woensdag 1 juni 2016

Geboorteplaats kwartierstaat

Het begon met meneer J Paul Hawthorne een Amerikaanse auteur, die een "Five Generation Birthplace Pedigree Chart" op Facebook zette met daarin niet de namen van zijn voorouders, maar de plaatsen waar ze vandaag kwamen. 
Binnen no time was het onder (hobby)genealogen een hit en verspreide het idee zich snel over het internet. Vaak ben ik 'm al tegen gekomen, maar ik besloot er zelf ook maar een te maken. Eigenlijk is één generatie verder nog interessanter, vooral aan de kant van de van Adrichem's, maar die past hier helaas niet op....
De eerste ben ik uiteraard zelf, en boven aan is de mannelijke lijn, onderaan dus de vrouwelijke. 


woensdag 25 mei 2016

Oorlogsslachtoffers in de familie

Onlangs kocht ik het boek “Nazareth” van Jos Wessels, met als ondertitel “Bredevoort en zijn Katholieken”.
Het boek kocht ik online, omdat ik van iemand te horen had gekregen, dat er familie in zou staan.
Op pagina 257 van het boek staat een foto van mijn voorouders Johannes Bernardus (Jan) de Vries, zijn vrouw Johanna Elschot en hun 8 kinderen.  Ook anderen namen van familieleden, die via de familie de Vries verwant zijn, komen er in voor. 


Mijn betovergrootvader Jan (die met die lange pijp) had een bakkerij aan de Landstraat te Bredevoort.  Het pand op de foto bestaat nog, maar heeft alleen een nieuwe voorgevel gekregen. De achterkant van het pand dat je via de Officiersstraat kunt bekijken is nog in oude vakwerk stijl.
Mijn overgrootvader Herman Jozef de Vries (de langste op de foto) is naar Enschede vertrokken, maar bijna alle broers en zussen zijn in Bredevoort blijven wonen, en vele verre familieleden wonen er nog.

Fam. de Vries, landstraat 20 Bredevoort

In het boek stond een stukje over de kinderen van de familie de Vries die in Bredevoort zijn blijven wonen. Bij een van de zonen, Bernard de Vries, zag ik staan dat zoon Bernard jr. gestorven was in een concentratiekamp in april 1945 en dat zoon Henk verongelukte in april 1945 door op een landmijn te stappen. Dat was nieuw voor me en daar wou ik wel eens wat meer over weten.

Ik was al een tijdje niet meer bezig geweest met de stamboom, maar tijden het opruimen van een kast kwam ik het boek weer tegen en besloot ik uit te gaan zoeken wat er gebeurd was met de beide zonen van de oom van mijn oma.
Zoon Henk, blijkt de 13e jarige Hendrikus Wilhelmus de Vries te zijn.

fagment "Nazreth, bredevoort en zijn katholieken."

Door te googelen kwam ik op de site: monument.vriendenkringneuengamme, waar ik de gegevens van Bernard de Vries tegen kwam. 
Bernardus Marinus de Vries werd op 2 April 1925 geboren in Aalten als 2e van in totaal 10 kinderen. Bernard was, op 2 dagen na, 1 jaar jonger dan zijn nicht, mijn oma Annie.

In 1944 werd Bernard in Winterswijk gearresteerd omdat hij zich had ontrokken aan de arbeidsinzet.  Tijdens de Duitse bezetting werd een zeer groot aantal mannen gedwongen tewerkgesteld in Nederland en Duitsland. De rekrutering van deze mannen vond vooral plaats door middel van doelgerichte acties, die naarmate de oorlog langer duurde in hevigheid toenamen. De maatregel om verplicht te werken in Duitsland levert maar 54.000 arbeidskrachten op, in plaats van de verwachte 170.000. De bezetters gingen over tot de 'totale arbeidsinzet'. Dat betekende dat de leeftijd werd verruimd: mannen van 17 tot 40 jaar konden niet meer veilig op straat lopen.Ze konden bij een razzia worden opgepakt om in Duitsland te werken. Waarschijnlijk is dat bij Bernard ook gebeurd. Hij werd in elk geval, gevangen gezet in de Koepelgevangenis in Arnhem. Daarna is hij op 19 december 1944 naar Kamp Amersfoort gebracht. 

Kamp Amersfoort was een berucht kamp. Kampbeulen waren wreed, ze maakten er de dienst uit en niets beperkte hun in hun wreedheid. De gevangenen moesten zwaar werk doen en er was te weinig voedsel. Amersfoort was dan ook een zogenaamd “Hongerkamp”.
Op 2 februari 1945 werd hij op transport gezet naar concentratiekamp Neuengamme. De reis duurde 2 dagen en op 4 februari 1945 kwam hij aan. 
Bij aankomst moesten alle persoonlijke bezittingen worden afgegeven. Vervolgens werd al het lichaamshaar afgeschoren en kreeg men in plaats van de eigen naam een nummer op een zinken plaatje, dat om de nek gedragen moest worden. Zijn kampnummer was 70647.

In februari 1945 […] werd ik met een gevangenentransport van het concentratiekamp Neuengamme naar het onderkamp Reiherhorst-Wöbbelin bij Ludwigslust overgebracht. […] Ik kan me nog herinneren dat wij met een goederentrein van Neuengamme naar een voor ons onbekende bestemming werden gebracht. […] We moesten toen allemaal uitstappen en verder lopen. Na een lange mars […] kwamen we bij een kamp aan, we mochten niet door de ingang naar binnen, maar moesten in een kanaal springen en overzwemmen om binnen te komen, en dat midden in de winter. Op de eerste dag in het kamp sprak de kampcommandant ons toe, hij deelde ons toen mee dat hij in het kamp slechts twee soorten mensen wilde hebben, mensen die werkten of mensen die dood waren, een middenweg zou er niet zijn. Voor zover ik weet, was dit een nieuw kamp, wij waren de eerste gevangenen die daar kwamen. Er stonden barakken van hout.” 
(getuigenverklaring van een ex-gevangene) Bron

Op 12 februari werden er 700 gevangen gebracht naar het nieuw gebouwde buitenkamp van Neuengamme, Außerlage “Wöbbelin”.  De gevangen die naar Wöbbelin werden getransporteerd, hoefden niet meer te werken in de wapenindustrie maar werden aan de hun lot overgelaten. Er waren geen gaskamers of massa executies, maar toch was dit kamp een vernietigingskamp. 

De levensomstandigheden waren zo onmenselijk dat er in de 10 weken dat het kamp heeft bestaan er meer dan 1000 doden zijn gevallen. 
Vanaf 20 April werd er een begin gemaakt met de ontruiming van het hoofdkamp Neuengamme. Een deel van de gevangenen werden op Dodenmars gezet naar andere kampen, zoals Wöbbelin. Meer dan 5000 gevangenen werden in dit kamp ondergebracht.

“ Als men weer in een ander kamp komt, gelooft men graag dat het niet erger kan worden. Maar Wöbbelin heeft wat dit betreft alles geslagen. Het kamp was niet afgebouwd, in de barakken geen deuren, in de ramen geen glas, en er was slechts zand op de grond. Er waren geen bedden, slechts een soort kooien. Sanitair was er ook niet, slechts een handpomp. In de grond waren enkele gaten gegraven om de behoefte te doen. De meeste gevangenen hadden diarree, het kamp was daardoor vervuild, er waren veel luizen, erg weinig te eten en lange appèls. Het is geen wonder dat er zo veel gestorven zijn. Het is evenwel een wonder dat er nog mensen zijn die deze hel hebben overleefd.” (memoires van de Nederlandse ex-gevangene Willem Hadders)

Kamp Wöbbelin

Volgens kamp overlevende Franz Unikower, die al in meerdere kampen had gezeten, overtrof Kamp Wöbbelin alles wat hij tot nu toe had meegemaakt.
Het wemelde er van de insecten, De barakken waren tochtig en het dak was lek. De nachten waren koud en wie nog een deken had en niet meer de kracht om ‘m te verdedigen, werd de deken gewoon afgestolen. De gevangen waren tot op het bot bevroren en het gebeurde wel eens dat als je ’s ochtends wakker werd, degene naast je naakt aantrof op de harde koude grond, zijn kleren hadden ze ‘m afgestolen. Het was het recht van de sterkste.
In het hele kamp bevond zich één handpomp, maar het water wat daar uitkwam was smerig en stonk. Het bleek aangesloten te zijn op een bron die in verbinding stond met een massagraf...

gevangene kamp Wöbbelin, 2 mei 1945

Een dagrantsoen bestond uit 1 kilo brood voor 10 mensen en een halve liter soep (gemaakt met het water uit die ene handpomp!). De soep werd geserveerd in je hoofddeksel want eetgerei was er niet. De soep moest je dus snel opdrinken, anders liep het door de stof heen. De honger was zo erg dat een Russische gevangen die een rat had weten te vangen, hem levend met huid en haar op at. Ook zijn er in kamp Wöbbelin gevallen bekend van kannibalisme.

