Posts tonen met het label Jansen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Jansen. Alle posts tonen

dinsdag 3 juni 2025

Heksenprocessen binnen het hof van Gelre

Tussen 1550 en 1675 vonden er binnen het Hof van Gelre een serie heksenprocessen plaats waarbij van hekserij verdachte personen terecht moesten staan. Een heksenproces bestond uit drie stappen; de Waterproef, daarna foltering en vervolgens de brandstapel. 


Waterproef

Bij de waterproef werd de beschuldigde in het water gegooid. Een onschuldige zou direct zinken. Bleef men drijven dan was men een heks. De beklaagden werden met een touw vastgebonden zodat hij of zij uit het water getrokken kon worden. Dat ging echter niet altijd goed, soms verdronken mensen hierbij alsnog. Echter in dat geval was je dus niet behekst en kreeg je wel een christelijke begrafenis. 

Bleef je drijven (vaak door luchtbellen onder de kleding) dan was je een heks en begon men met de foltering zodat je zou bekennen dat je een heks was. Foltering door een scherprechter had als doel je te laten bekennen en niet om je te doden. Uiteraard werd er net zolang gefolterd tot je wel toegaf aan waarvan je werd beschuldigd. Maar ook hier ging het wel eens mis en vonden mensen de dood tijdens de folteringen. 

Het doden gebeurde bij voorkeur op de brandstapel omdat men geloofde dat daarbij ook de ziel van de heksen (en tovenaars) werden vernietigd. Als er een grote groep tegelijk op de brandstapel werd verbrand dan stikten ze vaak door inademing van de rook. Was het een brandstapel met maar één persoon dan begonnen de vlammen aan de benen en was het verschrikkelijk pijnlijk dood die wel uren kon duren.

Er hebben in Bredevoort enkele enkele heksenprocessen plaatsgevonden. In 1561 werd Salicke van Dornick als tovenaar terechtgesteld en kwam op de brandstapel aan zijn einde. Zijn zus Aleyd Koeters werd ook beschuldigd van hekserij. In 1561 beloofde ze beterschap en kreeg ze een boete. In 1586 werd ze opnieuw beschuldigd door haar stiefzoon. Tijdens de waterproef beleef ze tot drie keer drijven, zelfs toen ze met een staak door de scherprechter naar beneden werd geduwd. Na de waterproef werd ze gefolterd. Ze hingen haar aan een lader en bewerkten haar met een roede. Tijdens deze marteling brak ze haar nek. 

Op 19 september 1610 werd Jenneken ter Honck levend verbrand. Na verhoor onder zware folteringen bekend zij een heks te zijn en noemt daarbij enkele namen van anderen. Ze smeekt om dood door het zwaard, tevergeefs. De volgende dag wordt Gertken op 't Goir beschuldigd van tovenarij. Ze bekend ook schuldig tijdens de folteringen en noemt de namen van Myth Timpers, Jar Simon en Willem ten Oistendorp met wie ze samen rond een vuur te hebben gedanst terwijl de mannen op de trom sloegen. En zo worden er één voor één meer mensen beschuldigd. Brend Swenen bekend samen met Willem ten Oistendorp dat de tovenarij bij ze is aangeboren. Ze worden levend verbrand op 25 september 1610. Johan Boegen volgt als laatste. Uiteindelijk worden er negen mensen van tovenarij beschuldigd in Bredevoort en veroordeeld tot de brandstapel. Opvallend is dat zes van de negen beschuldigden, mannen zijn. Meestal waren de veroordeelden vrouwen. Zij worden allen genoemd op de website nationaal heksenmonument.

Eén van de laatste heksenprocessen in Bredevoort en misschien wel van Nederland was van Mary Hoernemans in 1675. Mary doorstond de waterproef en liep met opgeheven hoofd weer naar huis. 

