woensdag 12 december 2018

Familie Houter

Er zijn een aantal families in mijn stamboom waar ik van het zoeken er na echt gefrustreerd van raak. Dit zijn vaak de families die waarschijnlijk niet uit Nederland komen. De familie Fietjero is er daar een van, maar ook bij de familie Houter zucht en steun ik er wat af. 
Ik zoek er al jaren naar, maar wat ik ook probeer, hoe ik ook zoek en vraag. Ik zit hartstikke vast met dit gezin.

De eerste Houter is mijn stamboom is mijn voormoeder Johanna Elisabeth Houter. Ze trouwt met mijn voorvader Johannes van Adrichem. Als enige van de familie Houter vertrekt zij uit Rotterdam, zij zal in Amsterdam sterven.
Maar dat weet ze nog niet als ze in 1821 in Rotterdam trouwt met Johannes van Adrichem. 

Volgens het extract van het geboorteregister die bij de huwelijkse bijlagen van dit huwelijk zitten staat dat Johanna Elisabeth geboren is in Veere, Zeeland, op 8 juni 1788. Op 13 juni wordt ze Nederlands Hervormd gedoopt. De getuigen, naar wie ze wordt vernoemd en die bij deze plechtigheid aanwezig zijn Johan Kasper Smit en Elizabeth Pagter. 
De moeder van Johanna Elisabeth is de 26e jarige Catharina Visser, de dochter van de eerder beschreven Pieter Visser en Tanneke van Helleput.
De vader van Johanna is de  27e jarige Johannes Houter. Johannes is soldaat en volgens zijn overlijdensakte geboren in Bern, ik neem dan aan dat dit Bern, Zwisterland moet zijn. Er zaten veel Zwitsers in het Nederlandse leger. 

De originele doopakte van Johanna Elisabeth heb ik, ondanks jaren zoeken, nog steeds niet gevonden. Vermoedelijk is dit bij een bombardement tijdens de tweede wereldoorlog vernietigd. Ook de huwelijksakte van vader Johannes en moeder Catharina kan wel eens vernietigd zijn, die is voor mij ook onvindbaar.
Ik weet wel dat dit stel getrouwd is omdat er wel een akte bestaat waarin staat dat Johannes en Catharina trouwgeld hebben betaald voor hun huwelijk. Deze akte is gedateerd op 1-10-1786 te Veere. Een aardige meneer uit Middelburg is onlangs voor me op zoek geweest naar akte's van de familie Houter in het Zeeuws Archief, maar zonder verder resultaat. 

Trouwgeld Johannes Houter
Johanna Elisabeth is dus het eerste kind van het echtpaar Houter. Twee jaar later vind ik een doopinschrijving in Geertruidenberg. Op 12-12-1790 wordt daar Johan David Houter gedoopt. Volgens de doopinschrijving zijn de getuigen Jan David Boller en Rosina Houter. De vader is in Geertruidenberg in garnizoen. Rosina zou een zus, maar ook de (ongehuwde) moeder van Johannes kunnen zijn. 
Doop Johan David Houter
Dat betekend dat het hele gezin steeds mee verhuisd als het garnizoen verder trekt. 
Ondanks een speurtocht in het boek "Vredesgarnizoenen van 1715 tot 1795 en 1850 tot 1940" van H. Ringoir heb ik niet met zekerheid het regiment vinden waarin Johannes Houter zou hebben gediend, en loopt ook dit spoor hier dood. 

In 1792 en 1795 worden er door Johannes Houter in Rotterdam twee levenloos geboren kinderen aangegeven. Johannes zit dan waarschijnlijk niet meer in actieve militaire dienst. Rotterdam was volgens mij geen garnizoensstad.
Het gezin woont in Rotterdam op de hoek van Zwaanesteeg en het Achterklooster. Ze bewonen de voorkamer van het huis nr 2. De kinderen worden pro deo aangegeven, dat geeft een beeld hoe armoedig het gezin moet zijn geweest. 