“De aanblik van naakte lijken die eruit zagen als skeletten werd een verleiding voor verscheidene uitgehongerden. Zij sneden in de lichamen om te proberen hun ergste honger te stillen. Van deze doden bleef slechts de huid, de botten en het zitvlak over dat met poep besmeurd was. […] Een Franse kameraad vertelde ons dat hij op een dag, aangetrokken door een eigenaardige geur, een groep naderde die iets kookte dat helemaal niet slecht rook, zoals hij zei. Hij bedelde en kreeg een stuk. Omdat het zeer taai was, keek hij er eens goed naar en herkende een stuk menselijk oor.”

Het grootste deel van de gevangen had diarree en daardoor niet meer de kracht om op te staan, zodat men niet anders kon, dan de boel gewoon maar te laten lopen. Degene die nog wel een bed hadden, hadden dan wel eens de pech dat door gebrek aan strozak, deken o.i.d. de inhoud van de darmen van de boven buurman recht in hun gezicht kwamen.
In de barak die als wasplek was gebouwd, werden de lijken, 4 a 5 man hoog, opgestapeld. Ziekten, zoals de tyfus, konden zo nog makkelijker uitbreiden.
In de laatste dagen van april stierven dagelijks meer dan 100 gevangen. Zo ook Bernard de Vries. Hij overleed op 24 april 1945 in Wöbbelin, net 20 jaar oud. Amper 3 weken nadat zijn broertje Henk op een landmijn was gestapt, maar dat heeft hij uiteraard niet geweten. 

Inwoners van Wöbbelin moeten verplicht de verschrikkingen van het kamp bekijken

Op 2 mei bereikten de Amerikanen per toeval kamp Wöbbelin. Op de kaarten stond het kamp niet aangegeven, maar in een nabij gelegen plaats zagen de Amerikanen drie zogenaamde "Musselmannen" staan in een kapotte etalage, die kleren van de paspoppen aan het aantrekken waren. Na navraag kwamen ze er achter dat de mannen uit het door de Nazi's verlaten kamp Wöbbelin kwamen. 
De Amerikanen roken het kamp echter nog eerder dan ze het konden zien....
"Zelfs na drie oorlogsjaren kreeg ik tranen in mijn ogen. Levende skeletten lagen overal. De doden onderscheidden zich van de levenden door hun blauw-zwarte huidskleur. Bij de levenden spande zich de groenachtige huid over de botten. Honderden doden lagen op de grond en in de met teerdoek bedekte barakken.” (gen. James M. Gavin in “On to Berlin, Battles of an Airborne Commander 1943-1946”)

De Amerikanen probeerden zo snel als ze konden medische hulp en levensmiddelen te regelen, maar nog zo'n 200 gevangen stierven in de dagen na de bevrijding van het kamp.

De inwoners van Wöbbelin werden door de Amerikanen verplicht tot het bekijken van het kamp en de slachtoffers. Ze moesten de lijken, die rijen dik lagen gestapeld in de barakken, begraven. De massagraven moesten worden geopend, de lijken, die al in staat van ontbinding waren, wassen en de inwoners moesten allemaal hun witte lakens inleveren om de doden in te wikkelen om ze te herbegraven omdat er gewoon niet genoeg kisten waren. Ook het lichaam van Bernard de Vries, die net voor de bevrijding van het kamp was week overleden was, zal hier bij hebben gezeten. 
Bij de herbegrafenissen moesten de inwoners aanwezig zijn en in defilé langs de kisten lopen. Een Amerikaanse filmploeg heeft opnames gemaakt van de begrafenissen. 
Het is een vreemd idee dat een van die slachtoffers die hier liggen, Bernard zou kunnen zijn. De beelden zijn op zich verschrikkelijk om te zien, maar met de wetenschap dat een neef van mijn oma er bij kan liggen kijk je er toch weer heel anders naar, dan komt de oorlog toch wel dichtbij....



De slachtoffers zijn in de eerste week na de bevrijding van het kamp begraven in o.a. Wöbbelin, Hagenauw, Ludwigslust en Schwerin. 

Op de plekken waar de slachtoffers van kamp Wöbbelin zijn begraven zijn nu enkele monumenten te vinden met de namen van de slachtoffers, maar het is mij niet bekend of de naam van Bernard er ook bij staat. Mocht ik er ooit eens in de buurt komen, dan ga ik een kijkje nemen. 

maandag 9 november 2015

Patiëntenregisters

Door het project "Vele Handen" waar ik zelf aan mee heb gewerkt, zijn de patiëntenregisters van Amsterdam nu gedigitaliseerd.
Ik heb het er al vaker over gehad, en ik ben erg enthousiast over dit initiatief. Door samen gegevens in te voeren kunnen we veel archieven eerder openbaar maken. Door het invoeren, verdien je punten waarmee je akte's gratis in kunt zien. Ik moet eerlijk zeggen dat ik het vooral uit eigen belang doen. Ik wil uiteraard zo veel mogelijk gegevens voor mijn stamboomonderzoek verzamelen, en dit is een mooie manier om dat te doen.
Met de punten die ik verdiende met meerdere projecten van het Stadsarchief van Amsterdam ben ik al heel wat te weten gekomen over het leven van de van Adrichem's in Amsterdam.

In de vorige post schreef ik al dat Wijnandus van Adrichem twee keer in het patiëntenregister voorkomt. Maar ook mijn voorvader Johannes Huibert van Adrichem en zijn zus Johanna Maria en hun halfbroer Aart van Adrichem komen in het register voor.

Op 4 mei 1842 komt de dan 23 jarige Johannes Huibert voor het eerst in het Buitengasthuis te liggen. En wel op de afdeling Mannen Syphilitsch.
(Dat zet me aan het denken, dit betekend dat hij seksueel actief was voordat hij getrouwd was, dan kan het heel goed zijn dat er ergens onechte kinderen van hem zijn geboren...)

Johannes Huibert ligt dan in bed 17, en wordt 22 dagen verpleegd.
Hij woont dan aan de Kromboomsloot nr 34. En geeft aan dat beide ouders overleden zijn. Zijn vader leeft echter nog, en woont zelfs op hetzelfde adres. Hij verdiend zijn geld als behanger.




In 1850 ligt Johannes Huibert weer in het Buitengasthuis. Wederom vanwege syphilisch. Johannes Huibert is dan 31 jaar, ongehuwd en sigarenmaker. Hij woont nu aan de Kromboomsloot nr 31. En zijn vader leeft nu wel volgens het register. Hij is dan ambtenaar op wachtgeld. Op 24 mei 1850 gaat hij over naar de afdeling Syphilitisch, en wordt daar 3 dagen verpleegd. 

In 1850 wordt hij nog een keer opgenomen in het Buitengasthuis op de afdeling Mannen Syphilitisch. Nu woont hij aan de Kromboomsloot 33. Hij wordt 5 dagen verpleegd en ligt in bed nr. 23.

