorde stortte zij overmand door verdriet ter aarde en stierf. In de gedaante van een treurige zwaan verdween zij in het niets. Als later het kasteel door onheil werd bedreigd hoorden voorbijgangers droeve geluiden en zagen daar een schitterende witte zwaan boven het kasteel Adrichem zweven.

Reconstructie van de schedel van Willem I van Brederode

De achternaam van Adrichem werd voor het eerst gegeven aan Floris de Scoten van Adrichem. (ca. 1265) Een bastaardzoon van Willem I heer van Brederode die in kasteel Adrichem heeft gewoond. Hij bouwde ook de woontoren van kasteel Brederode. Van het skelet van hem en zijn vrouw zijn een aantal jaren een reconstructie gemaakt die je hierboven kunt zien. 

Zijn vader was Dirk I van Teylingen, heer van Brederode. Het adellijk geslacht komt voort uit de stam van Holland en heeft verschillende huizen heeft bewoond zoals Teylingen, Brederode, de Scoten, Heemsteede en Adrichem. Er is echter nog geen bewijs gevonden dat mijn eerst bekende voorouder Claes Adriaensz van Adrichem (ca. 1410) ook daadwerkelijk een afstammeling is van Floris de Scoten van Adrichem en dat ik ook daadwerkelijk adellijk bloed door mijn aderen heb stromen. Helaas... :-)





donderdag 21 april 2022

"Dood en dord hadt hij kunnen zijn"

Bij gebrek aan nieuwe vondsten vandaag een verhaal dat al in 1996 in het Schokkererf stond. 

Het gaat over mijn voorouder Albert Bruinsz Konter.

Het gebeuren speelde zich af op het eiland Schokland, in Emmeloord. Daar waar Albert geboren werd. Zijn ouders waren Bruin Albertsz Konter en Petronella Alberts. Albert was de jongste van zes kinderen. Ook de oudste dochter Trijntje van dit echtpaar is een van mijn voorouders. Omdat er voornamelijk binnen de bewoners van het eiland getrouwd werd is dit een veel voorkomend fenomeen. Ik heb echtparen waarvan maar liefst vier van hun kinderen mijn voorouders zijn. 

De haven van Emmeloord

Terug naar de haven van Emmeloord. Het is zondag 25 oktober 1801. Net zoals er nu groepen jongeren graag buiten bij elkaar komen, was dat ruim 200 jaar geleden ook al het geval. De groep jongeren die in de haven rond hingen zagen een bejaarde man zijn schuit in gaan. Om zijn schuit niet met zijn modderige klompen te bevuilen, liet hij deze op de kade staan. Deze man was mijn voorouder Albert Bruinsz Konter. Zoals de meeste van mijn Schokker voorouders, was ook Albert visser van beroep.  

Deze onbeheerde klompen waren wel heel aanlokkelijk voor de verveelde jongens. Ze hadden wel zin in een geintje. Met enkele grote stenen proberen ze om de beurten de klompen van Albert kapot te gooien. Hier was Albert niet van gediend en hij kwam zijn schuit uit net op het moment dat er een steen werd gegooid. Deze raakte de klomp niet, maar Albert zelf. 

De pastoor op Schokland schreef naderhand in zijn dagboek "Dood en dord hadt hij kunnen zijn". De steen was terecht gekomen op Alberts blote voet. Twee tenen werden geraakt waardoor een ader sprong. Hierdoor zou Albert later een teen verliezen. 

Wat begon als een geintje draaide uit op een ernstige zaak. Er ontstond grote opschudding in Emmeloord. En het veroorzaakte een tweedeling tussen de inwoners. Aan de ene kant de vijanden van Albert die stonden te juichen, aan de andere kant werden de baldadige jongens vervloet die met hun geintje behoorlijk wat hadden aangericht. 

Vanwege de vreselijke pijn aan zijn voet kon Albert niet meer uitvaren met zijn schuit. Het lukte hem ook niet om iemand te vinden die zolang zijn plek op zijn schuit kon overnemen. En als de schuit niet uit kon varen dan waren er ook geen inkomsten voor Albert.

De jongen die de betreffende steen had gegooid was een neef van Albert, maar gelijk ook de knecht van de schoonzoon van Albert. Deze schoonzoon probeerde nog te helpen door voor zichzelf een nieuwe knecht te zoeken zodat deze neef met oom Alberts schuit naar zee kon gaan. Het leek een goed idee. De schuit hoefde niet meer stil in de haven te blijven liggen, Albert kreeg wat brood op de plank en de jongen kon op deze manier iets van zijn schuld inlossen. Alleen had het neefje hier totaal geen zin in. 