Het vreemde is dat ik dan tussen 1795 en 1801, dus zes jaar lang, geen geboorteaangifte's meer kan vinden. Mijns inziens kan dit niet kloppen en moeten er in die tussenliggende jaren nog een stuk of twee kinderen zijn geboren, al dat niet levenloos. Niet in Rotterdam, maar waar dan wel? 
Na 1801 worden er ineens binnen vier jaar tijd weer vier dochters geboren.

De eerste dochter die in Rotterdam levend ter wereld komt is Catherina Elizabeth. Ze wordt ook "Agter 't Klooster" geboren op 13 mei 1801. 
Dan volgt dochter Tannetje, zij wordt geboren aan de Kipstraat te Rotterdam op 14 augustus 1802. Margrieta Rosina wordt op 21 oktober 1804 geboren "op 't Agter klooster. Vier dagen na haar geboorte overlijd haar zus Tannetje op 1 jarige leeftijd. 
De 28e oktober wordt Margrieta Rosina gedoopt, met als doopgetuige Margarieta Blecker. De volgende dag begraaft het gezin de kleine Tannetje in de regen. Ik vind het maar een trieste situatie...

Achterklooster 1710
Op 6 december 1805 wordt aan de Kipstraat het laatste kind geboren. Als ze zes dagen later wordt gedoopt, krijgt ze haar naam; Maria Elizabet, vernoemd naar haar doopgetuige; Maria Steets. 

Hoewel de straat waar ze wonen steeds anders wordt genoemd denk ik dat ze wel steeds op dezelfde plek hebben gewoond. De korte Kipstraat is namelijk de oudste benaming voor het Achterklooster. 
Aan de Hoogstraat in Rotterdam stond vroeger een klooster. Op het terrein van het klooster verrezen na 1572 het Gasthuis, het Pest- en Dolhuis en het Oude vrouwenhuis. Het is me opgevallen dat bijna al mijn voorouders uit Rotterdam, ook de familie van Adrichem, in dit gebied woonden.
Uit 18e eeuws belastinggegevens weten we, dat het gebied waarvan het Achterklooster, bestaande uit zes smalle steegjes achter de Hoogstraat, deel van uit maakte, het armste stuk van de stad was.   

Achterklooster 1830
De bekende Kaat Mossel woonde na haar huwelijk ook op 't Agter Klooster, zij stierf op 4-7-1798 aan de Swanensteeg. Dat is waar de familie Houter op dat moment ook woonde. Wie weet waren ze wel buren. Ze moeten elkaar in elk geval gekend hebben.

Kaat Mossel
Als je de reputatie van Kaat Mossel (losbandig en een viswijf) een beetje kent en je bedenkt dat Tanneke van Helleput, de moeder van Catharina Houter-Visser, er een "hoeragtige manier van leven" op na hield, dan geloof ik niet dat de familie Houter een beschaafde familie in een nette buurt was.  

Kipstraat voor het bombardement
(De huidige Kipstraat en Achterklooster liggen vanwege het bombardement van Rotterdam nu niet meer op dezelfde plek als in het begin van de 19e eeuw.)

Johannes Houter sterft in 1820 in Rotterdam. Geboren te Bern, gedomicilieerd te Rotterdam, 58 jaren en 11 maanden oud, staat er op zijn overlijdensakte. Zijn vrouw Catharina zal nog 21 jaar lang zonder hem aan haar zijde leven. Zijn dochters trouwen alle vier en stichten grote gezinnen. 

Tot zover beste leuke informatie, maar het frustrerende begint als ik op zoek ga naar zoon Jan David Houter. Wat is er met hem gebeurd? Is hij overleden voordat het gezin in Rotterdam kwam wonen? 
En wie is zijn doopgetuige, Rosina Houter? Is zij de zus van Johannes, of misschien wel zijn moeder? De naam Rosina wordt wel doorgegeven binnen de familie, ook zijn kleindochters worden naar haar vernoemd. Dat lijkt mij er op wijzen dat zij belangrijk voor hem was.
En wat is er gebeurd met dochter Margrieta Rosina Houter? Nergens kan ik de overlijdens van deze drie vinden. 