Syfilis is een geslachtsziekte die zich in de 16 eeuw vanuit de nieuwe wereld (Amerika) naar Europa kwam. Ze ontdekten al snel dat de ziekte met seksualiteit te maken had. De ziekte kent vier stadia. Eerst kwam er een grote zweer met een harde omgeving. Stadium twee was rode knobbels of vlekken en dan grote wratten rond geslachtsdeel of anus.
De ziekte kon daarna wel jaren rusten. Stadium drie kon interne organen aantasten. Dit stadium kon al dodelijk zijn of invaliditeit veroorzaken. Maar er kon ook nog een vierde stadium zijn; hierbij konden de hersenen aangetast worden en krankzinnigheid optreden. Aan het eind van de 19e eeuw zaten de ziekenhuizen vol met patiënten die Syfilis  hadden en krankzinnig zijn geworden. Pas in 1909 kwam er een doorbrak in de behandeling van Syfilis. Voor die tijd werd kwik gezien als het enige (weinig effectieve) middel tegen syfilis.


Zus Johanna Maria van Adrichem komt ook in de registers voor.
In 1851, als ze 20 jaar is ligt ze er voor het eerst. Op de afdeling Vrouwen verband.
Ze is Naaister en ongehuwd.
Ze woont aan de (Lange) Keizerstraat nr 9, afdeling 2. Bij haar vader en zijn nieuwe vrouw, alle andere kinderen staan er ook ingeschreven.
Ze wordt 41 dagen verpleegd en gaat op 1 mei 1851 naar huis.

In 1855 ligt ze er opnieuw, ze is dan 25 jaar.
Ze komt in bed nr 63 in het Binnengasthuis te liggen.
Ze is op dat moment dienstbode en woont aan de Lange Leidse Dwarsstraat nr 382.
Ze is dan ongehuwd, wat ze ook de rest van haar leven zal blijven.
Haar vader is gepensioneerd Luitenant en haar moeder is overleden.
Ze wordt 25 dagen verpleegd en op 5 december 1855 ontslagen.

Op 10 augustus 1857 komt ze in het Buitengasthuis te liggen.
Ze is dan naaister en woont aan de Regulier Dwarsstraat nr 244.
Ze wordt dan maar liefst 140 dagen verpleegd tot 28 december.
Waarvoor ze er ligt staat er helaas niet bij.

de als ziekenzaal ingerichte zolder van het Amsterdamse Binnengasthuis ca. 1880

In 1888 ligt zo zowel in het Buiten-, als Binnengasthuis.
Op 13 maart ligt ze in het Binnengasthuis, in zaal 13, bed 7.
Ze is 47 jaar en nog steeds ongehuwd en naaister.
Ze woont dan aan de Elandsgracht 54, Klaverbladsgang.

Johanna Maria heeft een Chronische Nierontsteking, Chronische Bronchitis en Longemfyseem (dat is tenminste wat ik er uit opmaak.)
Ze wordt 4 dagen verpleegd en wordt dan overgeplaatst naar het Buitengasthuis.
Ze wordt daar 14 dagen verpleegd en ontslagen op 31 maart 1888.



Slechts 9 dagen later zal Johanna Maria overlijden. 


HIER schreef ik ook al een stukje over het binnengasthuis: 
"Het Binnengasthuis was in de 19e eeuw berucht om zijn deplorabele toestanden. De zalen zijn:  "groot, hol, kil, kerkvormig en met stenen bevloerd lokaal, dat des winters voor geen behoorlijke verwarming vatbaar is". De verpleging bestond uit "knechten en meiden" die zich, volgens een rapport van het stadsbestuur, schuldig maakten aan drankmisbruik en mishandeling, de medicijnen verkochten en het voedsel voor zichzelf hielden."

In het Buitengasthuis was het niet beter, het was dan ook een gasthuis voor de allerarmsten in de stad: Een Oostenrijkse arts, die het Binnen- en Buitengasthuis in 1852 bezocht, schreef in zijn verslag aan het Koninklijke en Keizerlijke Artsengezelschap in Wenen: 
"Hoe moeten we deze twee verpleeginrichtingen beschrijven, die op geen enkele wijze die naam verdienen? 
Als wij bijzonderheden opsommen, blijkt als vanzelf dat ze het tegendeel zijn van wat ziekenhuizen behoren te zijn. (...) Op iedere buitenstaander maakt deze plek een hoogst onaangename indruk. Op zeshonderd zieken zijn er slechts twee artsen." Het verplegend personeel noemde hij een afschrikwekkend voorbeeld van ruwheid, traagheid en smerigheid. "

Het verplegend personeel stond er om bekend om dat ze de medicijnen per opbod verkochten aan de patiënten en dure medicijnen zoals morfine achteroverdrukten. Het personeel at het voedsel van de patiënten zelf op en er was sprake van drankmisbruik en mishandeling. 

Het Buitengasthuis werd in de 17e eeuw gebouwd als pesthuis. Pestlijders werden per boot van het Binnegasthuis via de Pestsloot naar het Buitengasthuis vervoerd. 
Eind 19e eeuw werden de omstandigheden verbeterd. In 1883 werd er in een gemeentelijk rapport de droevige situatie van de gasthuizen uit de doeken gedaan en er er werden een aantal vervormingen doorgevoerd. Voortaan zou er alleen gediplomeerd personeel  worden gebruikt. Ook probeerde de geneesheer-directeur de toestand in de gasthuizen te verbeteren door een verpleegstersopleiding op te zetten. Uniforms, ziekenhuiskleding voor patiënten en nachtdienst werden ook ingevoerd. 

Buitengasthuis
Geen pretje om te liggen dus, ik vraag me af of je er wel gezonder uit kwam dan dat je er in ging...









donderdag 5 november 2015

Wijnandus Pieter Josephus Christiaan van Adrichem

Dat de van Adrichem's nou niet de aller beschaafdste mensen in de 19e eeuw waren, heb je in eerdere posts al kunnen lezen. Maar Wijnandus Pieter Josephus Christiaan van Adrichem spant wel de kroon. Wijnandus is de zoon van Johannis van Adrichem en Johanna Elisabeth Houter. En daarmee dus de broer van Johannes Huibert. HIER heb ik al eens wat geschreven over het gezin.

Wijnandus wordt op 8 januari 1822 geboren in Rotterdam. Op exact dezelfde dag, maar dan een jaar later, als zijn 4 maanden daarvoor overleden broertje, die ook Wijnandus werd genoemd.  Johannes Huibert is zijn oudste broer.
Wijnandus is 3 jaar als het hele gezin van Rotterdam naar Vlissingen verhuist. Daar gaat hij ook naar de lagere school.
 In 1838, als Wijnandus 16 jaar oud is, duikt de familie op in Amsterdam. Zijn vader heeft hem en zijn broer dan al gegeven bij de Marine. Op 15 jarige leeftijd is Wijnandus dan als geëngageerd als Pijper (fluitspeler bij de Marine, speelt marsen en geeft signalen door) bij de 2e divisie mariniers.





In 1841 komt zijn moeder te overlijden. Wijnandus is dan 19 jaar. Zijn vader hertrouwd binnen een jaar met een vrouw die maar 7 jaar ouder is dan Wijnandus. Zijn vader en een zijn nieuwe vrouw krijgen samen nog een zoon in 1842. 

Wijnadus inschrijving Nationale Militie

Wijnandus is dan al voor de eerste keer gedeserteerd. Op 7 februari 1842 veroordeeld de krijgsraad van Noord Holland hem "voor het gemis van Kokarde (insigne) van 12 maanden". Hij moet 4 weken de gevangenis in, "gesloten aan hand en voet", en hij moet om de dag alleen leven op water en brood. 



Op 25 april 1842 wordt hij overgeplaatst naar de 3e divisie van het Algemeen Depot van de Landmacht. Hij is dan Fuselier, en 21 jaar oud. 



Het depot was in Harderwijk en het belangrijkste werfdepot voor het Oost-Indische leger. Franse deserteurs, Duitse ex-officieren, Zwitserse soldaten, Nederlandse soldaten uit strafdivisie's, van allerlei pluimage had dienst in dit Oost-Indische leger. 