In 1605 vond in 's Heerenberg een heksenproces plaats. Degene op de beklaagdenbank was Mechteld ten Ham, een weduwe uit 's Heerenbergh. Mechteld probeerde een rustig leven te leiden en mensen in haar omgeving te helpen met gezondheidsadviezen, kruiden en uitspraken over de toekomst. Dit leidde tot beschuldiging van hekserij. Mechteld probeerde zichzelf te zuiveren van alle blaam. Ze was er van overtuigd dat door middel van een eerlijk proces bewezen zouden worden dat ze geen heks was. Verschillende mensen om haar heen gaven haar het advies naar de Heksenwaag in Oudewater te gaan om zich te laten wegen. Na de weging kreeg men dan een certificaat dat men geen heks kon zijn. De weegschaal sloeg namelijk altijd uit. Heksen konden vliegen en wogen dus niets. Als de weegschaal uitsloeg kom je dus geen heks zijn. Mechteld sloeg deze adviezen in de wind en eiste een proces. Op een boerenkar werd Mechteld vanuit 's Heerenberg naar het dorpje Azewijn gereden waar zijn in de Laak werd geworpen waarna ze bleef drijven. Mechteld werd opgesloten in de gevangenis onder de toren van het kasteel Huis Bergh. Met zijn martelwerktuigen moest de scherprechter haar tot een bekentenis dwingen, wat uiteindelijke lukte. Op 25 juli 1605 ontstak de scherprechter de brandstapel waar Mechteld op was vastgebonden. Ze stierf een afgrijselijke dood.


Beeld van Mechteld ten Ham in 's Heerenbergh

In 's Heerenbergh wordt Mechteld ten Ham nog elk jaar herdacht tijdens het "Mechteld ten Ham weekend". Dit jaar in het weekend van 29 tot 31 augustus 2025. Het is een cultuur-historisch weekend dat in teken staat van de "Heks" Mechteld. De geschiedenis wordt dit weekend weer tot leven gebracht en je waant je terug in de 17e eeuw. 


Mijn voorouder Wolterus Jansen was honderd jaar na de veroordeling van Mechteld ten Ham "Meester Scherprechter" van het kasteel Huis Bergh. Hij is niet degene die de brandstapel heeft aangestoken maar zijn overgrootvader mogelijk wel. Meer dan 300 jaren voor Wolterus Jansen hebben zijn vader, grootvader, overgrootvader enz. dit ambt ook uitgeoefend. Ik weet alleen niet waar ze hebben gewerkt, maar de kans is dus aanwezig dat mijn voorouders degene waren die de straffen moesten uitvoeren tijdens deze afschuwelijke heksenprocessen, waarbij de beschuldigden natuurlijk nooit een echte kans kregen. 

Mijn voorvader Jan Henrick Coenen was in deze periode ook scherprechter, maar dan in Bredevoort. Even als zijn zoon Christian, tevens mijn voorouder. De familie Coenen was een scherprechters geslacht die ook minstens vier generaties scherprechters hebben voortgebracht. Zij zijn ook verwant aan de andere twee scherprechters families waar ik van afstam. Al met al is er een kans dat er minstens één voorouder betrokken was bij deze verschrikkelijke heksenprocessen die binnen het Hof van Gelre in de 16e en 17e eeuw hebben plaatsgevonden. 

maandag 16 september 2024

Anton Jansen naar Amerika deel II

Op 20 maart 1847 vertrekt vanuit Rotterdam de S.S. Johan-Jacob. Een houten zeilschip met drie masten. Het schip heeft twee dekken waar zich ruim tweehonderd passagiers bevinden. Op het tussendek van zo’n tweeënhalf meter hoog bevinden zich aan weerzijde twee rijen kribben boven elkaar. Ruimte voor de bagage is er in het middenpad. De enige vorm van licht en frisse lucht zijn de luiken in de wanden, die bij slecht weer gesloten moeten blijven. Het resultaat is een stinkende benauwde ruimte. Aan beide einden van het schip bevindt zich een keukentje. Hier moeten de tweehonderd passagiers zelf hun eten bereiden die ze ook zelf hebben moeten meenemen. Dit bestaat vaak uit lang houdbaar voedsel zoals gezouten vlees en spek, bonen en erwten. Vers drinkwater werd er ook meegenomen, maar dit water moest verzuurd worden met azijn om het lang houdbaar te maken.

S.S. Johan-Jacob

Op dit schip bevond zich mijn voorouder Antonius Marcellus Wilhelmus Josephus Jansen, roepnaam Anton. Als beroep gaf hij op dat hij kuiper was. Naar mijn weten was hij vilder (hulp van de beul en belast met het afvoeren van lichamen van terechtgestelden).

