woensdag 19 juli 2017

Over bijzondere ontmoetingen en bijzondere plaatsen


Dat stamboomonderzoek kan leiden tot bijzondere mailcontact met verre familieleden heb ik al meerdere malen ondervonden. Maar dat het ook zou leiden tot echt een grotere familie had ik niet verwacht. Toch begint mijn familie langzaamaan groter te groeien.

In januari van dit jaar had ik samen met mijn achterneef (waar ik ook pas afgelopen jaar kennis mee heb gemaakt) een bijzondere ontmoeting met een achterachterneef en zijn zus van de kant van de familie Hekke. We werden warm welkom geheten in de woning van onze achterachterneef. Het voelde allemaal al meteen heel vertrouwd en we praatten alsof we elkaar al jaren kenden. Prachtige verhalen over de familie Hekke werden uitgewisseld en fotoalbums werden erbij gehaald. De resultaten van jaren van stamboomonderzoek werden vergeleken. En zo kregen we een paar bijzondere verhalen te horen.  
Afgelopen week moest ik mijn zoon ophalen van kamp in Wilsum, Duitsland. Een rit van een klein uurtje, onder andere langs Nordhorn. Het zou een prachtige dag worden en ik besloot op tijd weg te gaan en een middagje Nordhorn er bij aan te plakken om de plaatsen op te zoeken waar mijn voorouders van de familie Hekke gewoond, gedoopt, getrouwd en overleden zijn.


Zittend rechts naast de bruidegom Maria Adelheid Unland met haar man Heinrich Alberink, 
Staand 3e van links, Wilhelmina Getruda Hekke met daarnaast haar man Heinrich van Adrichem. 


Als eerste zocht ik het huis op waar mijn betovergrootmoeder Maria Adelheid Unland heeft gewoond met haar tweede man Heinrich Bernard Alberink. Maria Adelheid Unland kreeg met haar eerste man Hendrikus Hekke acht kinderen. Een van die kinderen was Bernard Michael Hekke, de overgrootvader van de achterachterneef en –nicht waar we in januari zijn geweest. Wilhelmina Gertruda Hekke was een ander kind van het echtpaar en is de overgrootmoeder van mij en mijn achterneef.
Maria Adelheid Unland
Hendrikus Hekke overleed in 1906 op slechts 42 jarige leeftijd aan een longontsteking. Zijn weduwe Maria Adelheid was toen 38 jaar. Twee jaar na zijn overlijden trouwde Maria Adelheid met Heinrich Alberink. En samen kregen ze nog drie kinderen. Helaas zijn ze alle drie op tragische wijze overleden. Het jongste dochtertje van het echtpaar, waaraan Maria Adelheid op 46 jarige leeftijd het leven schonk overleed aan wiegedood, en terwijl de familie rouwde om het verlies van de kleine Anna, ontsnapte de drie jarige Herman aan de aandacht en verdronk het mannetje in het water nabij… De enige zoon die wel in leven bleef werd in de tweede wereldoorlog doodgeschoten in Rusland. Maria Adelheid was op dat moment al overleden, misschien gelukkig maar, want ik vraag me af hoeveel leed een mens kan dragen.

Maria Adelheid Unland(met bezem) en familie
Het huis waar het echtpaar Unland-Alberink woonde had ik snel gevonden in Nordhorn. Een doodlopende straat in een typische Duitse woonwijk met achter een bosschage het Almelo-Nordhorn Kanaal. 

Daarna ben ik naar het centrum gereden, op zoek naar de St. Augustinuskerk. Door de mooie grote koperen koepel op de kerk had ik het gebouw al snel gevonden. 

St. Augustinuskerk Nordhorn
De voordeur stond open, en na enige aarzeling ben ik toch maar naar binnen gestapt. Binnen was het heerlijk koel en stil. Ik was de enige bezoeker in die grote kerk en kon op mijn gemak alles bekijken. Toen ik even op een bankje alles liet bezinken zag ik voor me ineens de doopvont staan waarin vele familieleden in zijn gedoopt. Waaronder mijn betovergrootmoeder Maria Adelheid Unland in 1868.


Doopvont St. Augustinuskerk
Hoewel de huidige St. Augustinuskerk pas in 1913 werd voltooid, worden er al vanaf 1823 katholieken uit Nordhorn in deze doopvont gedoopt. Al vanaf 1578 behoorde dit kleine eiland in de vecht met zijn burcht tot de katholieken van Augustinus. In 1579 werd op deze plek aan de Burgstraße een Residentie huis en kapel gebouwd. In de jaren die volgden werd deze plek meerdere malen bestormd en geplunderd en stortte het gebouw in. In 1712 werd er hier opnieuw een “Kirchlein” gebouwd waarin de Heilige Augustinus werd geweid. Aan het begin van de 19e eeuw verloren de katholieken door securalisatie* hun kerk op de burcht en belande in handen van drie Marktkoopmannen uit Nordhorn. Voor 6200 gulden werd de kerk uiteindelijk weer terug gekocht door de gemeente.
Residentiehuis en `Kirchlein` 1893
Vanaf 1826 werd het gebouw omgebouwd en tot kerk gebruikt tot 1908. 
Al vanaf het midden van de 19e eeuw werd er gedacht aan de bouw van een nieuwe kerk, maar door het tekort aan geld en een opnieuw een oorlog werden de plannen uitgesteld. Met de eeuwwisseling werden de plannen weer uit de kast gehaald maar opnieuw was er niet genoeg geld. Daarom werd er naast de oude kerk in 1907 een noodkerk gebouwd om de flink uitgebreide katholieke bevolking een plaats te geven.