"De middenstand profiteerde echter flink van de komst van de militairen en bakkers, slagers en ambachtslieden zagen hun omzet stijgen. In het kielzog van de militairen kwam ook een ander soort middenstand tot bloei. Kroegbazen, bordeelhouders en prostituees vestigden zich in Harderwijk en brachten het stadje tot leven op een manier die de gemeente niet voorzien had. De geworven militairen ontvingen, voorafgaande aan hun uitzending, een handgeld, dat hen in de zak brandde en dat er om vroeg uitgegeven te worden. De binnenstad veranderde dan ook in een drukke uitgaansgelegenheid waar brave burgers zich nauwelijks nog durfden vertonen. De militairen werden opgenomen in het dagelijkse straatbeeld, overdag met exercities en patrouilles, ’s avonds en ’s nachts in het bruisende uitgaansleven. Het leverde Harderwijk de weinig vleiende bijnaam ‘het gootgat van Europa’ op (veel militairen waren van buitenlandse komaf)." (bron: http://www.herderewich.nl/gebouwen.html)


Koloniaal werfdepot te Harderwijk

Ik heb nog niet kunnen achterhalen waar Wijnandus gelegerd is geweest in Oost-Indië, maar goed zal het hem niet gedaan hebben.

Jozef Israels; transport der Kolonialen naar Indië, Koningsbrug, Rotterdam


In 1843 lag Wijnadus met zijn garnizoen in (Den) Helder. Tijdens zijn schildwacht (in tijd van vrede) is hij zonder verlof of wisseling van de wacht, weggelopen. Hij is later aangehouden in Castricum. Hierbij is hij tot vier jaar kruiwagenstraf veroordeeld (dwangarbeid). Hij zit dan vast in Leiden.

Pesthuis Leiden, later militaire gevangenis, thans ingang Naturalis




In die 6 jaar dat hij dan in dienst heeft gezeten heeft hij een heel lang strafregister opgebouwd. 

De 1e straf die hij krijgt is in April 1838. Wijnandus is onzedelijk geweest bij de "Zaterdagsche inspectie" en krijgt 4 dagen "kwartier arrest". In mei worden er goederen in zijn deken gevonden, weer 4 dagen arrest. In juni is hij 's avonds niet op appel en komt pas om 10 uur terug. 4 Dagen provoost te water en brood en een maand kwartier arrest. 
Bijna elke maand is het daarna wel raak. Hij is onzedelijk op zijn kleding, en spullen. En zitten 4 dagen in de politiekamer, of weer kwartier arrest. Dan is hij in december 1838 dronken op de taptoe (vergeet niet dat hij nog maar 16 jaar is!) en weer 8 dagen provoost. 
En zo gaat het maar door. Hij laat zijn kleding slingeren, is ongevoelig voor de straffen die hij krijgt.  Hij ruilt zijn goederen, gaat zonder permissie aan wal en verkoopt equipment stukken. Verregaande onzedelijkheid van zijn lichaam en wapening. 
De straffen worden steeds strenger. Steeds langer arrest, en als dat niet meer helpt; 20 rietslagen. 

"Bij het disciplinair afstraffen met rietslagen, is steeds een officier van gezondheid tegenwoordig. De veroordeelde ligt, met de broek gekleed en met de benen bij elkander gebonden, op een bos stro of op een ander veerkrachtig lichaam. De slagen worden niet op den rug, maar op de billen gegeven. Ze worden, regelmatig op elkander volgende, zonder tussen pozingen , welke de straf verzwaren, toegediend. Het is verboden om militairen , die volgens verklaring van den officier van gezondheid de straf niet geheel hebben kunnen doorstaan , later het ontbrekende getal slagen toe te dienen. De straf van rietslagen wordt immer opgevolgd door 24 uren zoveel mogelijk eenzame, opsluiting."

En nog trekt Wijnandus zich er weinig van aan en krijgt hij 56 slagen met handdaggen*. Ook moet hij 4 dagen in het cachot. Hij loopt weg als hij kwartierarrest heeft, weer verregaande dronkenschap op de taptoe, 8 dagen cachot te water en brood. Tot hij de 1e keer deserteert. 

*De gestrafte werd rechtopstaand met de handen omhoog aan het want geboeid. De lendenen werden beschermd door een strakgespannen lap zeil, waarmee het lichaam tegen een matras werd gesnoerd. Het aantal slagen van de strafoefening werd over het algemeen toegediend door twee kwartiermeesters, waarbij de gehele bemanning stond aangetreden.

Handdaggen






Bij het Algemeen Werfdepot gaat hij gewoon op dezelfde voet verder. Alleen krijgt hij hier als straf geen kwartier arrest meer, maar alleen rietslagen. 
Vieze kleding? 6 rietslagen. Weigeren aardappels te schillen? 6 Rietslagen. Malproper op zijn wapens, op zijn ransel, kwartiernest, patroontas? Niets in order hebben, goederen verbergen, verwaarlozing van zijn linnengoed, ransel slecht ingepakt, orders negeren? 6 rietslagen, 10 rietslagen. Het doet hem blijkbaar allemaal niets. Tot hij dus in 1843 wegloopt tijdens dienst en dan de gevangenis in moet. Dat is het einde van de carrière van Wijnandus bij de Marine. Heel wat anders dan zijn vader Johannis! 





Net als zijn broer, duikt ook Wijnandus op in de Ommerschans. 
Op 13 april 1847 voor de eerste keer. Hij komt aan vanuit Rotterdam, en hij wordt na exact een jaar weer ontslagen. 

Op 1 december 1848 wordt Wijnandus schuldig bevonden aan bedelarij. In Haarlem heeft hij gevraagd om een aalmoes. Hij is dan 26 jaar oud, kleermaker van beroep. Wat zijn straf is heb ik niet kunnen vinden.

In 1850 is hij in elk geval in Amsterdam. Hij ligt dan namelijk 16 dagen in het Buitengasthuis. Wijnandus is dan nog steeds kleermaker van beroep en hij woont blijkbaar aan de Boommarkt 283 te Amsterdam. Waaraan hij is behandeld staat niet vermeld. 


In november van datzelfde jaar wordt Wijnandus opgenomen in het Binnengasthuis te Amsterdam. Hij woont dan aan de Derk van Hasseltsteeg 11. Hij ligt op zaal 1, bed 7. En wordt 18 dagen verpleegd tot 7 december 1850.



Voor de 2e maal komt hij in de Ommerschans vanuit Zwolle op 28 januari 1851. Op 28 februari 1851 wordt hij overgeplaatst naar Veenhuizen. En op 8 juli 1853 wordt hij weer ontslagen.
Zijn signalement luidt dan:
signalement; 
lengte: 1,57
aangezigt: ovaal
haar: blond
oogen: blauw
neus: small
mond: klein
kin: rond



9 Maanden later, op 18 april 1854 is hij al weer in de Ommerschans. Wederom komend vanuit Zwolle. 
signalement; 
lengte 1,58
aangezigt; lang
haar; blond
oogen; blauw
neus; spits
mond; gewoon
kin; rond

En op 3 juni wordt hij naar veenhuizen gezonden. 2 Dagen later deserteert hij. 

"....Adrichem, Wijnandus Pieter Josephus Christiaan, van. No 1943, geboren te Rotterdam, oud 33 jaren, van de gereformeerde godsdienst, kleermaker, lang 1,55 el. aangezigt ovaal, voorhoofd laag, oogen blaauw, neus gewoon, mond klein, kin rond, haar en wenkbraauwen blond. Merkbare teekenen: aan de kin eenige vlekken. 
Deze 2 zijn op 6 junij j.l. gedeserteerd uit het 3e gesticht te Veenhuizen. "

9 dagen na zijn ontsnapping wordt hij weer opgepakt en naar de Ommerschans gebracht. En op 28 juni mag hij weer naar Veenhuizen. Wanneer hij dan ontslagen wordt weet ik niet.

In de gevangenis van Hoorn kom ik hem vervolgens weer tegen. Hij is dan "medeplichtig aan schriftelijke bedreiging met brandstichting van eene wooning."