De naam Houter, zonder toevoeging, komt in Nederland verder niet voor. Ik zoek al jaren op alle varianten en in alle archieven, maar kan niets vinden. En komt Johannes daadwerkelijk uit Bern? Waar was hij gelegerd? In een achternamen database van Zwitserland komt ik de naam ook niet tegen. Ik wil zo graag meer weten over deze naam, maar alle sporen lopen dood. 
Ik hoop dat dit verhaal hier op de site op een of andere manier informatie oplevert, dat zal niet de eerste keer zijn. Fingers crossed! 

zondag 9 december 2018

Pieter Visser; gastblog door Harold Pot

Ik ben niet de enige in de familie die geïnteresseerd is in de familiegeschiedenis en daar graag over schrijft. Ook mijn achterneef Harold Pot heeft het "stamboomvirus" te pakken. We hebben elkaar leren kennen door het onderzoek naar onze stamboom en we bleken parallel een paar straten van elkaar te wonen en hebben elkaar toen voor het eerst ontmoet. Het klikte meteen en ik herkende bepaalde karaktereigenschappen van hem bij mezelf. We zijn al een paar keer samen op stap geweest en delen onze vondsten met elkaar en we vullen elkaar volgens mij goed aan. Zo heeft Harold de blog die ik over Tanneke van Helleput heb geschreven verder uitgezocht en er zelf een stuk over geschreven, die je hieronder vind. Ik ben er van onder de indruk en hoop dat er nog vele gastblogs van hem zullen volgen! 
-------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Pieter Visser en Tanneke van Helleput: door Harold Pot

Heinrich van Adrichem                 Wilhelmina Hekke
Johannes van Adrichem              Judith Langkamp
Johannes Huibert van Adrichem  Hendrikje Vitjeroo
Johannes van Adrichem              Johanna Elisabeth Houter
Johannes Houter                          Catharina Visser                            
Pieter Visser                                 Tanneke van Helleput

Begin 18 eeuw komen we in onze stamboom Pieter Visser tegen, Pieter is geboren op 18 november 1731 in Werkendam bij Gorinchem, zoon van Abraham Visser en Lijsbeth van der Wal. Pieter is het oudste kind uit een gezin waar elf kinderen zijn geboren, zeker twee zusjes en een broertje van hem overlijden in de eerste jaren van hun leven.

Op 29 augustus 1760 trouwt Pieter met de dan 20 jarige Tanneke van Helleput, Tanneke is geboren op 22 mei 1740 in Hulst. Ze is het oudste kind van Levinius van Helleput en Catherina van de Voorde. In de zes jaar na Tanneke's geboorte worden zoon Pieter en dochters Adriana en Magdalena geboren. Eén jaar na hun huwelijk word hun eerste dochter, Catherina Visser geboren. Na Catherina krijgen ze in 1763 dochter Elisabeth. Rond diezelfde tijd passeert de koopakte van een huis aan de Vismarkt in Hulst. In het huis aan de Vismarkt (gebouwd in 1633) beginnen Pieter en Tanneke een  herberg, ze noemen de Herberg "Het Vismijntje", een verwijzing naar de functie die de markt gelegen vóór de woning had in de jaren dat de haven er nog stroomde. Blijkbaar vinden er bezigheden plaats die weinig te maken hebben met water. Op bevel van het stadsbestuur word de herberg in 1765 gesloten vanwege de schandelijke en "hoeragtige mannier van leven" van Tanneke die, vanwege het beledigen van de leden van het stadsbestuur, zelfs gevangen word gezet. Het Vismijntie word in 1765 verkocht aan François de Bruijn. Waarschijnlijk uit geldgebrek want volgens aantekening op de akte van aankoop is de koopsom nog steeds niet voldaan door Pieter en Tanneke. In 1765 word er ook een zoon geboren. Ze noemen hem Abraham, naar de vader van Pieter. Drie jaar later word er ook nog een dochter Magdalena geboren.