Beide ooms werden hierdoor zo kwaad op hem dat ze hem een pak slaag gaven. Een andere neefje die ook bij de groep stenengooiers was geweest, hoorde zijn broer schreeuwen. En uit angst dat hij hem zou verklikken, bedreigden de jongens beide ooms. En toen besloot moeders er zich ook mee te bemoeien!


Derkje Been was een schoonzus van Albert en de moeder van de jongens. Albert woonden in het huis van zijn ouders samen met Derkje en haar gezin. Dit huis was door hen allen geërfd na het overlijden van zijn ouders en de erfenis was nog niet onderling verdeeld. Dat kon niet lang goedgaan. 

Kort na de vechtpartij zag Derkje in het huis van Albert de vrouw van de oom die het neefje in elkaar hadden geslagen. Derkje greep de vrouw bij haar arm en riep woedend "Gaat uit mijn huis". Waarop Alberts oudste zoon Jacobus Alberts Konter op Derkje afkwam, haar bij de arm greep en zei; "Wat, woudt gij de zuster van mijne moeder uit het huis jaagen, hetgeen ons zoveel als u toekomt?'.

Je kunt je voorstellen dat de spanningen binnen de familie hoog opliepen. Toen werd er een besluit gemaakt wat betreft het verdelen van de grond en het huis onder alle erfgenamen. Iets wat misschien al veel eerder had moeten gebeuren. Er werd lang overlegd hoe dit nou eerlijk verdeeld moest worden. 

Uiteindelijk was iedereen tevreden, ook de pastoor. Hij schreef hierover tenslotte in zijn dagboek "dit was nu nog weer een goed, hetgeen uit dit kwaad gebooren werdt. Zedert lang was dit onverdeelde huis en grond een twistappel geweest, en oorsprong van veel haat en nijd. Tot de verdeeling hadt men niet kunnen komen. Die twistappel nu weggenomen, hoop ik onder hen vreede en vriendschap". 

Dit is een aangepast artikel uit het Schokkererf nr 33, september 1996. Geschreven door Ab en Bruno Klappe. Lid worden van de vereniging kunt u hier, voor meer verhalen over de bewoners van Schokland.

donderdag 24 maart 2022

LiveStory

Wat een geweldige nieuwe feature hebben ze nu bij MyHeritage. LiveStory. 

Vond ik het al heel bijzonder dat je van een foto een bewegend beeld van iemand kon maken, nu kun je zelfs je voorouder zijn levensverhaal laten vertellen. Ik kan dan ook niet laten om er meteen mee aan de gang te gaan. 

Het resultaat zie je hieronder. 


Mocht de video het nu niet doen, dan kan je door klikken via deze link. 



zaterdag 18 september 2021

De Robben

In mijn eerdere post over mijn voorouder Reinerus Ruiten, schreef ik al over de "vertelselties" van Mie Ruiten-Zalm, de schoondochter van Reinerus Ruiten. In de opnames die het Meertens instituut in 1954 van haar maakte, kwam niet alleen zij aan het woord, maar ook de in Kampen geboren Jan Karel (1874-1956). Jan Karel was sigarenmaker, hij had echter een hekel aan zijn werk en was liever visser geworden, maar zijn vrouw was het hier niet mee eens. Toen hij de kans eens kreeg om mee te varen, greep hij die met beide handen aan. 

Evert Mossel

Jan liep op een middag tijden lunchtijd in de haven van Kampen toen hij mijn overgrootvader Evert Mossel tegenkwam, die blijkbaar, net als zijn vader "de Robbe" werd genoemd. Evert vroeg aan hem of hij misschien een knecht wist om met hem mee te varen. Toen Jan hier ontkennend op antwoorde vroeg Evert hem of Jan zelf niet met hem mee wou. Jan wilde dit heel graag maar was bang voor ruzie met zijn vrouw. Hij bedacht een plan, vroeg Evert om al vast klaar te gaan liggen en het zeil te hijsen en ging naar huis om zich om te kleden zonder dat zijn vrouw dit zou zien. 


Het plan liep gesmeerd en Jan wist het huis weer te verlaten zonder dat zijn vrouw hem had gesnapt. Toen Evert en Jan Karel op de Zuiderzee aankwamen  had Jan het gevoel had in de hemel te zijn.