Anton werd geboren op 9 mei 1799 in het Duitse Stadtlohn. Een nazaat van een bekende Duitse beulsfamilie. Anton huwde met Maria Catharina Vogedes, ook uit een beulsfamilie. Samen kregen ze vier kinderen waarvan er één al na acht dagen stierf. Maria Catharina stierf in 1843 op negenendertigjarige leeftijd in Bredevoort waar het gezin woonde en hun kinderen ook werden geboren. Hun jongste zoon was nog maar twee jaar oud toen zijn moeder overleed. Slechts vier maanden na de dood van Maria Catherina trouwde Anton in Stadtlohn met de eveneens uit Stadtlohn afkomstige Maria Gertrud Elisabetha Herdes. Antons nieuwe bruid was toen veertig jaar oud en een weduwe zonder kinderen. Waarschijnlijk was het geen huwelijk uit liefde maar had Anton een verzorgster voor zijn kinderen nodig. 

Vanaf 1844 begon er een grote migratiegolf vanuit Aalten. Bijna een derde van de plattelandsbevolking, meer dan zesduizend mensen, vertrok naar Amerika. Veelal vanwege geloofsovertuigingen, slechte vooruitzichten door het mislukken van oogsten (o.a. de aardappelziekte in 1847 waardoor de hongersnood in Ierland ontstond), werkeloosheid en lage lonen. Door gunstig nieuws van kennissen en familieleden die al naar Amerika waren vertrokken durfden steeds meer mensen de lange reis te maken. De kosten voor de overtocht waren zo’n honderd gulden per persoon. Dat moet een enorm bedrag zijn geweest in die tijd van armoede. Alle bezittingen werden verkocht om zo de oversteek te kunnen maken. Bij het afscheid van je familieleden wist je dat je ze nooit weer zou zien. Hartverscheurend moet dat zijn geweest. Met boerenkaren maakten vele Achterhoekers de tien uur durende toch naar Arnhem van waar ze met een binnenschip verder naar Rotterdam gingen. Een tocht die dagen kon duren.

Anton woonde in Bredevoort in Huis nr. 71. Straatnamen waren er nog niet. Dit is ter hoogte van het Zandt. Grappig detail is dat vroeger op ’t Zandt de vonnissen in het openbaar werden uitgesproken aan veroordeelden nadat zij terecht hadden gestaan in het Ambthuis. Daarna werden de misdadigers afgevoerd naar de galgenbulten voor de uitvoering van het vonnis. Waarschijnlijk door een van de beulen uit Antons familie.  

Net als vele andere Achterhoekers maakt ook Anton de keus om naar Amerika te gaan. Zijn tweede vrouw laat hij achter en ook zijn kinderen uit zijn eerste huwelijk neemt hij niet mee. De kinderen waren op dat moment zes, elf en veertien jaar oud.

Het schip waarmee Anton naar Amerika ging lag op 2 maart 1847 klaar in Rotterdam voor vertrek. In 1847 werd Rotterdam overstelpt door landverhuizers die allemaal hoopten op een beter leven in het nieuwe beloofde land. Op 9 maart stond in de krant dat het schip waarmee Anton zou vertrekken de volgende dag uit zou gaat varen, echter op 20 maart lag het schip er nog. Misschien stond er niet genoeg wind om het zeilschip de haven uit te krijgen. Uiteindelijk vertrekt het schip uit de Rotterdamse haven, op weg naar een nieuw leven. 

Door de lange reis en de slechte omstandigheden onderweg raakten veel passagiers verzwakt en sommige stierven al voordat ze een voet aan wal hadden gezet. De reis naar Amerika duurde zo’n vijfenveertig tot zestig dagen. Anton kwam op 24 april 1847 aan in Baltimore. Baltimore was op dat moment de derde grootste aankomsthaven in Amerika en volop in aanbouw.


Ik las onlangs het boek “Hiltje” van Anita Terpstra. Het verhaal van een Friese vrouw die ook naar Amerika vertrok in 1847. Slechts een maand na Antons vertrek. Ook zij kwam aan in Baltimore en door brieven en aantekeningen die bewaard zijn gebleven van haar familie heb ik een redelijk beeld gekregen hoe Antons aankomst in Amerika moet zijn geweest. 