Het leven aan boord is voor de meeste opvarenden geen pretje. Er zit een groot verschil tussen het leven voor de mast en het leven daarachter. Het leven achter de mast is in vergelijking met dat van voor de mast ontzettend luxe. Deze passagiers wonen in kleine, doch zeer comfortabele hutten. De hutten zijn voorzien van onder andere een tafel met 

stoelen, een bed, een kast en soms zelfs een bank. Voor de mast is het leven compleet anders. Men leeft daar op het overloopdek tussen plunjekisten en hangmatten,  kanonnen en handelsgoederen. Door het lage plafond moeten zij zich voorover gebogen door het ruim verplaatsen. Pieter verblijft voor de mast met andere matrozen en soldaten. Waar de edellieden nog op matrassen kunnen slapen moet hij het zich zo comfortabel mogelijk zien te maken op een strozak met een haren deken of in een hangmat.



Hulst in de 17 eeuw

Door de financiële situatie wordt het er niet beter op. Het is dan ook erg waarschijnlijk dat Pieter door arbeidsbemiddeling aan een “baantje” is geholpen. Ronselaars, ook wel logementhouders of zielverkopers genoemd, bieden berooide werkzoekenden werk of geld voor een nog uit te voeren dienst. Als bekend word dat de VOC in de stad op zoek is naar personeel brengt de logementhouder zijn “gasten” naar de Kamer van het Oost-Indisch Huis. Door het afleggen van een eed op het reglement van de VOC kunnen ze aanmonsteren als matroos of soldaat. Van de logementhouder krijgen ze een eenvoudige uitrusting. Als vergoeding voor die uitrusting en eventuele andere diensten ontvangt de logementhouder het voorschot van de nieuwbakken Oost-Indiëvaarder (twee maanden gage). Bovendien ontvangt hij een schuldbekentenis, ook wel transportbrief of transportceel genoemd. Vaak bedraagt deze transportbrief het bedrag van 150 gulden. Vlak na de geboorte van zijn dochter Magdalena vertrekt Pieter als matroos voor de VOC naar Batavia met spiegelretourschip Barbara Theodora. Op 14 december 1768 varen ze uit. Als matroos heeft hij verschillende taken. In zijn functieomschrijving staat het volgende: Waak -en Roergang, Laden en lossen, reinigen, teren en kalfaten van het schip, af en aanslaan van de zeilen, Helper van de onderofficieren. Ook wel bootsgezel genoemd. 

Rammekens in de 17e eeuw
De Barbara Theodora heeft voor negen maanden voedsel aan boord. Dat is op zichzelf ruim voldoende.  De eerst volgende plaats waar voedsel en water kan worden ingeslagen is Kaap de Goede Hoop en dat ligt op vier maanden varen van Holland. Voor een bemanning van 350 opvarenden word het volgende meegenomen op een lange reis: 55.000 pond brood, 22.000 pond vlees, 10.000 pond spek, 3700 pond boter en 700 kazen. De rantsoenen zijn precies afgemeten en nauwkeurig is beschreven hoeveel een ieder krijgt. Dit is voor de gewone bemanningsleden per week: 330 gram vlees, 660 gram spek,  220 gram boter bij het brood, één mutsje azijn en één mutsje olijfolie. De onderofficieren hebben een ruimere portie: anderhalf maal het rantsoen van de gewone bemanningsleden.  Overigens is dit weer minder dan de officieren die tweemaal zoveel krijgen als de gewone matrozen. Toch zijn er problemen met het voedsel en de drank. Zo kan het voedsel alleen gedroogd of gezouten worden bewaard, maar soms blijkt tijdens de reis een deel van het voedsel niet geschikt voor consumptie.  De precieze oorzaak van het bederf is vaak niet te achterhalen. Soms word er door leveranciers in Nederland oud en bedorven voedsel geleverd.  Ook kan het voorkomen dat een volledig verse lading voedsel op zee door vocht aan boord en de brandende zon op het schip bederft.  Het goedhouden van de meegebrachte drank is vaak nog moeilijker dan het conserveren van het ingeslagen voedsel. De eerste weken van de reis is er wat betreft de drank nog niet erg veel problemen. In deze begintijd van de reis kan er nog voldoende bier worden gedronken. Voor elk bemanningslid is er twee liter per dag. Het scheepsbier heeft echter een probleem: het is beperkt houdbaar. Binnen drie maanden moet al het bier zijn opgedronken. Als het bier op is heeft de scheepsbemanning nog maar één alternatief: water. Bij het aan boord brengen van het water word rekening gehouden met 400 liter per persoon, inclusief het water wat nodig is voor het bereiden van de maaltijd. Het water bederft echter vaak. Bedorven water verspreid een enorme stank aan boord en er is weinig anders aan te doen dan het overboord te kieperen. Er word echter wel wat op gevonden om het kostbare (bedorven) water weer drinkbaar te maken: in het water word een roodgloeiende ijzerstaaf uitgedoofd en aan het water word een scheut limoensap toegevoegd om het geheel weer drinkbaar te maken. Tussen de opvarenden is het niet altijd koek en ei. Kleine onenigheden kunnen soms uitlopen op grote ruzies. De voornaamste conflicten ontstaan over de werkzaamheden op het schip, de voedselverdeling, de kwaliteit van het leven op de schepen en het strakke schema van het wachtsysteem waar niet iedereen zich op aan wil passen. De oorzaak achter de meeste ruzies is drank. Overmatig drankgebruik zorgt ervoor dat van een mug vaak een olifant word gemaakt. Een verkeerd gekozen woord of een flauwe grap kan uitlopen op een hevig conflict. Het onderlinge geroddel, de aanwezigheid van passagiers met vlugge vingers en het beledigen van medepassagiers – o.a. door het geven van bijnamen als ‘bokkepoot’ en ‘smeerbroek’ – vergroot de spanning. De mondelinge ruzies lopen al gauw uit op lichamelijk geweld en messengevechten.