Rechts vooraan de nieuwe Augustinuskerk, daarnaast met torentje de noodkerk (1913)
Door de groei van de textiel industrie nam het aantal parochianen zo snel toe dat ook de noodkerk niet meer voldeed. In 1910 werden er al 2.300 Katholieken geteld. In dat jaar werd er mede door toedoen van enkele vooraanstaande textielfabrikanten in Nordhorn genoeg geld bij elkaar gebracht om een nieuwe kerk te bouwen.

Bouw van de nieuwe kerk
In 1911 werd begonnen met de bouw van de nieuwe St. Augustinuskerk op de plek waar de oude kerk stond. Na de bouw, die twee jaar duurde werd het oude doopvont, die steeds mee was verhuisd van het residentiehuis, naar de noodkerk, weer in de nieuwe kerk geplaats.

*Secularisatie is het onteigenen van bezit van de Kerk. Het gaat hier dan meestal om het bezit van land en kloosters dat overgaat van de Katholieke Kerk op de staat.


Nadat ik de kerk had bezichtigt liep in naar het stadspark dat pal naast de kerk ligt. Op zoek naar de oude oliemolen. In de kolk voor deze molen verdronken in 1936 mijn bet-betovergrootmoeder Maria Cecilia Spierts op 75 jarige leeftijd tijdens het doen van de was. 


Kolk bij de Oliemolen in Nordhorn
Nu staan er rondom de kolk volop borden met waarschuwingen om niet te dicht bij het snel stromende water te komen. Maar in 1936 zal het normaal geweest zijn dat de vrouwen uit de omgeving hierin hun was deden. 
Kolk bij de Oliemolen


Ik stel me zo voor dat deze oude vrouw haar evenwicht niet meer kon houden toen ze haar wasgoed uit wou spoelen en voorover in het water viel. Door een combinatie van het snel stromende water, haar lange zware rokken die haar naar beneden trokken en het gebrek aan zwemervaring zal ze heel snel al niet meer te redden zijn geweest.

Overlijdensakte Maria Cecilia Spierts
Nordhorn, 21ten Juni 1904, Vor dem unterzeichneten Standesbeamten erfahlen heute der Persönlichkeit nach bekannt der Fabrikarbeiter Egbert Heinhuis, wohnhaft in Frensdorf und zeigte an, daß die Wittwe Maria Cecilia Hekke geboren Spiertz, 75 Jahre alt, katholischer Religion, wohnhaft in Frensdorf, geboren zu Arnheim in den Niederlanden - verheirathet gewesen mit dem verstorbenen Kutscher Michiel Hekke, Tochter der Eheleute (Name unbekannt), zu Nordhorn, im Oelmühlenkolk am zwanzigsten Juni des jahres tauzend neunhundert und vier Vormittags vier im Mühlenkolke todt aufgefunden sei. Der Anzeiger erklärte daß er aus eigener Wissenschaft unterrichtet sei.

Mijn lunch had ik meegenomen en zittend op een bankje in dat prachtige park met uitzicht op de kerk en het geluid van het water in de oliemolenkolk op de achtergrond heb ik daar gegeten met als enige gezelschap een konijn. 


Soms zou ik graag een tijdmachine willen uitvinden om een kijkje te nemen in het leven van al die mensen waarvan ik het bloed door mijn aderen heb stromen, maar dichter dan waar ik op dat moment was kan ik helaas niet meer bij ze komen.


Al gauw was het tijd om naar Wilsum te vertrekken. Mijn planning was nog even langs het katholieke klooster in Fernswegen, maar toen ik daar aankwam was de zon verdwenen achter de wolken en kwam het met bakken uit de hemel. 
Klooster Frenswegen
Mooi hoe een onverwacht mailtje van een ver familielid me op bijzondere plaatsen brengt. En bij die ene ontmoeting in januari blijft het niet bij, want binnenkort gaan achterneef en ik op bezoek bij de broer van de achterachterneef waar we eerder zijn geweest. Ik denk dat dit weer een bijzondere ontmoeting gaat worden! 

zaterdag 15 juli 2017

Familie van Adrichem in Nederlands-Indië

Ineens staat Derk Bolt achter me en wijst me op twee vrouwen aan een tafeltje. Op de tafel zie ik een naambordje "van Adrichem". Beiden vrouwen hebben lang zwart haar en een licht getinte huid. De oudste van de twee heeft grijze strengen in haar haar waardoor ik vermoed dat het moeder en dochter zijn. Als ze me aan horen komen lopen draaien ze zich tegelijkertijd om. Ik wordt verrast door licht Aziatische trekken in de gezichten van de vrouwen in combinatie met kenmerken die me zo ontzettend bekend voor komen en vertrouwd voelen. Derk Bolt duwt me naar voren en zegt; "Ik heb familie van je gevonden". Nog voor dat hij verder kan gaan ben ik al aan het huilen. Grote dikke tranen lopen langs mijn wangen omlaag. De oudste vrouw spreidt haar armen en omhelst me. Er komt geen geluid meer uit mijn mond en ik heb een zere keel. De woorden blijven steken, maar ik wil ze zo graag zeggen dat ze zoveel op mijn overgrootvader lijken. Ik wil zeggen dat ik zo blij ben dat ik ze eindelijk na zo lang zoeken gevonden heb, maar woorden blijken niet nodig. Ze begrijpen me zonder dat ik wat hoeft te zeggen. Het liefst wil ik meteen alles van ze weten maar ben bang dat ik ze met mijn enthousiasme afschrik. Van blijdschap en trots barst ik bijna uit elkaar. Eindelijk heb ik de familie heb gevonden. Ik geloof niet dat ik me ooit zo gelukkig heb gevoeld, maar een piepend geluid maakt een einde aan dat gevoel. Mijn wekker gaat en de beelden in mijn hoofd lossen langzaam op. En de werkelijkheid dringt tot me door... het was allemaal maar een droom. Ik ben zo druk bezig geweest me de zoektocht naar de nazaten van Hendrik Wijnandus Arie van Adrichem en zijn inlandse vrouw Estie dat ik er al over begin te dromen. Ik voel me teleurgesteld maar toch vastberaden om verder te gaan met zoeken, net zolang tot ik ze heb gevonden.