25 oktober 1856 wordt hij veroordeeld tot 2 jaar gevangenisstraf. Op 24 november 1856 komt daar nog 1 jaar bij. Einde straf is op 25 december 1859.
Op 17 december 1856 wordt hij ingeschreven in de gevangenis te Hoorn. Op 25 oktober 1859 wordt hij ontslagen op last van de commissie van administratie. 



Hoe hij het heeft gedaan, geen idee, maar volgens de commandant van Administratie heeft Wijnandus 
op 25 oktober 1859, dus de dag van de vrijlating "diefstal gepleegd bij nacht door meer dan 1 persoon. Gepleegd door middelen van buiten. Braak en inklimming in een bewoond huis. 20e November 1856, prov. ger. Noord Brabant."


De 4e keer dat Wijnandus op de Ommerschans arriveert, is dat vanuit Utrecht. Het is dan 27 februari 1860. Op 24 April wordt hij weer ontslagen. 
signalement;
lengte 1,65
aangezigt; lang
haar; blond
oogen; blauw
neus; spits
mond; gewoon
kin; spits

Daarna is het in de archieven 7 jaar stil rond Wijnandus. 

Als Wijnandus 44 jaar is trouwt hij op 16 september 1867 in Vroomshoop met de ook 44e jarige Trijntje Kuiper(s). Wijnandus is dan nog steeds kleermaker, maar ze trouwen met een verklaring van onvermogen, de schoenmaker en de winkelier kunnen bevestigen dat ze de kosten voor het huwelijk en de extracten uit de burgerlijke stand niet kunnen betalen.

Trijntje is geboren in Wilhelminaoord. Haar vader Heere Jacobs Kuiper en haar moeder Rompkje Douwes komen met 4 kinderen in 1821 naar Wilhelminaoord vanuit de subcommissie Leeuwarden. In Wilhelminaoord worden er nog twee kinderen geboren. Daarna gaat het gezin naar de Ommerschans waar nog 4 kinderen worden geboren.

"Heere Jaakes Kuiper komt in de kolonie dankzij de contribuanten uit Leeuwarden. Hij arriveert met vrouw en vier kinderen op 18 augustus 1821. Zijn echtgenote staat op het aankomstoverzicht als Rompkje Douwes en de kinderen als Janke, Wietske, Jacob en Douwe,
Na drie jaar, op 20 oktober 1824, mag hij met vrouw en inmiddels vijf kinderen (Trijntje is er in Wilhelminaoord bijgekomen) de boerderij nummer 14 bij de Ommerschans als vrijboer betrekken. Zie ook het lijstje eerste vrijboeren op de pagina Ommerschans. Blijkbaar doet hij dat heel goed, want jaren later wonen ze er nog.
Er komen nog drie kinderen bij: Hiltje, Hendrika en Rompkje, en alles lijkt een en al rust.

Maar vanaf 1839 beginnen er allemaal dingen te veranderen.
Eerst gaat Janke op 24 april van dat jaar met ontslag.
Een week later, op 1 mei, gaat Trijntje weg om een dienstje te aanvaarden, maar die keert na anderhalve maand, 15 juni, terug op het nest.
Diezelfde dag, dus 15 juni, vertrekt Jacob de grote maatschappij in.

In 1840 zijn er twee van zulke mutaties.
De eerste is dat Wietske in februari met ontslag gaat, maar de tweede is dat Janke op 24 augustus terugkeert. Mét kind. En met een onduidelijk geschreven aantekening ´verlaten vrouw van F. Naerebout´. Maar voor het goed weergeven van die laatste naam durf ik mijn hand niet in het vuur te steken. Het is wel dezelfde achternaam als van haar kind, dat als voornaam Rompkje draagt en zou zijn geboren op 19 juni 1840.

En tenslotte 1841.
Eerst gaat op 8 mei Janke met ontslag. Of dat vrijwillig is of niet wordt in het stamboek niet vermeld. En dan wordt op 23 december 1841 Heere Jaakes Kuiper met zijn hele gezin ontslagen. En ook hier weet ik niet of het vrijwillig was of niet. Naar schatting is hij dan een jaartje of 53." (bron; Wil Schackmann)


Wijnandus en Trijntje krijgen drie dagen na hun trouwen een dochter; Petronella Hendrika van Adrichem. Helaas overlijdt het meisje een week na haar eerste verjaardag in Vroomshoop.
Wijnandus overlijd 5 jaar later op 27 april 1872 in Veenoord (Sleen) in Drenthe. Wat hij daar deed is mij niet duidelijk. Hij wordt aangegeven door zijn buren, maar zijn woonplaats is op dat moment Hellendoorn, staat in de akte, daar wordt zijn overlijden ook 3 mei geregistreerd. In het bevolkingsregister van Hellendoorn kan ik echter geen van Adrichem vinden.
Wijnandus is slechts 50 jaar geworden.
Van zijn vrouw, Trijntje Kuipers ontbreekt elk spoor. Ook heb ik geen andere kinderen kunnen vinden, wat ook wel kan kloppen met de wat hogere leeftijd van beide bij hun trouwen.

Ik blijft het vreemd vinden dat kinderen van een militair zo op het slechte pad en aan de bedelstaf raken. Vader zal als Luitenant Geweldige bij de Marine geen slecht inkomen hebben gehad. Maar misschien hebben ze hun vader wel nooit meer gezien na het tweede huwelijk. Ooit hoop ik er achter te komen. Tot die tijd moeten we het doen met deze feiten. 

dinsdag 27 oktober 2015

Joannes van Adrichem deel II

Eerder schreef ik HIER al over mijn voorvader Joannes van Adrichem, die in dienst was van het Franse leger, het Nederlandse leger en later bij de Marine ging. 

Joannes is toch wel een van mijn favoriete voorvaderen. Ik vind hem ontzettend interessant en de meeste tijd van mijn onderzoek gaat in hem zitten. 
Zo heb ik in de tussentijd weer interessante ontdekkingen gedaan waarover ik hier weer een lang stuk zal schrijven. Om een zo compleet mogelijk beeld te krijgen, zoek ik altijd veel achtergrond informatie op. Zodat in mijn hoofd het verhaal van Joannes steeds meer tot leven komt. Ik hoop dat ik dat beeld in mijn hoofd hier goed kan overbrengen. 


Joannes had ik al gevonden in de militaire stamboeken in het Nationaal Archief. Daarin werd vermeld dat hij eerste in Franse dienst heeft gezeten. In het leger van Napoleon dus.
Van die tijd moesten er ook stamboeken zijn, maar daarvoor zou ik af moeten reizen naar Parijs, dat vind ik geen straf, maar het kwam er niet van, dus liet ik het maar en tijdje rusten. 
Maar nu inmiddels ook de Franse stamboeken gedigitaliseerd zijn, is een tripje naar Parijs niet meer nodig, helaas....

Na lang zoeken in de online stamboeken, vond ik toch eindelijk "mijn" Joannes van Adrichem in het stamboek. Uit het stamboek van het Nationaal Archief wist ik al dat Joannes bij het 27e regiment en 72e regiment Infanery de Ligny had gezeten in de periode 1813-1814.
Het geheim was zoeken op het juiste regiment in de juiste periode en dan achteraan in de namenindex kijken.  En dan zoeken op de V van Van Adrichem in plaats van de A van Adrichem, wat ik dus eerst deed... 


Onder nummer 15305 stond: "Jean van Adrichem", 
Zoon van Winand Joseph en Anne van Adrichem. geboren 18 december 1793 te Rotterdam in het departement Mond van de Maas. Hij was 1,64 lang. Had een ovaal gezicht, blauwe ogen, een gewone neus, een grote mond, en spitse kin en bruin haar en bruine wenkbrauwen. 
Verder had hij geen bijzondere kenmerken.
Hij kwam van het Bataljon 27e regiment de Ligne, waar hij op 15 augustus 1813 was aangenomen. Op 13 september 1813 ging hij over naar het 72 regiment de Ligne. Verder staat er nog al opmerking dat hij op 10 januari 1814 krijgsgevangen is genomen. 