Na twee dagen vissen kwamen de heren weer de haven van Kampen in varen. Jan nam een emmer vol bot mee naar huis. Zijn vrouw was echter niet zo blij hem weer te zien en ze greep de emmer vis en gooide de hele inhoud door de gang naar buiten. Voorlopig zou Jan Karel dus toch maar weer sigaren blijven maken. 

Schijnbaar kroop het bloed toch waar het niet gaan kon en was Jan Karel in 1925 toch nog een tijdje visser van beroep. Er werd ook wel eens gevist op plaatsen waar dit niet mocht. Jan Karel viste een tijdje bij Jaap Mossel op de KP 44. Jaap was ook een zoon van "Toon de Robbe", en de broer van Evert. Hoewel officieel verboden, viste Jan Karel toch graag "binnen de lijn" De reden; je ving er drie keer zoveel als waar het wel toegestaan werd. 


De kerk en vuurtoren op de Zuidpunt

"De Robben"; Jaap, Evert en hun vader "de Oude Robbe", lagen een keer op een vrijdag aan op Schokland, bij de kerk op het Zuidpunt. Jan Karel bij Jaap Mossel op de KP44 en Evert en zijn vader op de KP4 van Evert of de KP 24 van Antonius Mossel. Het was een zonnige dag met een zuidoostelijk windje, maar blijkbaar niet zo'n geschikte dag om uit te varen, er was niet veel te doen.. 's Avonds tegen een uur of vijf kwam er eindelijk een windje in de zeilen. De heren overlegden waar ze naar toe zouden varen. 


Evert en de Oude Robbe gingen richting het Zuiden. Ze vroegen wat Jaap en Jan Karel naar toe gingen, meer een retorische vraag want ze wisten heel goed wat Jan wilde. Jan en Jaap zouden iets te noorden van "de Ketel" blijven. En dat deden ze in eerste instantie dan ook keurig. Tot een uur of 11 's avonds het begon te donderen. De meeste Schokkers gingen "de Ketel" binnen. Jan en Jaap lieten de zeilen zakken en zouden het onweer, dat redelijk snel overwaaide, afwachten. 

Toon de Robbe

Toen de lucht weer op was geklaard gingen Jan en Jaap stiekem binnen de lijn vissen. Het was ze bijna gelukt de buit binnen te halen toen ze een licht op hen af zagen varen. Het bleek "Jan de Buffel" te zijn, een politieagent. Snel probeerden ze nog bij hem uit de buurt de blijven maar Jan de Buffel was veel sneller omdat hij geen ruim vol vis had. Toen de politieagent zo dichtbij was dat hij ze kon identificeren riep hij ze de fok neer te leggen. Dat was Jaap echter niet van plan. "Aj 'ier an boord komt, sloa 'k oe de 'arsens in met de dolle!" riep hij naar de agent. 

Jan verteld hierna prachtig in het Schokkers hoe ze dankzij een gelukje toch nog uit handen van de politieagent wisten te blijven en hij ze zo niet kon betrapen op het stropen. Wel kregen ze een boete voor het varen zonder licht en een boete vanwege brutaliteit vanwege de dingen die ze dan agent toeriepen. Jaap moest bij terugkeer in Kampen nog vijf dagen zitten, maar blijkbaar was het het het waard want Jan karel besluit zijn verhaal met de woorden; "maar dat stropen, oh jongens, da's mooi! Maar dat was een gezellig werk, hoor!"

Antonius Mossel, bijgenaamd "de Paus" en "de Oude Robbe"

Het blijven pareltjes, de verhalen die elk kwartaal weer in de Schokkererf staan. Ik weet hoeveel werk het kost om dit soort verhalen uit te zoeken, daarom plaats ik hier niet het hele en originele verhaal. Ook de Schokkervereniging vergrijst en om te kunnen voortbestaan blijven ze nieuwe (en jonge) leden nodig hebben. Wil je dus horen hoe Jan Karel over bovenstaand stukje verteld? Meld je dan HIER aan als lid bij de Schokkervereniging. Voor slechts 16,50 per jaar krijg je elk kwartaal het blad Schokkererf toegestuurd. 

maandag 12 april 2021

Erasmus Molenaar, op avontuur bij de VOC

Het is januari 1704, op de rede van Goeree liggen schepen uit Rotterdam te wachten op een gunstige wind die ze naar Oost-Indië zal brengen. Op het schip "Grimmestein" zit de 40 jarige Erasmus. De in Amsterdam geboren Erasmus is het middelste kind van de zeven kinderen van de Noor Sijbrant Dircks en de Zweedse Engeltie Barents. 