In de dagen voorafgaand op mijn droom heb ik wederom een oproepje geplaatst op het stamboomforum met de vraag of er iemand met verder op weg kon helpen met het zoeken naar de familie van Adrichem in Nederlands-Indië. Eerder schreef ik al in al mijn enthousiasme over het vinden van de overlijdensdatum en het huwelijk van Hendrik in Bandoeng. Het verhaal van Hendrik laat me niet los en ik wil zo graag weten of de kinderbedjes en het speelgoed die bij zijn sterfboedel verkocht werden ook daadwerkelijk van zijn kinderen waren.

Na wat heen en weer gevraagd op het forum komt een meneer ineens met vijf namen inclusief plaatsnamen en data:

  • Hendrik van Adrichem, Bandoeng, erkenning 19 april 1899 
  • Johanna van Adrichem, Bandoeng, erkenning 7 mei 1901 
  • Arie van Adrichem, Buitenzorg, erkenning 7 augustus 1903
  • Johan van Adrichem, Bandoeng, 3 december 1906 
  • Paulina van Adrichem, Bandoeng, erkenning 10 december 1908

Ik spring weer bijna van mijn stoel van opwinding. Zouden dit de kinderen van Hendrik en Estie zijn? Op de naam Paulina na, kan ik ze allemaal herleiden als vernoemingen van de ouders van Hendrik. De gegevens kommen uit de Regerings Almanaken van Nederlands-Indië. Meer dan de informatie die hierboven staat is niet in de Almanakken te vinden.
Heeft Hendrik 12 jaar nadat hij voet heeft gezet in Nederlands-Indiè er een gezin gesticht?

Ik begin te googlen en de derde pagina is meteen een voltreffer. Op Open Archieven staat een registratie van Johan van Adrichem geboren op 3 december 1906. Het zijn de Interneringskaarten van de kampen in Japan in de periode 1942-1946. Gelukkig staat de scan er bij.

Interneringskaart Johan van Adrichem

De kaart staat vol Japanse tekens maar één ding zie ik meteen:
Fathers name: Adrichem, H.W.A. v. met een dikke rode streep erdoor. Mothers name: Estie.
Yes! Dit is 'm! Dit is mijn bewijs, de kinderen van Hendrik en Estie zijn gevonden! 

 Na wat verder speuren kan ik uit de kaart opmaken dat Johan opgepakt is in Bandoeng aan de Tjiliwoenglaan 13 op 17 augustus 1942. Het bericht van zijn gevangenneming is naar zijn moeder Estie gegaan die aan de GG (gang) Effendi binnen nr 6 woont. Johan behoorde tot de Landstorm afd. Batavia hij is soldaat 2e klasse Infanterie. Daarvoor was hij monteur bij het provinciale Zoutbedrijf.
Na wat vergelijkingen met andere kaarten denk ik dat Johan in een POW Prisinor of War Camp heeft gezeten op Java en daarna is verplaatst naar Thailand. Verder lukt het me niet om wijs te worden uit de vele Japanse tekens. Wel zie dat zijn registratie op Open Archieven is gekoppeld aan een foto op online-begraafplaatsen.nl Op de algemene begraafplaats te Dodewaard ligt een gevallen grafsteen met daarop de tekst:
Hier rust in Jezus, 
onze lieve zorgzame vrind, oom en broer. 
Johan van Adrichem 
geb. 3-12-1906 Overl. 3-2-1971

Er staat niet, geliefde vader of geliefde man... dus hier maak ik uit op dat Johan ongehuwd en kinderloos is gestorven. Maar er staat ook geliefde oom, dat betekend dat er in elk geval één kind van Hendrik kinderen heeft gekregen en er misschien nog wel nazaten rond lopen.

Grafsteen Johan van Adrichem
Verder heb ik via Google niets vinden, maar de online krantenbank op Delpher.nl is daarna mijn beste zoekvriend. 

Van dochter Paulina van Adrichem vond ik de aankondiging van een huwelijk met Nicolaas Dirk Tessensohn op 26 Juni 1928.

In de Preanger-Bode van 1934 vind ik dat Nicolaas Dirk Tessensohn een jaar verlof naar Europa verleend krijgt wegens langdurig dienstverband. Hij is dan technisch commies bij den Ind. Centr. Aanschaffingsdienst. In het Soerabaijasch Handelsblad vind ik op 15 mei 1934 het vertrek van N.D. Tessensohn, zijn vrouw en twee kinderen naar Nederland. Daarna wordt het stil. Alleen een berichtje dat Nicolaas Dirk Tessensohn op 28 november 1970 in Den Haag is overleden heb ik nog kunnen vinden.