Baltimore

Baltimore lag op een heuvel en werd omgeven door bomen. De reizigers moesten een dag op het schip blijven wachten. Alle passagiers en goederen werden aan een streng (hygiënisch) onderzoek onderworpen. Een dokter onderzocht of er ziektes waren en nadat alle reizigers geteld en geregistreerd waren mocht ze van boord. Ik ben heel lang bezig geweest met het zoeken naar de andere passagiers die op de S.S. Johan-Jacob zaten, bij welke familie ze hoorden en waar ze vandaan kwamen.

Er waren tweehonderdzestien passagiers aan boord, waarvan honderdnegenentwintig Nederlanders. De overige passagiers kwamen uit verschillende regio’s in Duitsland. Veelal gezinnen, soms alleen de net volwassen broers en zussen, maar ook vaders, moeders, kinderen en opa en oma. Maar ook een flink aantal ongetrouwde jongemannen en een enkele jongedame. Een grote groep Nederlanders kwam uit Friesland en uit Zeeland, plekken waar men vaak vanuit religieus oogpunt vertrok.

Ik heb niet iedereen kunnen traceren maar er was in elk geval één gezin ook uit Bredevoort afkomstig, de familie Bolander. De namen zijn vaak fonetisch geschreven wat de zoektocht ernstig bemoeilijkte. Anton verliet het schip kort voor de deze familie dus ik ga er van uit dat ze de reis samen zijn gebleven.

De eerste die van het schip ging was Balthasar Spinnan, een negenentwintigjarige vrijgezelle slager uit Duitsland. Ik zie het zo voor me, een potige man waarvoor iedereen opzij gaat om hem erlangs te laten gaan met van die harige armen zo groot als hammen. Niets legt hem nog een strobreed in de weg om in het land van hoop en dromen een nieuw leven op te bouwen.

Anton verliet als 172e het schip, de familie Bolander was nr. 177 tot en met 179. De allerlaatste die van boord ging was H. Korthals, een dertigjarige dokter uit Duitsland. Misschien was hij degene die de passagiers allemaal heeft gecontroleerd, misschien was hij gewoon begaan met de mensen en besloot als laatste te gaan. Het zijn kleine details die ik uit de passagierslijst heb gehaald maar het geeft een iets completer beeld van de reis die Anton heeft gemaakt. Als laatste werd de bagage werd van het schip gehaald, de koffers geopend, bekeken en gewogen. En toen konden de passagiers op weg naar hun nieuwe leven.

De eerste indrukken in Baltimore moeten overweldigend zijn geweest. Er waren gebouwen van wel vijf verdiepingen hoog, enorm hoog in die tijd. Er reden trams, ze zagen waarschijnlijk voor het eerst zwarte mensen, de straten waren modderig en onbegaanbaar en het krioelde er van de mensen, maar ook kippen en varkens liepen gewoon vrij rond. Er was zelfs een warenhuis waar wel vierhonderd mensen werkten, fabrieken en een highschool. Heel wat anders dan het kleine Achterhoekse dorp Bredevoort met z’n paar honderd inwoners.

De eerste beproevingen begonnen echter al op de kade. Er lagen veel bedriegers en boeven op de loer. Vaak waren de goedgelovige immigranten slachtoffer waardoor ze hun laatste centen kwijtraakten, met alle gevolgen van dien; armoede en nauwelijks iets te eten en dan ook de taal niet spreken. Zo hadden ze vast hun nieuwe bestaan in Amerika niet voor zich gezien. Gelukkig werden er ook veel immigranten opgevangen op de kade door kennissen die al eerder naar Amerika waren vertrokken.

In 1830 kreeg Baltimore als een van de eerste steden in Amerika een spoorlijn en verliep het eerste stuk van de reis per spoor. Toen nog een uitvinding in kinderschoenen dus de reis was weinig comfortabel. Daarna ging de lange reis naar het Noorden vaak via het water. Via kanaalboten, stoomboten er radarboten over de enorme rivieren en meren. Het landschap zo sterk afwijkend van het platte Nederland. Een ander klimaat, hitte en benauwdheid, ongedierte maar ook prachtige bergen en ander natuurschoon. 