Vader Sijbrant is naar Amsterdam gekomen als bootsgezel ontmoette er zijn vrouw Engeltje en is er nooit meer weggegaan. Varen is waarschijnlijk iets wat de mannen in de genen zit. Niet alleen vader Sijbrant heeft gevaren, ook Erasmus 3 jaar jongere broer Barent is al naar Oost-Indië geweest. Hij vertrok in 1689 als kwartiermeester naar de Oost vanuit Amsterdam op het schip "Moerkapelle".

Barents maandbrief van 14 gulden per maand staat op naam van zijn vader Sijbrant Dircks en zijn moeder Engeltie Barents, de schuldbrief van 250 gulden staat op naam van zijn moeder. Tot en met 1695 haalt zijn moeder het geld jaarlijks op. In 1696 zijn vader. In 1697 geen van beide meer, vermoedelijk zijn ze overleden. In 1698 komt Barent weer terug naar Nederland. Hij is dan bijna 10 jaar weggeweest. 

Waarom gaat Erasmus ook met de VOC naar Oost-Indië? In tegenstelling tot zijn broer is hij wel getrouwd. Hoewel de verhalen van zijn broer avontuurlijk moeten hebben geklonken is de reis naar Batavia niet een zonder gevaren. Eenmaal getekend bij de VOC ben je voor minimaal 5 jaar in dienst, de heen- en terugreis niet meegerekend. En dan is het nog maar de vraag of je überhaupt ooit nog terugkomt. 

Erasmus neemt het risico toch. Misschien heeft hij door geldzorgen weinig keus. Hij laat zijn vrouw Emmetje en zijn jonge kinderen achter in Rotterdam als het schip op 3 januari 1703 uitvaart. 

In de dagen voor vertrek werd het aanmonsteren onder luid getrommel van de tamboer aangekondigd. De tamboer marcheerde door straten van de stad en de toekomstige zeelieden werden naar het Oost Indië huis gebracht. Daar stonden duizenden mannen te wachten. Er vertrok twee á drie keer per jaar een vloot, waarvoor per schip honderden mannen nodig waren. Er moesten schippers mee om leiding te geven, stuurmannen om te navigeren, bosschieters voor het geschut, timmerlieden voor onderhoud, chirurgijns, kok, provoosten e.d. 

Voor vertrek heeft Erasmus een maandbrief voor zijn vrouw Emmetje afgesloten. Hiermee kon ze jaarlijks drie maand salarissen van Erasmus krijgen ter financiële ondersteuning. De gage die Erasmus elke maand ontvangt is 14 gulden. Deze maandbrief kon alleen worden afgesloten voor verwanten in de eerste graad. Bij onvoldoende saldo kreeg deze uitbetaling voorrang op andere schuldeisers. 

Ook sloot Erasmus een schuldbrief af. Dit is een obligatie, een overdraagbare schuldbekentenis van maximaal 300 gulden. Net als de maandbrief had ook deze schuldbrief voorrang bij onvoldoende saldo. De werknemer in Azië kreeg dit gekort op zijn uitbetaling.

De schuldbrief van Erasmus is gericht aan Jan Sijmons. Waarom Erasmus bij hem een schuld heeft weet ik niet, vaak waren dit zogenaamde "zielverkopers", logementhouders die voor de VOC mensen aanbracht en ze tijdens de wachttijd voor aanmonstering kost en inwoning verstrekte maar tegen hoge prijzen en slechte omstandigheden. 

Vaak werden de aankomende bemanningsleden door de logementhouders voorzien van een scheepskist en een uitrusting die ze nodig hadden voor de reis. Zo vertrokken de meesten al met een schuld naar de Oost. De twee manden gage die ze voor vertrek kregen was vaak niet voldoende om de schulden te voldoen. Om die reden sloten ze een schuldbrief  af en hadden de logementhouders recht op een deel van de gage van de zeelieden. 

Oost-Indisch huis, Rotterdam, 1700.

De mannen namen hun scheepskist mee, gevuld met kleding, zeep en spiegel, pijp en tabak, lepels, kan en kroes, naaigerei en als je lezen kon, een bijbel, pen en papier, jenever, kazen, hammen en brood, genoeg voor de eerste weken aan boord.  

Zal het afscheid van Erasmus en zijn gezin zwaar zijn geweest? Niet wetend of ze elkaar ooit nog weer zullen zien? Zijn jongste dochter was op moment van vertrek nog maar 6 maanden. Zijn enige zoon was 5 jaar. 