Johanna van Adrichem gaat in 1921 in opleiding voor telefoniste bij de PTT en wordt in 1939 bevorderd tot hoofdtelefoniste van het telefoonnet van Bandoeng. 
Op 4 november 1962 wordt de op 7 mei 1901 in Tjipatat geboren Johanna van Adrichem, woonachtig in ´s Gravenhage genaturaliseerd. 

Naturalisatie Johanna van Adrichem

Mogelijk is Johanna ook de spijtoptant J.van Adrichem 1958-1961 die ik tegen kom met een vermelding in het nationaal archief. 

In de kranten op Delpher vind ik een verloving op 31 december 1927. In Meester Cornelis verloven Joh. van Adrichem en Harry Meelhuysen zich.
  

Maar in een bidprentje die ik vind, vermeld dat Johanna, als weduwe van L.A. Michael op 78 jarige leeftijd is overleden. Ze werd geboren op 17 mei 1901 in Tjipatat, Indonesië en overleed op 22 januari 1980 in Den Bosch. De data kloppen, misschien dat het een tweede huwelijk is geweest. Meer heb ik helaas niet kunnen vinden.
Bidprentje Johanna van Adrichem

Van zoon Hendrik van Adrichem kan ik helemaal weinig vinden. Het enige wat ik aantref is een krantenartikel waarin staat dat van Hendrik op 26 januari 1915 een fiets wordt gestolen. 
Bijschrift toevoegen
Ook over Arie van Adrichem is nauwelijks iets te vinden. Hem kom ik in januari 1935 tegen als Goedang (pakhuis) Employee in suikerfabriek Tjoekir in Soerabaja tegen. En daar blijft het dan ook bij. 


Over Johan van Adrichem vind ik nog dat hij in 1939 ook werkt in de suikerindustrie. Op plantage Ponen in Soerabaja komt hij in Juni 1939 als tijdelijke snijveld employee werken. In november vertrekt hij weer.  In de tijd waren er zo´n 185 suikerplantages op Java! 

In 1935 vind in een J. van Adrichem die is geslaagd voor zijn of haar toelatingsexamen op de H.B.S. in Medan. Het allerlaatste wat ik op Delpher vind is een verloving tussen B.W. van Thiel-Bresser en J. van Adrichem. op 12 mei 1953. Maar welke J. van Adrichem bedoeld wordt is mij niet helemaal duidelijk. 


Via Stichting Indisch Familiearchief kreeg ik nog wat informatie toegestuurd. Zoals waar Hendrik Wijnandus Arie van Adrichem heeft gewerkt. Nadat hij in 1887 in Nederlands-Indiè is aangekomen heeft hij waarschijnlijk na zijn eerste 6 jaar in het leger nog eens voor 6 jaar bijgetekend. In 1899 zal zijn diensttijd er op hebben gezeten. Dat is ook precies de periode dat zijn eerste zoon Hendrik geboren wordt.
In 1906 was Hendrik Wijnandus opzichter op de theeplantage Tjiogrek in Buitenzorg. Opzichter dus, geen eigenaar zoals het verhaal in de familie gaat.
In 1907 was hij employee bij Onderneming Agrasari in Bandoeng. In 1908 werkte hij in Warna Garoet bij Ond. Tjempaka. In 1912 werkte hij bij Soerau (gebedshuis) in Garoet. Volgens de Regerings Almanakken werkte hij in 1913 in Daradjat in Garoet. Dat is op zich best knap als je bedenkt dat hij in 1912 al is overleden.



Ook vonden ze het grafschrift van Hendrik. Op de oudste begraafplaats van Bandoeng moet zijn graf hebben gelegen. 
Hier rust
Hendrik Wijnandus Arie
van Adrichem
geb. te Ommen 19-9-1861
overl. te Bandoeng 13-10-1912 

Ook hier kloppen de data niet. 
Hendrik is op 28-4-1861 geboren in Ommen en gestorven op 19-9-1912 te Bandoeng. 

Zou de oudste begraafplaats van Bandoeng nog bestaan, zou Hendrik er nog liggen. Op een aantal vragen heb ik eindelijk antwoord gekregen, maar zoals ik al eerder schreef, elke beantwoorde vraag roept bij mij nog meer nieuwe vragen op. 

Een cd rom met daarop de Regerings Almanakken van Nederlands-Indië heb ik gereserveerd via de bibliotheek waar ik werk. Ik hoop daar nog meer informatie op te vinden. Al heb ik begrepen dat de burgerlijke stand na 1922 helaas niet meer geregistreerd werd. Maar toch zeg ik nogmaals

Wordt Vervolgd....

donderdag 18 mei 2017

De familie Ruiten

Dat mijn voorouders via mijn moeders kant van het eiland Schokland komen, daar schreef ik HIER en HIER al eens over. Zowel via de familie Mossel als via de familie Ruiten heb ik ook schokkerbloed en daar ben ik trots op! 