Fantastisch dat ik deze inschrijvingen had gevonden, maar er stond eigenlijk precies hetzelfde in als in het stamboek dat ik in Nederland al gevonden had. 
Opvallend vond ik wel weer dat als vader "Winand Joseph" genoemd werd. En jaar hoor daar dook hij weer opnieuw op, meneer Buchet.

Maar mijn zoektocht hield hier natuurlijk niet op. 
Zo wou ik vorige week kijken over er nog wat nieuws te vinden was over de familie van Adrichem in het Stadsarchief van Amsterdam. 
Met het project "Vele Handen" wordt veel uit de stadsarchieven gedigitaliseerd en de site bijgewerkt. Zoals de patientenregisters van het Buiten en Binnengasthuis en de bevolkingsregisters. 
Mijn oog viel op de "Waterloo gratificaties 1815". En toetste "van Adrichem" in; geen resultaat. Omdat ik ook altijd op zoek ben waar die mysterieuze meneer Buchet nou steeds vandaan komt, toetste ik ook "Buchet" in en tot mijn grote verbazing kwam er een Joannes Buchet te voorschijn!
Ik heb wat van mijn "Vele Handen" coupons ingewisseld en zo kon ik zien dat in 1817 een Korporaal; Joannes Buchet, 29 gulden en 10 cent had ontvangen omdat hij mee had gevochten in Waterloo met het 2e Bataljon infanterie. 
Op het moment van uitkering zat hij bij het 18e regiment infanterie van de Nationale Militie.

 

Meer gegevens stonden er niet bij, maar zou dit "mijn Joannes" zijn? 
Na wat googelen, en kijken in diverse archieven zag ik al snel dat er in Nederland geen Joannes Buchet voorkomt. 

En dan laat het me niet meer los... 
Ik MOEST weten of Joannes Buchet en Joannes van Adrichem, een en dezelfde persoon zijn.
Ik weet niet eens meer HOE ik er ineens bij kwam, maar ik vond via zoekakten de militaire stamboeken, en ook die van het 2e bataljon infanterie, en daar vond ik 'm hoor,  Joannes Buchet.

 

Zoon van Willem Johannis en Adriana van Adrichem. geboren te Rotterdam op 18 december 1793. 
5 Voeten en 4 duim lang. Aangezicht; Lang, Voorhoofd; Rond, Oogen; Blauw, Neus; Ordinair, Mond; ordinair, Kin; spits Haar; blond, wenkbraauwen; idem, merkbare teekenen; geen. 
17 augustus 1814 aangenomen voor een tijd van zes jaaren. Tot Corporaal bevorderd op 1 december 1814. Op 6 november 1815 bevorderd tot Fourier. Gedane Veldtogten; 1815 in Frankrijk. 6 januari 1817 als Sergeant Majoor bij het 18e Bataljon Infanterie Nationale Militie. 

De naam van de vader Willem Johannis en de naam voornaam van zijn moeder (Adriana in plaats van Anna) kloppen niet, de geboorte datum is 18 december i.p.v. 24 december, maar verder kloppen alle gegevens die er in staan exact met wat ik in het Nederlandse stamboek, destijds in het Nationale Archief heb gevonden. En dan kun je mij niet meer wijsmaken dat dit een andere Joannes is! Dat hij Wijnandus Buchet als vader opgeeft had ik dus al eerder gezien, maar dat hij Buchet als achternaam gebruikt in plaats van van Adrichem is mij nieuw. 

Ik vond het een geweldige vondst! Ik vroeg me wel meteen af waarom in de stamboeken niet vermeld stond dat hij meegevochten heeft met bij slag van Waterloo. Maar na wat zoeken, vond ik dat vaak alleen wordt vermeld dat iemand dan in Frankrijk aan veldtochten heeft deelgenomen. 

Begin oktober heb ik het TV-programma "Dagboek van een Veteraan" gekeken, waarin Paul Rem op zoek gaat naar het dagboek van zijn voorvader Jan Rem, die gevochten heeft bij Waterloo en dat allemaal bijgehouden had. Indrukwekkend programma, vol belangstelling heb ik gekeken, niet wetende dat mijn voorvader daar ook gevochten heeft. 
Inmiddels heb ik het opnieuw bekeken, en nu met hele andere ogen. En heb ik de plekken gezien waar Joannes gevochten heeft. Een aanrader om te kijken, nu hij nog online te zien is. 


Om het beeld van Joannes in Waterloo zo beeldend mogelijk te maken, begin ik eerst maar eens wat te vertellen over het 2e Bataljon Infanterie en hoe zo'n bataljon er uit ziet. 


Ieder Bataljon bestond uit zes compagnieën. Ieder compagnie uit twee pelotons. Elk peloton bestond weer uit twee secties. En elk sectie uit twee Escouades. 
Een Escouade (Eskader) bestond uit 12 Grenadiers onder leiding van 1 Korporaal. 
De samenstelling van iedere Compagnie was: een Kapitein, een 1e-Luitenant, een 2e-Luitenant, een Sergeant-majoor, vier Sergeanten, een Fourier, acht Korporaals, twee Tamboers, een Pijper en ongeveer. 112 Grenadiers.
Dat maakt dat een Bataljon uit ongeveer 700 man bestond.

Men at twee keer per dag, te weten om 10:00 uur en om 16:00 uur. 's Ochtends was dat vaak een stevige soep, 's middags een soort stoofpot, waarin alle ingrediënten werden gekookt. Aangezien de soldaten binnen hun escouade beurtelings moesten koken was je wel afhankelijk van de kookkunst van je maten. En de korporaal mocht altijd als eerste opscheppen.

 “Voor dat wij van hier vertrokken werd aan ieder man toegedeeld voor 5 dagen meel en beschuit. Het eerste werden een zakje daartoe bestemd op de ranzel gebonden, en de beschuit voor het grootste gedeelte in een broodzak, die over de schouder gedragen werd, en het overige in de chakot en de kapotjas. De eerste dag gedurende de marsch werden er beschuit gegeten, niet alleen om de maag te vullen, maar ook om van de knellende last bevrijd te worden, die de broodzak of de band van dezelve door de zwaarte op de schouder drukt. Het meel werd des avonds op het bivouac gebruikt tot het maken van een arme jongen (meel en water tot pap gekookt), en in ruime mate werd gebruikt, niet denkende dat het voor 5 dagen was.
Sommigen maakten onder de groote rust vuuren om arme jongens te koken. Als het slagtvee in het bivouac (bivak) was aangekomen, en ieder regiment zijn aandeel daarvan had 4 ontvangen, werd het geslagt. Het werd aan de kompagnie uitgerijkt en vervolgens aan de sectiën en eskwaaders verdeeld. Hier werd soep gekookt waar de beschuit niet in werd vergeten. De eerste dagen en nachten ging het nog al wel, de volgende dag was er ook nog al voorraad, maar de derde dag begon het gebrek zich reeds te doen gevoelen. De levensmiddelen waren voor het grootste gebruikt of weggeworpen, het slagtvee kon ons niet bijhouden en kwam dientengevolge laat in het bivouac aan.” 

 Het uniform van een Grenadier van het 2e Bataljon Infanterie zag er in 1814 als volgt uit:

  •                 een wit mouwvest met één rij van 8 knopen en staande open kraag 
  • een grijze pantalon zonder band met smalle klep 
  • een paar zwarte slobkousen van imperiaal (gekeperd laken) met elk 12 knopen 
  • een grijze kapotjas 
  • een kalfslederen petje
  • Een rokjas
  • Een sjako met plaat  
  • een wit vest zonder mouwen met een zak in het rechterpand en een strook op het linkerpand 
  • een halsdas van zwart broché met koperen gesp 
  • pompons 
  • chevron galon, sabelkwasten en zwaluwnesten 

Daarbij bestond de uitrustingen ook nog o.a. uit; Een broodzak, patroontas met riem, een paar handschoenen met kappen, een schootsvel, een ransel, watertonnetje, kammen, borstels, sabel, musket geweer met bajonet. 