Toen het schip "Grimmestein" op 3 januari vertrok vanuit Goeree had het aan boord 319 zeevaarders, 122 soldaten en 8 passagiers. Een totaal van 449 personen. Het schip legde op 6 januari aan in het Engelse Portsmouth. Twee zeevaarders sloegen hier meteen al op de vlucht. Op 17 januari vertrok het schip weer op weg naar Kaap de Goede Hoop. 

Het leven aan boord van het schip was zwaar. De dagelijkse werkzaamheden bestonden uit op de uitkijk staan, wachtlopen, het bedienden van de zeilen. Ze teerden het schip, hielden het schoon en repareerden het waar nodig. Hadden ze vrije tijd dan hingen ze in hun hangmatten van zeildoek op het benedendek of als het weer goed was zaten ze boven op het dek. 

Benedendeks was het krap, donker en slecht geventileerd. Er waren veel ongedierte, ratten, vlooien, luizen waren er in overvloed. De omstandigheden op het dek werden steeds slechter naarmate de reis langer duurde. De stank van de mannenlichamen, het drinkwater dat steeds meer begon te stinken, de geur van de uitwerpselen van de dieren en soms ook van de bemanningsleden. Bij mooi weer konden de luiken open, maar bij slecht weer moesten ze gesloten worden en werden de omstandigheden steeds onaangenamer. 

De zeelieden kregen drie keer per dag een warme maaltijd, maar dit eten was erg eentonig. Proviand was vaak bedorven in de warme vochtige ruimtes en het gebrek aan vitamine C en schoondrinkwater zorgde voor scheurbuik en andere ziekten. De mannen waren ingedeeld in vaste groepen waarmee men at. Deze "bakken" bestonden uit zo'n 7 man die tijdens de reis uit een gezamenlijke bak aten. 

Niet alles was echter kommer en kwel. Er werd veel spellen aan boord gespeeld en er werd gedanst en gezongen, muziek gespeeld en soms was er ook feest aan boord. Er werden toneelstukken opgevoerd

Op 26 mei 1704, na 144 dagen varen kwam de "Grimmestein" aan op Kaap de Goede Hoop. Hier konden de voorraden worden aangevuld. Schoon drinkwater, vers fruit, groente en vlees. Na een maand voor anker te hebben gelegen vertrok op donderdag 19 juni het schip weer. 

Kaap de Goede Hoop

Na nog eens 64 dagen varen bereikte het schip op 22 augustus 1704 eindelijk zijn eindbestemming, Batavia. 232 Dagen na het verlaten van Nederland. 

Batavia, het hoofdkwartier in Azië, de centrale ontmoetingsplek van alle schepen van de VOC.

Kasteel Batavia

Veelal waren de muren van het hospitaal het eerste wat de mannen in dienst van de VOC zagen toen ze Batavia bereikten. Velen kwamen ziek aan of werden ziek door de verandering van het voedsel en het klimaat. Alleen in het binnen-hospitaal in Batavia overleden tijdens de VOC periode 160.000 personen die in dienst waren getreden van de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Gemiddeld zaten er op de heenreis 206 mensen op het schip, op de terugreis was het aantal erg geslonken tot gemiddeld 109 personen. 

Tussen 1602 en 1795 gingen er 4721 schepen van de VOC naar Azië. Met aan boord in totaal 973.000 Europeanen. Een een enorm aantal. Slechts 366.900 opvarenden zouden uiteindelijk terugkeren naar de Republiek.  

Degene die nog wel gezond waren na de lange reis werden verdeeld over de barakken in de stad. Ze kregen een paar dagen vrij om te wennen aan alle indrukken en de stad bezichtigen. 

De bevolking van Batavia was net als in Amsterdam een ware smeltkroes van nationaliteiten. Er woonden Chinezen, Europeanen, Mestiezen (nakomelingen van Europese mannen en Aziatische vrouwen), Javanen en Balinezen.  Die laatste twee woonden echter buiten de poorten. De helft van de bevolking bestond uit slaven. 

Na deze eerste vrije dagen kregen de nieuwkomers hun plaats en functie aangewezen. Ze werden gevraagd naar hun ambacht of werden na exercitie doorgestuurd naar andere handelsposten. Op de tientallen schepen die de onderlinge handel in Azië onderhielden bevonden zich nog een paar duizend matrozen. Erasmus was een van de matrozen. Hij bleef op het schip "Grimmestein" tot 25 oktober 1704 waarna hij overging op het schip "Schaapsherder". 