En hier raak ik Anton kwijt. Hij is aangekomen in Baltimore, dat weet ik zeker. Maar daarna kan ik geen spoor meer van hem vinden. In de hoop dat hij samen met andere passagiers is gaan reizen en ik hem zo verder kon traceren zocht ik die hele passagierslijst uit, maar ook de familie Bolander kan ik nergens meer terugvinden. Er overleden ook veel mensen tijdens de lange zware reis naar het Noorden. Het kon maanden duren. Misschien dat Anton toch alleen heeft gereisd en niemand wie wist wie hij was en ligt hij ergens naamloos begraven.

de ramp met de Phoenix

Ik heb nog proberen uit te zoeken of Anton een van de passagiers was die op de Phoenix zaten. Op deze houten stoomboot zaten vijfenzeventig inwoners uit Aalten toen die in november 1847 in brand vloog op Lake Michigan waarbij honderddrieënzestig passagiers overleden. Er zaten vermoedelijk ook passagiers op het schip die niet op de passagierslijst stonden. Was Anton een van die mensen die op deze verschrikkelijk manier om het leven kwam? Ik heb er veel over gelezen, o.a. het boek “Phoenix” van Bert Wagendorp, en podcasts over geluisterd. Ik heb geen bewijs kunnen vinden dat hij op die boot zat maar uitsluiten dat hij er niet op zat kan ik ook niet. 

Oproep rechtbank aan Anton Jansen

Dat zijn kinderen ook niet wisten wat er met hun vader was gebeurd blijkt uit verschillende documenten. Als zijn dochter Christina Maria in 1860 wil trouwen kan ze niet vertellen of haar vader is overleden of niet. Op een oproep van de rechtbank om te reageren en haar zo toestemming te geven voor het huwelijk wordt niet gereageerd. Als zijn oudste zoon wil trouwen in 1865 staat erbij vader; adres onbekend. Bij het huwelijk van zijn jongste zoon in 1880 staat de vader wel als overleden. Ik neem aan dat ze na drieëndertig jaar zonder contact er van uit zijn gegaan dat hun vader was overleden. Anton zou dan ook al eenentachtig jaar moeten zijn.

De oom van de kinderen, waar ze bij zijn gaan wonen na vaders vertrek, en tevens voogd, doet in 1863 nog wel een poging om de oudste zoon uit de dienstplicht te houden.

18 Dec. 1863, Wij WILLEM 111, bij de gratie Gods, Koning n°. 56. der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Groothertog van Luxemburg, enz., enz., enz. Op de voordragt van Onze Ministers van Binnenlandsche Zaken en van Oorlog, van 12 December 1863, n°. 241, 4de afdeeling, en van den 16den daaraanvolgende, n°. 15 P., betreffende een verzoek van Johannes Hermanus Hendrikus Vogedes, te Bredevoort, om ontheffing van de werkelijke dienst voor zijnen neef Hermanus Christianus Jansen, dit jaar als militiepligtige ingelijfd bij het lste regiment infanterie, Overwegende: dat Hermanus Christianus Jansen, geboren in het jaar 1832, in 1851 voor de militie moest zijn ingeschreven; dat zijne moeder destijds overleden en zijn vader naar Noord-Amerika vertrokken was , zijne kinderen onverzorgd achterlatende; dat thans is ontdekt dat de inschrijving voorde militie van Hermannus Christianus Jansen niet is geschied, ten gevolge waarvan hij, met toepassing van do artt. 161 en 165 der wet van den 19den Augustus 1861 (Staatsblad n°. 72), bij de militie is ingelijfd; dat er echter grond is voor des adressants bewering, dat hij, destijds toeziende voogd over dezen minderjarige, diens belangen, die door zijn vader was verlaten, waarnemende, hem op den bestemden tijd ter inschrijving voor de militie heeft aangegeven, doch dat, ten gevolge van een dwaalbegrip van de betrokken overheid omtrent de toepassing van art. 56 der wet van den 8sten Januarij 1817 (Staatsblad n°. 1), toen in de provincie Gelderland heerschende, de inschrijving niet is gedaan; dat het uitdien hoofde niet billijk zou zijn hem bij de militie in werkelijke dienst te houden, en hem dus het slagtoffer te laten van eene dwaling, vermoedelijk door de overheid begaan; Gezien de tweede zinsnede van art. 127 der wet van den 19den Augustus 1861 (Staatsblad n°. 72), Hebben goedgevonden en verstaan: den militiepligtige Hermanus Christianus Jansen, uit de gemeente Ewijk, dit jaar voor de dienst aangewezen en ingelijfd bij het lste regiment infanterie, ontheffing van de werkelijke dienst voor zijnen geheelen diensttijd te verleenen. Onze Ministers van Binnenlandsche Zaken en van Oorlog zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst. 's Gravenhage, den 18den December 1863.