Elk Escouade had 1 hakmes en fourageerzak, bidon, soepbak en een zesmans kookketel. Verder beschikte elk Bataljon over drie bijlen, een zaag, een pikhouweel, een schop en een spade.  

De bataljons sliepen in een bivak, dit is een tentenkamp waar de soldaten en kampvolgers werken, eten en slapen. Een dergelijk kamp was een plek waar het leger werd verzameld om zich voor te bereiden op een komende campagne. De officieren en manschappen werden maanden in tenten ondergebracht; in de loop van de tijd bouwden de soldaten het bivak uit door paden, heggetjes, aarden wallen, hutten en boomgaarden aan te leggen. Ook trok een dergelijk legerkamp veel handelaren aan, die zich in de buurt vestigden. 



Op de achterste rij van zo'n kamp was de straat van Marketentsters. Hier kon je van alles vinden, speel en koffiehuizen, logementen, horlogemakers, apothekers, slagers, kruideniers en danszalen. Je kunt het zo gek niet bedenken.
Het kamp werd door veel vreemdelingen bezocht. Mensen kwamen op familiebezoek, of hun geliefde opzoeken, sommigen kwamen om zich te laten vermaken of om winst te maken op hun handel. Op zon en feestdagen konden er in zo'n kamp wel 1000 rijtuigen uit heel het land staan. Meestal waren er dan grote parades, algemene inspectie of grote oefeningen met vuur. Bij dat laatste moesten de mannen van 's morgens 6 uur tot 's middags 2 uur onder de wapens. Nat van het zweet, zwart van het kruitdamp en met lege magen keerden de mannen dan terug nar hun tenten om aan het werk te gaan met het schoonmaken van hun kleding en wapens. In de tussentijd maakten de koks de tafels klaar en werd er gegeten. 

Na het eten trekt iedereen zijn zondagse (leger)tenue aan en gaat op zoek naar vertier. Die dag was er dan geen appél meer en de taptoe werd 's avonds twee uur later geslagen. 

Bivak (Bron: Grenadierscompagnie.nl)
"Men kan zich geen denkbeeld vormen van het gewoel, gezing, gedans, gespeel, gewandel en gekijk dat toen plaats had. Daar waren liefhebberij comediën en dansballen die tot des morgens duurden. Des anderen daags morgens zag men troepsgewijze met ledige zakken berooide hoofden de kamp verlaten en de gewone dienst werd door de manschappen met een opgeruimd gemoed weder aanvaardt"

De slag bij Waterloo

Nu je je een beetje een beeld kunt vormen hoe het er uit zag in zo’n Bataljon, doe ik hieronder een verslag van de slag bij Waterloo vanuit het 2e Bataljon Infanterie 
(afgekort BI2) waar Joannes in 1815 in diende.

In 1814 ging het bevel van het 2e Bataljon Infanterie over op Luitenant Kolonel 
J. Speelman. Het bataljon was ingedeeld bij de 1e Brigade van de 3e Nederlandse Divisie. Deze divisie stond onder bevel van Luitenant General H.G. Baron Chassé. Aan het hoofd van de 1e Brigade stond Generaal Majoor H. Detmers. De divisie had haar hoofdkwartier te Braine le Comte; het 2e bataljon Infanterie van Linie lag gelegerd te Faij. 

In de veldslagen van de napoleontische tijd was een hoofdrol weggelegd voor de infanterie. Die was gestoken in kleurige uniformen, gewapend met voorladende geweren en gedrild om tijdens een gevecht op de maat van de trom manoeuvres uit te voeren. Oprukken deed de infanterie in colonne. Maar als het vuur geopend werd was de linie de aangewezen formatie, omdat zo de grootste vuurkracht ontwikkeld kon worden. In lange rijen opgesteld kon de ene soldaat vuren terwijl de man achter hem herlaadde, en omgekeerd – laden kostte nogal wat tijd.

Begin juni 1815 waren de voorbereidingen voor een invasie in Frankrijk in volle gang. De eerste berichten over een Franse opmars kwamen binnen op 14 juni. De Nederlandse troepen werden gestationeerd bij Quarté-Bras. 

Op 16 juni vielen Franse troepen de Nederlandse troepen aan bij Quarté-Bras. De 3e Nederlandse Divisie werd naar de gevechten toe gedirigeerd maar maakten geen gevechtscontact. Wel kregen ze het bevel om ‘s avonds naar Nivelles te gaan. 

“Het goede weer scheen ons te verlaten, zware regen buijen bleven aanhouden tot den 18den.”

Op 17 juni marcheerde de divisie in de stromende regen naar hun nieuwe positie op de rechterzijde van de geallieerden rond het dorpje Braine l'Alleud. Hier zou Chassé met zijn divisie moeten standhouden ten einde de rechterflank van de Geallieerden te dekken. 

“Wij marcheerden anderhalf uur, alwaar wij onzen vijand ontmoetten, die ons verwelkomde met zes, twaalf, achttien en vierentwintig ponders, waarop wij hen met dito soort bedankten tot de avond inviel en wij ons bivouac opsloegen.”

Het geallieerde leger werd opgesteld langs de weg Nivelles-Ohain. De 3 Nederlandse divisie stond opgesteld op een moerassig terrein dat werd gedekt door heggen en bosschages. 

“Wij bragten dien nacht door in groote ellende en verlangden naar de dage raad. We konden niet liggen of zitten van wege regen en koude, honger en dorst, en stonden al over de kuiten in den modder.” 

De 1e Brigade van de 3e Nederlandse Divisie stond als volgt opgesteld: 
3 bataljons voor het dorp, 2 bataljons in reserve op het dorpsplein, en 1 bataljon ten oosten van het dorp om contact te houden met de geallieerden.
Een groot gedeelte van de manschappen bleef lange tijd buiten de gevechten. 

Het dorp Braine l’Alleud werd gebarricadeerd omdat Chassé niet beschikte over cavalerie en beducht was op een mogelijke aanval van de Franse lichte cavalerie. 
De chef-staf, Majoor Generaal. J.V. baron de Constant Rebecque, kwam de 3e Nederlandse Divisie inspecteren en gaf orders om Braine l’Alleud kostte wat kost te verdedigen. 
De 3e Nederlandse Divisie kreeg de order om op te trekken en een positie dichter bij de 2e Britse Divisie in te nemen. De manschappen beseften dat ook zij wel eens in de gevechten betrokken konden worden en begonnen zich voor te bereiden. 
De divisie trok om ongeveer 11:00 uur op in carrés en nam eerst een positie in buiten het dorp, waar men een uitstekend overzicht had van de gevechten die inmiddels waren begonnen. 
Hier verloor de 1e Brigade bijna haar commandant: een Franse kanonskogel sloeg in de grond vlak voor het paard van Detmers. Het paard steigerde, maar hij gaf geen krimp en wist het paard tot bedaren te krijgen. 

De Geallieerde linie had veel te lijden onder de aanhoudende Franse aanvallen; In de loop van de middag werden de eerste Pruisische troepen gesignaleerd. Napoleon moest nu zijn Jonge Garde inzetten om de Pruisen zo lang mogelijk op afstand te houden ten einde tijd genoeg over te houden om de Geallieerden voor zich te verslaan.

De 1e Brigade werd in linie opgesteld achter en langs de weg. De divisie werd door de Franse artillerie onder vuur genomen en vervolgens aangevallen door Franse cavalerie, waarop carrés werden gevormd om de aanvallen af te slaan. Hierbij stelde de infanterie zich op in een vierkant, met de geweren naar buiten gericht, zodat de aanvallers zich wel even bedenken voordat ze zich in de bajonetten haag stort. 

De eerste linie had vele te lijden van het Franse vuur. De divisie bleef zo tot 18:00 uur staan, telkens wisselend van positie en formatie, waarbij de veteranen de grootste moeite deden om de jongere soldaten in het gelid te houden. 