De VOC-soldaten waren niet in het bezit van uniformen. Kleding was duur en ze gingen armoedig gekleed. En vaak hadden ze zelfs geen kousen en schoenen. Het moet een bont gezelschap zijn geweest. De een met een rood vest, de ander blauw, de een met blote benen, de ander zonder schoenen, rokjassen in allerlei kleuren. 

Erasmus was Luthers. Deze religie mocht tot in de 18e eeuw niet openlijk beleden worden. Hierdoor mochten ze ook geen hoge ambten bekleden. Wat de functie van Erasmus was toen hij eenmaal in Oost-Indië aankwam heb ik niet terug kunnen vinden. Wel weet ik dat hij tot 1706 op het schip "Schaapsherder" verbleef. In de periode dat Erasmus op dit schip verbleef ging het o.a. naar Java, Samarang en de Coromalkust. In 1706 werd Erasmus overgeplaatst naar het schip "Gent". Dit schip voerde o.a. naar Perzië via Goa. Tot januari 1708 blijft dit het schip waar Erasmus op verblijft. Het is dan inmiddels al vier jaar geleden dat Erasmus van huis vertrok. 

Eenmaal per jaar haalt zijn vrouw Emmetje de gage van drie maanden waar ze recht op heeft op,  volgens de maandbrief . Voor ontvangst van deze 42 gulden moet ze haar handtekening zetten. Uit het soldijboek blijkt echter dat Emmetje niet kan schrijven. Er staat een kruis op de plek waar haar handtekening had moeten staan. " Kruis is van Emmetje Molenaer" staat erbij geschreven. 

Kruis van Emmetje Molenaar

Deze 42 gulden is omgerekend 470 euro waard in deze tijd. Een gezin had in die tijd gemiddeld 195 gulden per jaar nodig om van rond te komen. Naast de gewone baantjes als naaister, schoonmaaksters werden sommige van deze vrouwen die achterbleven ook "zielverkopers" voor de VOC om hun inkomen op de maandbrief aan te vullen. Bedeling kwam vaak voor. Ook de kinderen moest als ze oud genoeg waren werken om het hoofd boven water te houden.

Als uit de boeken bleek dat de zeeman zijn tijd had uitgediend kreeg hij toestemming om terug te keren naar de Republiek. Hij ontving een recommandatiebrief van de VOC en liet op het soldijkantoor zijn rekening opmaken en zijn privé zaken afhandelen. Vaak verkochten ze wat ze niet meer nodig hadden aan kleding en bezittingen en sloegen voedsel in voor de terugweg. 

Persoonlijke souvenirs, handelswaar, maar ook ingelegde vis of groente om het eentonige eten aan te vullen werden meegenomen voor vertrek. De rariteitenkabinetten waren in die tijd erg populair. Er was veel interesse in de exotische voorwerpen zoals schelpen, kristallen, edelstenen, narwaltanden, opgezette dieren en inheemse planten. Denk aan hierbij bijvoorbeeld aan de verzameling die Rembrandt had. Dit soort rariteiten werden veelal meegenomen door de soldaten en matrozen om in eenmaal thuis te verkopen zodat er extra inkomen mee kon worden verworven. Ook kleine dieren als apen en papegaaien waren populair om mee te nemen om ze met winst te verkopen, als ze in leven bleven... Het beeld van zeelieden met een papegaai op de schouder was niet ongewoon in Amsterdam in die tijd. Maar ook dieren als nijlpaarden, luipaarden en struisvogels werden meegenomen door de hoge heren, vaak als cadeau voor prinsen, stadhouders en andere hoogwaardigheidsbekleders. 

De retourvloten verlieten Batavia tussen november en januari. Op 12 februari 1708 was het voor Erasmus zover. Hij ging aan boord van de "Duivenvoorde". Ruim vijf jaar nadat hij Nederland verliet kon hij weer op de terugweg naar huis. De terugtocht duurde gemiddeld iets korter dan de heenreis. Er waren minder opvarenden aan boord waardoor en de zeestromen waren gunstiger. 

Aan boord voerden zich ook zogenaamde "impotenten". Dit waren chronisch zieken die weer terug gingen naar Europa. Maar ook gevangenen die afgevoerd werden naar Robbeneiland en op Kaap de goede hoop achter gelaten werden. 

Aan boord van de Duivenvoorde dit maal 105 passagiers, bestaand uit;  74 zeelieden, 17 soldaten, 5 impotenten en 5 overige passagiers. 