Nu is het zo dat de wortels van de Schokker familie Ruiten eigenlijk helemaal niet in Schokland liggen. De familie Ruiten, Ruijten, Reuten of Reuthen zoals ze ook wel genoemd worden, komen namelijk oorspronkelijk uit het plaatsje Stevensweert in Limburg. 
Stevensweert ligt samen met het plaatsje Ohé en Laak op een eilandje gevormd door twee zijarmen van de Maas, de Grensmaas en de Oude maas. In 1633 werd door de Spaanse veldheer Francisco de Moncada werd het oude plaatsje tot vestingsstad omgebouwd. Er werd een aarden vestigingswal met zeven bastions en vijf ravelijnen aangelegd. Het stadje, met zijn nu 1660 inwoners, heeft tot op heden nog steeds zijn zevenhoekige vorm weten te behouden.

Zo rond die tijd werd in Stevensweert Godefridus Hendriksz Reuten geboren, hij was een zoon van Hendrik Reuten en Odillia Luttiens. Hij trouwde op 3 februari 1665 in het plaatsje Stevensweert met Maria Welters en samen kregen ze drie kinderen. Bij de geboorte van de laatste dochter gaat het mis en overlijd Maria Welters de dag na de bevalling.  
Een jaar na het overlijden van zijn eerste vrouw trouwt de 35e jarige Godefridus, roepnaam Geurt, opnieuw. Ditmaal met Odilia Schreurs, de 26e jarige dochter van Christiaan Schreurs en Johanna Vogels. Met Odilia, die ook wel Dileken wordt genoemd krijgt hij nog eens 8 kinderen. Geurt is Schepen van Stevensweert en van Ohé en Laak.

Een jaar na het huwelijk moet Geurt verschijnen bij de schout van Stevensweert omdat hij zich "heeft durven verstouten nu eenige tijt geleden de dochter van Tilman Welters, met name Jenike Welters' waldtdaedelick met eene dichte dorens stock te slaen. In der voegen dat haere armen, lindenen ende rugge 't enemael blauwe ende swart, oock op haer hoeft butsen en nutsen, weshalve sij van alsulke slagen heeft, moeten te bedde liggen, zijnde in perikel van leven of sterven"
Oftwel hij heeft de zus van zijn eerste vrouw zo bont en blauw geslagen dat ze op het randje van de dood ligt. Leuke man die voorouder van me… 
Hij komt er in elk geval niet ongestraft van af. ' De beklaagde ,,sal gestraft worden met alsulken strave als een Erf gericht na de merite van deselve in recht ende justitie sal vinden te behoren met condemnutie vun costen". Wat het helemaal betekend weet ik niet, maar ik maak er op uit dat hij zijn schoonzus moet betalen. Een magere straf voor zo'n mishandeling...

Het stel lijkt niet onbemiddeld want in de rechtbank archieven van Stevensweert komen meerdere transacties voor waarbij het echtpaar grond of huizen koopt of verkoopt. Bij het huwelijk van dochter Alexdrina in 1700 geeft het echtpaar in plaats van 100 rijksdaalders een gedeelte van het huis De Meerkat. Het huis ligt in het fort van Stevensweert. Een behoorlijke gift!

Via zoon Joannes Godefridusz Reuten die op 21 augustus 1682 in Stevensweert werd gedoopt loopt de stamreeks verder. Hij trouwde op 18 januari 1705 met Christina Leurs. Dochter van Jacobus Leurs, burgermeester van Stevensweert en Joanna Houben (Garé). Joannes was 22 en Christina 20 jaar ten tijde van het huwelijk.

Over Johannes Reuten verscheen afgelopen jaar een mooi stukje in de Schokker Erf. Van Bruno Klappe kreeg ik toestemming om een deel van het verhaal hier te plaatsen. Ook hij is een nazaat van Joannes Reuten, net als heel veel andere Schokkers.

"Op 29 april 1712 zat de 29-jarige Johannes Reuten, op dat moment vader van vier kinderen, rustig een glas bier te drinken in de herberg van Peter Moors in Stevensweert. Om een uur of zes kwam de 24-jarige jonker Filip Bernard d'Amensaga met zijn knecht ook naar de herberg, en beiden dronken samen, staande voor de deur, enkele glazen brandewijn.
Jonker Filip was de zoon van Domingo Fernandino d'Amensaga, een kapitein in Spaanse dienst, die in 1676 het kasteeltje Bosserweert kocht, iets ten noorden van de vesting Stevensweert. Domingo Fernandino d'Amensaga was in 1695-1702 gouveneur van het Fort Sint Michiel te Venlo (zie beleg van Venlo)

Op een gegeven moment ontstond er een gesprek tussen de brandewijn- en de bierdrinkers, en in de loop van dit gesprek vroeg Johannes Reuten aan de jonker of hij de oude notenbomen voor het huis Bosserweert aan hem wilde verkopen. Iemand anders uit het gezelschap merkte toen op dat die bomen niet veel waard meer waren, kennelijk met de bedoeling om de prijs laag te houden. Reuten zei vervolgens dat hij het daar helemaal mee eens was, maar dat viel niet in goede aarde bij jonker d'Amensaga, die tegen Reuten snauwde: “Dou schelm, dou schorck, was hebts dou daer verstandt af!” (Jij schelm, jij schurk, wat heb jij daar verstand van!)

Reuten nam dit natuurlijk niet, en zei dat hij geen schurk maar een eerlijk man was. Jonker d'Amensaga begon hem daarop zo af te tuigen met zijn karwats, dat een bierglas in Reutens hand brak. Die gooide woedend het restant naar het hoofd van de jonker en ging er vandoor.

Karwats

Maar d'Amensaga rende met getrokken sabel achter Reuten aan, dreef hem op de beugelbaan in het nauw, en gaf hem een zware sabelhouw in zijn elleboog. Reuten schreeuwde luid om hulp, maar zijn vrienden konden de jonker niet tot bedaren brengen.