In een laatste poging om de geallieerde linies te doorbreken stuurde Napoleon zijn laatste reserves, de Keizerlijke Garde, het plateau op waar ze onder vuur werden genomen door de geallieerden. Ondanks deze zware beschietingen bleven de Fransen oprukken. 

Een aantal Britse eenheden sloegen op de vlucht nadat ze de hele dag onder zwaar vuur hadden gelegen. Daardoor was nu op de rechtervleugel een opening ontstaan waar de Franse garde het nu op had voorzien. Generaal Majoor Detmers kreeg het dringende verzoek om drie bataljons in de voorste linie op te stellen. 
Detmers liet o.a. het 2e bataljon infanterie oprukken. Chassé liet de overige bataljons volgen; de gehele brigade, 6800 man, stond nu opgesteld achter de geallieerde linie. Chassé sprak zijn mannen toe: “[…] jullie zullen de tweede linie verlaten en vooruitgaan naar de voorste, blijf kalm, vertrouw op mijn leiderschap en vooral op jullie officieren. De slag is nog niet beslist, maar het zal jullie veel voldoening geven om aan de beslissing te hebben bijgedragen.”





De divisie ging voorwaarts, de garde tegemoet. Wat volgde was een vuurgevecht, waarbij beide zijden enkele salvo’s losten; de Nederlandse en Belgische soldaten waren geprikkeld dat ze er niet op af mochten gaan met de bajonet om de vijand te verdrijven.

"Voorbij gierende kanonskogels rukten ledematen af en er vielen her en der gaten in de linie. In het midden van de carrés lagen gewonden rond de vaandels, die doorzeefd waren met kogelgaten. De officieren moesten manschappen naar voren duwen om de gaten in de carrés op te vullen."

Opnieuw ging de Franse Garde vervolgens ten aanval. Als uiterste middel was er de stormaanval met bajonet op het geweer om de vijandelijke linies te doorbreken. Chassé besloot om zo de Fransen te verdrijven; hij trok zijn degen en riep: “Voorwaarts generaal Detmers en val aan met de bajonet!” De Rijdende Artillerie snelde wederom voorwaarts en opende het vuur, waarbij ze de oprukkende colonnes veel schade toebrachten. De infanteristen stormden voorwaarts, wild enthousiast, sommigen met de sjako’s op de bajonet, onder het geroffel van de trommen en de roep: “Leve de Koning! Oranje boven!”

  
de divisie van Chassé rukt op in de slag bij Waterloo

Het was een chaos op de velden ten zuiden van Waterloo. Er klonk een oorverdovend kabaal van knetterende musketten, bulderende kanonnen en kletterende sabels. Overal hing een verstikkende kruitdamp, zodat de soldaten geen hand voor ogen kon zien. De drassige grond lag bezaaid met lijken en gillende gewonden, zowel mensen als paarden. 

“De Cavalerie en de oude keizerlijke garde van Frankrijk drongen nu met geweld op ons aan. Het gevecht werd thans met woede gevoerd.”


De troepen van Detmers achtervolgden de vijand tot voorbij Hougoumont. 1e Brigade verdreef in een verwoede aanval de Fransen uit de boomgaard van La Haye Sainte. Het 2e Bataljon Infanterie kwam in gevecht met een eenheid Garde Grenadiers. Uiteindelijk passeerden de bataljons de straatweg naar Brussel en ze de “Grande Batterie”, passeerden de kanonnen en de munitiewagens en bleven de Fransen achtervolgen tot voorbij deze positie. Chassé sprak Luitenant Kolonel Speelman toe: “Kolonel Speelman, voorwaarts! Haast u, val aan met de bajonet, de Fransen wankelen, ze vallen terug!”
                Het 2e Bataljon Infanterie ging in de aanval, vooraf gegaan door de Rechter flankcompagnie.

Een kwartier nadat 1e Brigade, 3e Nederlandse Divisie de aanval had geopend en de Fransen achtervolgde gaf Wellington het signaal voor de algehele opmars van het Geallieerde leger. Hij slaagde er in de aanval van de de Keizerlijke Garde af te slaan. Tot hun grote verbazing zagen ze dat de garde op de vlucht sloeg, dat hadden ze in al die jaren nog nooit gedaan. ‘Le Garde recule!’ klonk het verschrikt in de Franse gelederen. Napoleon vluchtte onder dekking van het 1er Grenadiers van de Garde, terwijl de Franse soldaten met duizenden in paniek maakten dat ze wegkwamen. De Nederlandse en Geallieerde troepen bleven hen achtervolgen tot de avond viel, daarna gingen de Pruisen tot de achtervolging over. 

Toen de kruitdampen waren opgetrokken, lagen er op de velden bij elkaar meer dan 10.000 doden en 35.000 gewonden. De Nederlandse troepen sliepen die nacht in dit open veld te midden van de verschrikkingen van de slag, de honderden gesneuvelden en het kermen van duizenden gewonden.
 's Nachts werden de doden massaal beroofd en de gewonden aan hun lot overgelaten. 
De aanval van 1e Brigade, 3e Nederlandse Divisie was een kostbare geweest: het overweldigende succes was ten koste gegaan van grote verliezen. 2e Bataljon Infanterie verliest 19% van haar officieren en minderen. 

"Ik zal wel niet behoeven te melden hoe het slagveld er uit zag, daar de geheelde dag met de uiterste hardnekkigheid was gestreden. Daar waren op dit slagveld duizenden van dooden en gekwetsten. De regen die er daags was gevallen bragt het zijne ook bij om het akelige te vermeerderen. Men was op sommige plaatsen genoodzaakt om er tot aan de enkels in de plassen bloed met regenwater gemengt te loopen." 



En zo eindigde de slag bij Waterloo. Joannes en zijn divisie begonnen aan de opmars naar Parijs. Onderweg deserteerden en plunderden de manschappen, zodat er moest worden ingegrepen. De 1e divisie namen de vestingen Le Quesnoy, Valenciennes en Condé in. Op 1 juli losten de Nederlandse troepen de Pruissen in Parijs af. Op 7 juli bezetten ze het Bois de Boulogne, waarna zij er hun Bivak inrichtten. 
De troepen van de 3e Nederlandse Divisie hadden veel te lijden van ziekten, wat tot veel slachtoffers leidde. 
In 1816 keerde het 2e Bataljon Infanterie van Linie terug in Nederland.
Waarna Joannes op 6 januari 1817 als Sergeant Majoor wordt benoemd van het 18e Bataljon Infanterie Nationale Militie. 

Hoewel de 3e Nederlandse Divisie een grote rol heeft gespeeld in het laatste deel van de slag bij Waterloo, zijn hun daden nauwelijks erkend. Wellington doet in zijn verslag geen melding van de aanval van de divisie van Chassé. Ondanks toezeggingen van Britse generaal Lord Hill, die het aandeel van het Nederlandse leger erkende, is deze weglating nooit gecorrigeerd. 

 Als dank voor hun aandeel in de slag bij Waterloo kregen ze van Wellington wel een gratificatie. Voor de 6e klasse; Korporaals, Tamboers en soldaten, was dit 61 francs en 60 centimes (29 gulden en 10,5 cent) dat is omgerekend nar deze tijd ongeveer 300 euro. 

Pas 50 jaar na de slag bij Waterloo, in 1865 kregen oud-strijders, bij de herdenking, van Koning Willem II een zilveren Herdenkingskruis. Joannes was toen al 2 jaar overleden, dus erkenning voor zijn daden heeft hij niet gehad. 


Van de 30.000 Nederlandse soldaten die meevochten in 1815, waren in 1865 nog maar 5000 soldaten in leven. Pas in 1890 kende Koningin Wilhelmina aan het handjevol toen nog levende dragers van de herdenkingsmedaille een jaarlijkse toelage van 150 gulden toe. 

Tot 1940 was 18 juni een Nationale feestdag in Nederland waar mee het einde van de Franse bezetting werd herdacht. 

 Bronnen: 2ebgc.nl, grenadiercompagnie.nl, wikipedia, npogeschiedenis.nl, de quotes zijn uit het boek "een Veteraan" van Jan Rem