Hoewel meer gehard dan op de heenreis door de zware leefomstandigheden en het tropenklimaat was de terugreis niet makkelijk. Op 7 juli 1708, 146 dagen na vertrek kwam de "Duivenvoorde" aan in Kaap de Goede Hoop voor de nodige verversingen. 

46 Dagen lang hadden de zeemannen weer vaste grond onder de voet toen de schepen weer werden bevoorraad voordat ze aan hun laatste etappe op weg naar huis gingen. 

Het laatste gedeelte van de reis zou echter een stuk langer duren dan voorzien. In plaats van dat het schip rechtstreeks naar Nederland ging, werd het opgeroepen om naar Falmouth, aan het begin van het Engelse Kanaal te gaan. Daar kwam het op 15 december 1708 aan. Vanuit daar slechts een paar dagen reizen tot de haven van Rotterdam. Het schip verbleef hier echter enkele maanden. Ik heb echter niet kunnen vinden waarom ze daar waren.

Toen de Duivenvoorde eindelijk vanuit Falmouth vertrok en de rede in zicht was maakten de zeelieden uitzinnig kabaal door te schreeuwen en op pannen en potten te slaan. Blij weer thuis te zijn. 

Lag het schip op de rede voor anker dan kwamen er bewindhebbers aan boord om de opvarenden van hun eed aan de compagnie te ontslaan. Hiermee stopte ook de berekening van de gage. 

Op 6 april 1709 was het eindelijk zover en konden de mannen met kleine scheepjes van boord om aan land te worden gebracht. De lading werd van boord gehaald door de sjouwers, dit kon nog dagen duren. Ook de kisten van de zeelieden zouden later van boord worden gehaald. Bijna 14 maanden nadat de terugreis begon. 

Hoe prettig het ook was om weer in Europa te arriveren de lange reis, ziekte, kou en gebrek aan goede kleding eisten zijn tol. De mannen moesten vanaf de kade nog uren lopen naar Middelburg. Een teruggekeerde boekhouder schreef dat ze er uit zagen als doden. Grote groepen vrouwen van lichte zeden zwermden om ze heen, klaar om ze te verleiden en om te zorgen dat ze hun gage er meteen weer door heen brasten.  

Degene die weer gezond en veilig terug waren gekomen konden na enkele dagen naar het Oost-Indisch huis om zijn kist op te halen. Na enkele weken konden de mannen zich laten uitbetalen. De soldijboeken, waarin alles keurig werd bijgehouden vermelden dat Erasmus op 24 april 1709  de 158,74 gulden op komt halen waar hij nog recht op heeft. Zijn handtekening gezet voor ontvangst van het geld. 

Handtekening Erasmus Molenaar

Erasmus kon nu weer naar huis, naar zijn vrouw en kinderen. Vijf jaar en drie maanden had hij zijn gezin niet gezien. Zouden ze hem nog herkend hebben na al die jaren afwezigheid? Zijn jongste dochter was een half jaar oud bij vertrek en zal geen herinneringen aan hem hebben gehad van de periode voordat hij wegging.

De mannen die terugkeerden uit de Oost moet mager, maar rood verbrand zijn geweest van de vele uren in de zon. Gekleed in de bonte oosterse kleding die in Batavia normaal was. Hun gedrag en taal ruw na het zoveel jaar in mannelijk gezelschap te hebben geleefd. Erasmus is vast als een hele andere man teruggekomen dan dat hij voor vertrek moet zijn geweest. 

Zou hij zijn zoontje Dirk die bij terugkomst 10 jaar was verteld hebben over de olifanten, tijgers en neushoorns die er leefden? Over de avonturen die had beleefd. Over al die verschillende culturen, het Chinese vuurwerk, het wajangspel, de tempels. Al die verschillende kleding, smaken, muziek, flora en fauna. Het moet hebben geklonken als een sprookje en de kinderen moeten aan zijn lippen gehangen hebben. 

Veel zeelieden wisten niet hoe snel ze in de bordelen moesten komen, waar ze hun geld aan drank en vrouwen uitgaven. Het salaris dat hen was uitbetaald er zo doorheen jagend.

Zou Erasmus ook een van die mannen zijn geweest? Zou hij meteen naar huis zijn gegaan? Naar zijn gezin en aan zijn vrouw het geld hebben gegeven? Zeker is dat hij op zijn vrouw zijn behoeftes heeft bevredigd. Ruim negen maanden na zijn thuiskomst werd dochter Pleuntie geboren. 