Het slachtoffer wist weer te vluchten, en verschanste zich in een gang tussen twee huizen. Jonker d’Amensaga gaf toen zijn knecht opdracht om Reuten neer te schieten, maar die was gelukkig zo verstandig om dat te weigeren. De jonker liep daarop zelf naar zijn paard, greep zijn twee pistolen, richtte die op zijn slachtoffer en haalde de trekkers over. Godzijdank weigerden beide wapens….

Chirurgijn Wolf Jurgen Baarts had er nog heel wat werk aan om alle wonden van Johannes Reuten te verzorgen, want zijn rekening bedroeg maar liefst 15 rijksdaalders. Ter vergoeding van deze en verdere onkosten liet Reuten vijf bunder land van jonker Filip in beslag nemen en publiek verkopen.

Spijt had de jonker niet van zijn wandaden, bleek toen hij voor het gerecht van Stevensweert stond. Een beledigde edelman had nu eenmaal het volste recht om met zijn karwats te slaan, meende hij, zeker als men in aanmerking nam dat hijzelf een “cavelier van eere ende digniteijt” was, en Reuten “eenen borgelijcken impertinenten ende moetwillige persoone”. De verdere mishandelingen beschouwde hij gedeeltelijk als zelfverdediging en gedeeltelijk als gelogen. Uit het vonnis en de daarop volgende verkoop blijkt echter dat de schepenen aan het woord van deze edelman weinig geloof gehecht hebben."

Joannes kreeg met zijn vrouw Christina na dit voorval nog vijf kinderen. Zijn vrouw overleed in 1734 in Stevensweert op 49 jarige leeftijd. Joannes besloot toen om Limburg vaarwel te zeggen en zijn geluk te zoeken in Kampen. Daar werd hij in 1736 in het burgerboek ingeschreven. 

Bij de verhuizing naar Kampen nam Joannes een aantal van zijn kinderen mee. De oudste van de negen kinderen overleed nog in Stevensweert, maar zijn zoon Christianus, die op 2 januari 1718 werd gedoopt, kwam zeker mee. 

Waar zijn broers en zussen bij hun doop nog de achternaam Reuten kregen, kreeg Christiaan bij zijn doop de achternaam Ruijten. 
Christiaan was timmerman en verhuisde naar Schokland waar hij trouwde met Marijtje Jacobs Visser. De katholieke Christiaan en de gereformeerde Marijtje trokken zich niks aan van de bezwaren tegen hun huwelijken en trouwden zowel in de gereformeerde kerk op Ens en de katholieke kerk op Emmeloord. Met zijn verhuizing naar Schokland werd hij de stamvader van de Schokkerfamilie Ruiten. Samen kreeg het echtpaar negen kinderen. Zijn vrouw Marijtje overleed, 41 jaar oud in 1767 op Ens, 2 dagen na de eerste verjaardag van haar jongste zoon.

Schokland

Volgens de volkstelling van 1795 woont het gezin, bestaande uit de weduwnaar Christiaan met vier kinderen, vijf kleinkinderen en een meid op de Middelbuurt te Schokland. Vier jaar later overlijd hij op 81 jarige leeftijd.
Middelbuurt
Ik had deze blog over de familie Ruiten niet kunnen schrijven als de pistolen van de Spaanse jonker niet geweigerd hadden. Zoon Christiaan was dan niet geboren en naar Schokland verhuist. De hele Schokkervereniging had dan niet eens bestaan, want Ab Klappe, de vader van Bruno Klappe en oprichter van de Schokkervereniging was er dan ook niet geweest. 
Er zijn nog veel meer verhalen over de familie Ruiten en andere schokker families te vinden in "het Schokker Erf", het blad van de Schokkervereniging. Voor slechts 16.50 euro per jaar ben je al lid van de vereniging en krijg je 4x per jaar het blad "het Schokker Erf" opgestuurd. Ik kijk er elke keer weer naar uit en lees bij thuiskomst meteen het blad van voor tot achter uit. 


Ben je ook een Schokker nazaat of ben je heel erg geïnteresseerd in de geschiedenis van Schokland, wordt dan lid! Vele leden van het eerste uur zijn al op leeftijd of al overleden en de vereniging kan wel nieuwe leden gebruiken. Want zonder leden houdt de vereniging op te bestaan en wie moet er dan nog vertellen over dit bijzondere eiland en zijn markante bewoners? Wees trots op je schokker afkomst en wordt lid van de Schokkervereniging. Lid worden kan via deze link.


maandag 15 mei 2017

De familie Langkamp en de Stadsbrand

Enschede na de stadsbrand, met de tenten zichtbaar tussen de puinhopen.
Barend Langkamp werd in 1827 geboren in Enschede als 6e kind van de 12 kinderen van Anna ter Mors en Harm Langkamp. Hij trouwde op 18 november 1853 in Enschede met de in Hengelo (Ov) geboren Frederica Godschalk.
Frederica was de onwettige dochter van Anneken Godschalk die zes jaar na de geboorte van Frederica trouwde met Hendrik Kok.
Hendrik Kok was zelf ook een onwettige zoon, zijn moeder was Judith Kok. 