WILLEM.

De Minister van Binnenlandsche Zaken. Thorbecke.

De Minister van Oorlog, W. Blanken.

Dit “zijne kinderen onverzorgd achterlatende “is meteen ook een aanwijzing dat Anton zonder afscheid te nemen met de noorderzon is vertrokken. Dat hij aangeeft dat hij in Noord-Amerika moet zitten is een aanwijzing dat ze juist weer wél op de hoogte waren van zijn plannen.

Al jaren zoek ik naar aanwijzingen waar Anton is gebleven. Ik heb gegevens gevonden van een Antonie Jansen die rond 1799 in Duitsland is geboren en een gezin heeft gesticht in “The Town of Cross Plains”, in Wisconsin. Maar of dit wel of niet “mijn” Anton is heb ik nog niet kunnen achterhalen. Ik denk zelf dat het hem niet is. De kinderen uit dit gezin zijn in 1870 al te oud om in Amerika geboren te zijn als Anton in 1847 naar Amerika vertrok. Ik heb via forums Amerikanen gevraagd of ze voor mij konden kijken of ze iets over hem konden vinden maar helaas ook zonder resultaat.

Ik heb zoveel vragen. Was het wel zijn bedoeling om nooit meer iets te laten horen? Wilde hij zijn kinderen naar Amerika toe halen als hij eenmaal gesetteld zou zijn? Op zoek naar een beter leven voor zijn gezin? Is er echt nooit enig teken van leven geweest? Misschien kon hij überhaupt wel niet schrijven. Ging hij op de bonnefooi of had hij een uitgestippeld plan? Zaten er kennissen op hem te wachten, die hem hadden overgehaald om te komen met enthousiaste verhalen? Reisde hij verder met de familie Bolander of anderen of misschien wel helemaal alleen? Hoe lang heeft hij geleefd in Amerika? Een week, maanden, jaren? Hoe ver is hij op zijn reis gekomen? Had hij spijt van zijn beslissing? Zoveel uren speurwerk, zo weinig resultaat. Hoe je je kinderen hebt achter kunnen laten nadat ze al zo jong hun moeder hebben verloren vind ik lastig te begrijpen. Maar ik weet niet wat voor een type man en vader hij was. Een liefhebbende vader of een egoïstische zak?

Ondertussen blijf ik zoeken en lezen over anderen die dezelfde reis hebben gemaakt in dezelfde periode. Wie weet wat het me nog brengt. Maar eigenlijk ben ik bang dat ik nooit achter de waarheid ga komen…. 


  • Op de site Oud-Aalten staan een paar verhalen van plaatsgenoten die ook de reis naar Amerika hebben gemaakt. Van hen is wel bekend wat er van ze geworden is. Interessant om te lezen voor de beeldvorming. Lees de verhalen HIER

  • Luisterde hier de podcast over de ramp met de Phoenix.