Een jaar nadat Erasmus naar Oost-Indië vertrok gagingat ook jongere broer Barent opnieuw naar Oost-Indië. Barent was intussen getrouwd, de maandbrief was dit keer voor zijn vrouw Grietje. Barent gebruikte inmiddels de achternaam "Mulder". Erasmus de achternaam "Molenaar". Een andere benaming voor hetzelfde beroep. Ook jongste broer Hans gaat zich uiteindelijk "Mulder" noemen. Misschien toch een aanwijzing van het beroep van zijn vader?

Het is 8 januari 1705 als Barent als matroos met het schip de "Unie" naar Batavia vaart. Hij komt er 8 september aan, een reis van 243 dagen. Maar zoals zovelen wordt ook Barent ziek. Hij overlijd nog geen twee maanden na zijn aankomst in Batavia. 

Dat Erasmus zijn broer is verloren in het verre Batavia houdt hem niet tegen om op 10 januari 1712 voor een tweede keer naar Batavia te gaan. Ditmaal als Bosschieter. Hij is belast met het afvuren van het kanon. Zijn gage is dit keer 12 gulden per maand. Emmetje is weer de begunstigster van de maandbrief. Ene Jan Jacobsz is dit keer in bezit van twee schuldbrieven, een voor 200 en een voor 50 gulden. 

Erasmus vaart dit keer uit met het schip de "Standvastigheid". Ook nu vaart het schip uit vanaf de rede van Goeree. Op het schip 340 zeevaarders, 171 soldaten, 16 passagiers en 5 verstekelingen. Maar liefst 532 in totaal. Ik mag hopen dat dit een veel groter schip was!

Op 28 mei 1712, 139 na vertrek, komt het schip aan op de Kaap. Het water is weer aangevuld, verse fruit, groente, vlees en andere benodigdheden ingeslagen. Na 20 dagen vertrekt het schip op weg naar Batavia, waar het op 9 september 1712 aankomt. 243 Dagen na vertrek uit Nederland. 

Op 24 september mag Erasmus van boord van schip en heeft hij eindelijk vaste bodem onder zijn voeten. 

Wat Erasmus dan niet weet is dat zijn dochter Pleuntie, die verwekt is na zijn eerste thuiskomst dan al is overleden. Het meisje werd slechts 3 jaar oud. Bij haar overlijden word het gezin vermeld als wonend "aan de Rotte". Zoals gewoon in die tijd werd Pleuntie begraven in Hillegersberg. Ze wordt begraven buiten de kerk, en er is geen kleed om haar kist te bedekken. Al had zijn vrouw Emmetje kunnen schrijven, dan nog kan het meer dan een jaar duren voordat het volgende schip met post Batavia bereikte. Erasmus zal niet op de hoogte zijn geweest van dit overlijden. 

En dan wordt Erasmus zelf ook ziek. Op 15 juli 1713 wordt hij opgenomen in het Batavia Hospitaal. Hij knapt blijkbaar weer op want hij gaat aan boord van de "IJsselmonde". Het schip vaart naar Cheribon en later naar Padang. Hier blijft hij tot 5 december 1713, dan vaart het schip weer terug naar Batavia. Op de laatste dag van het jaar 1713 overlijd Erasmus, slechts 49 jaar oud. Zijn gezin zal hem nooit weerzien... 

Emmetje blijft alleen, 38 jaar oud, met haar twee overgebleven kinderen achter. Zoon Dirk is dan 15 jaar oud, dochter Engeltje is 10 jaar. 

Hoe kwam je er in die tijd achter dat je dierbare was overleden? Lezen kon Emmetje niet en de post kon er jaren over doen. In 1713 en 1714 heeft Emmetje nog de jaarlijkse 3 maanden gage van Erasmus op kunnen halen blijkt uit het soldijboek. Pas in 1715 is de administratie op order en zijn de nieuwe gegevens uit Batavia verwerkt in het soldijboek. Kwam Emmetje er bij het ophalen van de gage pas achter dat haar man overleden was? Je kunt je in deze tijd van supersnelle communicatie nauwelijks iets bij voorstellen.

Soldijboek Erasmus Molenaar

Hoewel ze met haar 38 jaar nog jong genoeg is, hertrouwd Emmetje nooit meer. Ze blijft nog veertig jaar alleen. Dochter Engeltje sterft in 1735, slechts 32 jaar oud. Aan de Binnenweg in Cool sluit op 9 september 1752 ook Emmetje voorgoed haar. Ze is dan 78 jaar oud.