Anneke Godschalk en Hendrik Kok kregen samen een aantal kinderen, waaronder een dochtertje Judith Kok, die al op 8 jarige leeftijd overleed. Frederica was 23 toen haar halfzusje overleed. Het vijfde kind van Barend en Frederica, Judith Langkamp, mijn betovergrootmoeder werd dan ook naar haar genoemd. De naam Judith komt ook nu nog steeds veel voor onder de nazaten van Judith Langkamp en Johannes van Adrichem. Van de mij bekende 96 nazaten van het echtpaar, zijn er maar liefst 11 genaamd Judith. Maar ook de naam Frederica of Frederik wordt nog steeds doorgegeven.


Judith Langkamp, mijn betovergrootmoeder, was 9 maanden oud toen de koning van Nederland, Koning Willem III op 1 mei 1862 Enschede zou bezoeken. 
Om de stad er op zijn mooist uit te laten zien werden gebouwen en straten versierd. Krotten werden minder zichtbaar gemaakt door ze te camoufleren met dennengroen. Alle 4500 inwoners van Enschede vierden feest toen de koning in de stad kwam. Ook nog lang nadat de koning was vertrokken was er een feeststemming en mede daardoor en door het mooie weer werd besloten de versieringen nog te laten hangen. Door het warme weer wordt het dennengroen als snel kurkdroog.

Enschede voor de stadsbrand van 1862. De rode stip geeft ongeveer aan waar het gezin Langkamp woonde.
Op 7 mei 1862 ’s middags rond een uur of één probeert Lodewijk van Voorst aan de Kalanderstraat zijn fornuis aan te steken om te kunnen koken. Vanwege armoede hebben ze geen geld meer voor turf en Lodewijk besluit wat van het dennengroen wat nog buiten in de straten hangt te gebruiken om het fornuis aan te steken. Een deel van de takken gaat in het fornuis, het andere deel legt hij op een stapel ernaast. Het krijgt het fornuis aan, echter het stapeltje groen naast het fornuis vat ook vlam door de vonken die van de takken in het fornuis af komen. Het vuur grijpt als snel om zich heen in het houten huis van Lodewijk en zijn vrouw Maria.
Maria rent de woning uit en zet het op een schreeuwen. Brand, brand! 

De buren komen snel aangehold om te helpen en ook de brigadier laat zijn middageten in de steek om te komen helpen, maar er is geen beginnen meer aan. Het hele huisje staat al in de brand. Door de nauwe straatjes van de stad, de houten gevels en al het dennengroen staat in mum van tijd meerdere huizen in de brand. Door de gebarsten ruiten wapperen de brandende gordijnen naar buiten.
Door plotselinge sterke zuidoostelijke wind verspreid de brand zich razendsnel. Al snel zien de mensen dat de brand alles vernietigd op zijn pad en de mensen beginnen hun spullen op karren te laden en proberen de stad te ontvluchten. Binnen de stadspoorten zijn de straten overvol.

Langestraat na de stadsbrand


In het stadhuis proberen ze de archieven te redden door ze naar de grote kerk op de markt te brengen. Hoog in de toren zijn de papieren wel veilig, denken ze.

Om half twee, een half uur na het begin van de brand branden de woningen en de school “Achter het hofje” ook al. Daar woont de 35e jarige Barend Langkamp, zijn vrouw Frederica en zijn dochters. 
De oudste is zeven jaar oud, dan volgen de dochters van zes, vier en drie jaar oud, Judith, is dan bijna twee. Frederica is op dat moment hoogzwanger of net bevallen van de 6e dochter. 

Het gezin moet rennen voor hun leven. Op hun klompen vluchten ze zo snel als ze kunnen over de gladde keien voor het vuur. Steeds achterom kijkend hoe snel het vuur dichterbij komt. Het gegil en gehuil van hun dochters komt bijna niet meer boven het geraas van de vlammen uit. Een regen van vonken dwaalt op ze neer en de hitte van de vlammen is enorm. De paniek moet gigantisch zijn geweest.

Muren om hen heen storten met veel geraas naar beneden, de zware eiken balken die de daken ondersteunen branden als lucifershoutjes. De stank is overweldigend.


Zelfs de stadsgrachten houden het vuur niet tegen en de brandweer heeft geen schijn van kans om de brand te blussen. Door de droogte en de wind grijpt de brand zo snel om zich heen dat de inwoners de karren met hun persoonlijke bezittingen ook achter laten moeten. Door de vonkenregen vliegen ook deze al snel in brand. De paarden moeten met bijlen van de wagens worden losgeslagen om ze te kunnen redden.
Dieven proberen nog spullen mee te stelen, en de schutterij lukt het niet meer om de orde te handhaven. 
Straten zijn versperd en de houten bruggetjes over de gracht om de stad staan al snel ook in brand. Dit geeft een enorme drukte op de paar bruggetjes die nog wel gebruikt kunnen worden. Bij de smalle Espoort kan geen wagen meer in of uit. De brandweer van Enschede kan het niet meer aan. Het vuur verspreid zo snel om zich heen dan ze steeds verder moeten wijken voor het vuur. De mannen die niet naar hun eigen huis zijn gerend om hun familie te reden proberen nog door te blijven gaan met pompen, maar ook dit wordt te zwaar. 
Ze krijgen de karren met de pompen er op niet meer vooruit. Dan geeft de brandweer binnen de grachten zich gewonnen, er valt niet tegen aan te blussen en ze laten hun branduitrusting achter in de vlammenzee. Rond drie uur ’s middags is er geen levend wezen meer te vinden binnen de stadsgracht en staat alles in lichterlaaie en vallen de klokken uit de kerktoren met een donderend geraas naar beneden…