Op 14 december 1768 varen de Barbara Theodora en Geynwensch uit.



Aan boord komen veel ziektes voor, zoals malaria, beriberi, verkoudheid, longontsteking en scheurbuik. De meest bekende zeemansziekte is scheurbuik, met als voornaamste symptomen verlamming van ledematen en ontsteking van tandvlees. Het is bekend dat scheurbuik word veroorzaakt door een gebrek aan verse groenten en fruit, dus zijn er soms groentetuintjes aan boord van het schip. Een schatting van de sterftecijfers aan boord is dat 15% van de bemanning de heenreis niet overleefd en op de terugreis 10% het loodje legt. Deze doden worden dan over boord gegooid.



Op zaterdag 1 april 1769, na vier maanden varen, komen ze aan op kaap de Goede hoop. Daar word vers water, fruit en ander proviand meegenomen. Ruim 2 weken later vertrekken ze op 18 april verder richting Indië. 




Na nog eens vier maanden varen komt de Barbara Theodora op 19 juli 1769 aan in Batavia. Bijna 8 maanden zijn ze onderweg geweest!


Op 1 november van datzelfde jaar vaart de Barbara Theodora weer uit naar Rammekens in de Republiek der zeven verenigde Nederlanden, ook Pieter is dan weer als matroos aan boord. Op 7 januari legt het schip aan bij kaap de Goede hoop, daar blijft het vier weken liggen.


In februari wordt de reis naar hervat en na 3 nog eens maanden varen komt Pieter op 8 mei 1770 aan in Rammekens. Na een jaar en 5 maanden is Pieter weer thuis. Of hij ook weer naar zijn gezin gaat is niet duidelijk. In ditzelfde jaar wordt in de Nieuwe haven van Rotterdam het lijk opgevist van een jonge vrouw. In haar zak vinden ze een brief van Catherina van Voorde waaruit blijkt dat de dode vrouw Tanneke van Helleput is. Ze is op 17 december 1770 begraven in Rotterdam en werd slechts 30 jaar. Na 1770 komen we Pieter Visser uit Gorinchem of Werkendam niet meer tegen in de archieven.


Uit het Soldijboek van de Barbara Theodora:  Onderaan staat de Fl.150,= transportbrief die voldaan moet worden aan de logementhouder.


Aantekeningen van schulden uit het Soldijboek.



Credits: Marloes van Adrichem, Archief Zeeland, http://www.gahetna.nl