J. Stroink woonde net als het gezin Langkamp aan de Hofstraat. Ze beschrijft op 11 mei 1862 in een brief haar bezigheden op het moment dat de stadsbrand uitbreekt.
‘Zoodra ik bemerkte dat de brand erger begon te worden ging ik dadelijk naar Julia’s
huis terug om te zien wat ik daar helpen kon. Wij lieten toen dadelijk een rijtuig
komen, waarin wij met baker en kind naar ons huis zonden. Ik ging daarop naar
boven om te zien wat nog te redden was. Van daar terugkeerende kon ik reeds niet meer de voordeur uit komen, maar moest achter door de schuur, die toen ook reeds van boven begon te branden. Waarop ook weldra de heele Hofstraat in vlammen stond.


Dankzij de brandweerkorpsen uit de omliggende plaatsen werd voorkomen dat het vuur buiten de grachten zich snel verder zou verspreiden. De bewoning buiten de grachten was minder dicht zodat de brand hier zich minder snel kon verspreiden. 

‘s Avonds om zeven uur was Enschede niet meer dan een rokende ruïne. Tot in de verre omtrek was de brand te zien. In de plaatsen rond om Enschede dwarrelden papier en verbrande resten naar beneden dat door de wind mee was gevoerd.

Enschede na de Stadsbrand. Alle oranje delen zijn verwoest. De zwarte delen zijn behouden.


633 Huizen waren verwoest en 660 gezinnen dakloos. 3675 mannen, vrouwen en kinderen die nacht buiten in de open lucht moesten doorbrengen. Op de grond, in stallen, kippenhokken, of onder struiken en bosjes. Zonder dekens, beddengoed, eten en drinken. Wie die nacht niet slapen kon probeerde in de rokende puinhopen toch nog enige bezittingen op te vinden. Vaak tevergeefs.


Kerken, scholen, stallen, fabrieken alles was veranderd in een hoop as. Het stadsarchief dat men had proberen te redden door het naar de toren van de kerk te brengen was totaal vernietigd. De mensen binnen de stadsbrand waren alles kwijt, ze hebben vaak niet meer kunnen redden dan zichzelf.



De dag na de brand werd meteen door de mannen een begin gemaakt met de heropbouw van de stad. De straten waren nog heet van het vuur maar toch werd er begonnen met het afbreken van de verbrande huizen. Het puin werd gebruikt om de altijd stinkende grachten te dempen. Er kwam hulp uit de wijde omgeving. Wagens met voedsel en kleding kwamen naar de verbrande stad om de daklozen van eten te voorzien. De eerste dag verliep chaotisch, maar al snel werd het eten uitgedeeld vanuit villa Schuttersveld, net buiten de stad, zodat alles wat meer georganiseerd verliep. 




Op de tweede dag na de brand stuurt minister Thorbecke vierhonderd legertenten en zesduizend dekens. Een tentenkamp verrees naast de begraafplaats aan de Deurningerstraat. Er stonden zelfs tenten tussen de puinhopen in de stad en mensen werden opgevangen in boerderijen en tuinhuisjes in de omtrek. 


In totaal kwam er 250.000 gulden binnen op de stad weer op te bouwen. 
Slechts 21 dagen na de brand stond het eerste huis alweer aan de Haverstraat en trokken de bewoners weer in het huis. Alleen de oude Niendeur stond nog overeind, de rest werd er omheen gebouwd van een voor afbraak bestemde geraamte en dakpannen van een boerenwoning uit 1825.



Niemand in Enschede zat na de stadsbrand nog zonder werk. Alle arbeidskrachten waren nodig om de stad weer op te bouwen. Ook Barend Langkamp zal zijn handen uit de mouwen hebben gestoken om de stad weer op te kunnen bouwen om zijn vrouw, en inmiddels zes dochters een nieuw huis te kunnen bieden. Het gezin kwam te wonen “op den Belt”. Toen het stuk land tussen de Raadhuisstraat, de Mooienhofstraat en de Beltstraat. 

De wederopbouw van de stad gaf Enschede een enorme impuls en is er uiteindelijk niet slechter van geworden. Er werden steenfabrieken gebouwd om genoeg stenen te kunnen leveren voor de nieuwbouw, ook de textielindustrie werd groter en groter en de stad groeide mee. Ook Barend en Frederica breiden flink uit. Het gezin kreeg na zes dochters nog eens vijf zonen en in 1878 was het echtpaar 25 jaar getrouwd. Twee kinderen waren op dat moment helaas al overleden. De oudste dochter was op dat moment al 24 en, de jongste zoon was 5 jaar oud. Graag zou ik willen weten hoe het het gezin na de brand is vergaan, er is alleen niemand meer om me dat nog te kunnen vertellen....


Vaak heb ik al gezegd dat het mooi zou zijn om een 3D versie van Enschede voor de stadsbrand en voor de aanleg van de boulevard me zo mooi zou lijken en dat je met een 3D bril op in het Enschede van toen zou kunnen wandelen. In ben niet de enige met dat idee zag ik. Met het Project Enschede 1862 werd een begin gemaakt met het maken van een 3D versie van het Enschede van voor 1862, maar het werd helaas stopgezet. Eeuwig zonde vind ik dat. Stiekem hoop ik dat het toch ooit wordt voortgezet. op de pagina van de ontwerper vind je in elk geval een deel van het project terug.