zaterdag 26 januari 2019

Een familie van Scherprechters

Naar aanleiding van mijn eerdere post over Wolter Jansen de scherprechter kreeg ik voor de zomervakantie een mailtje van meneer C. Snijder. Meneer Snijder is nazaat van de bekende scherprechter familie Snijder en doet al jaren onderzoek naar alle scherprechters- en vildersfamilies in Nederland.
De namen Jansen, Goedgeluk maar ook Vogedes die in mijn vorige post genoemd werden kwamen hem dan ook bekend voor.
Hij vertelde mij dat niet alleen Wolter Jansen uit de vorige post en zijn vader scherprechters waren, maar nog veel meer van mijn voorouders.
Met elk stukje dat ik verder las groeide mijn verbazing. Dit was niet zomaar een familie van scherprechters meer, het was een hele dynastie!
Meneer Snijder verwees me naar een publicatie van hem in het genealogisch tijdschrift De Nederlandse Leeuw. Dat wakkerde de interesse natuurlijk nog veel meer aan. Dagen heb ik op internet geprobeerd mijn kwartierstaat zo compleet mogelijk te krijgen en heb ik zoveel mogelijk gelezen wat ik kon vinden over de scherprechter.

Zeker zeven van mijn directe voorouders waren vilder of scherprechter, en dat zijn alleen de voorouders die mij bekend zijn en waarvan ik weet wat ze voor de kost deden.
De zeven voorouders hadden vaak ook zonen, ooms, en neven die vaak ook vilder of scherprechter waren.


Niet alleen het vinden van een functie als scherprechter vinden was moeilijk, ook het vinden van een geschikte huwelijkspartner was een uitdaging. Er werd namelijk bijna uitsluitend binnen de eigen beroepsgroep getrouwd. Niet alleen omdat ze een vanwege hun beroep buiten de maatschappij vielen maar ook om hun hoge maatschappelijke positie te beschermen. Hierdoor bleven de kennis die ze hadden, maar ook het vermogen en macht binnen de familie gewaarborgd, wat leidde tot uitgebreide scherprechters dynastieën.

Zo ook de familie Jansen uit Stadtlohn, Duitsland. Via mijn voorvader Antonius Marcellus Wilhelmus (Anton) Jansen, geboren in Stadtlohn en die in 1847 naar Amerika vertrok ben ik verwant via meerdere lijnen met deze familie. Waarschijnlijk is deze Anton ook verwant aan de Wolter Jansen uit mijn eerdere post, maar bewijs hiervoor hebben zowel meneer Snijder als ik nog niet gevonden.
Zowel Anton Jansen als de vier generatie's voor hem waren afdekker of vilder. Zijn schoonvader Theodorus Hermannus Vogedes was Scherprechter te Olfen. Theodor's eerste vrouw was afkomstig van de familie Koenen, die ook vele scherprechters voortbrachten, zijn derde vrouw was de dochter van Wolter Jansen. En via Wolters vrouw Berendina Goedgeluk kom ik opnieuw bij de familie Koenen terecht. Waarvan de verste voorouder die we konden vinden als in de 16e eeuw scherprechter was. (Klinkt ingewikkeld, is het ook, maar hoop dat bovenstaand grafiekje het verhaal een beetje verduidelijkt)

De oom van Anton Jansen; Gradus Jansen was de scherprechter van Amsterdam. Toen Gradus in 1826 stierf solliciteerde het neefje van Anton Jansen, Dirk Jansen, naar de opengevallen post, maar werd afgewezen ten gunste van Jacobus Ras, die weer afstamde van eerdergenoemde familie Koenen. 
Jacobus Ras was getrouwd met weduwe Nordt. Haar dochter Anna Maria Klotz trouwde op haar beurt weer met Gerardus Jansen, scherprechter van Amsterdam en jongere broertje van Dirk.
Ook de oudere broer van Dirk en Gerardus, Johannes, was op dat moment scherprechter te Groningen, nadat hij eerst assistent scheprechter te Amsterdam was geweest.

Toen Jacobus Ras in 1837 overleed werd zijn overlijden aangegeven door zijn schoonzoon Gerardus Jansen en diens broer Dirk Jansen, de toenmalige assistent-scheprechter te Amsterdam. Dirk, de oudste van de beide broers, werd op 29 April 1837 tot opvolger van de overledene benoemd. Hij was toen 35 jaar en reeds sedert 10 Mei 1820 assistent-scherprechter. In zijn sollicitatie verklaarde hij, dat hij tussen 1820 en 1837 achtmaal een capitale executie had zien voltrekken en er eenmaal zelf een had verricht.

Dirk Jansen was de laatste scherprechter in Nederland. Hij was van oorsprong laarzenmaker. Hij werd omschreven als een vriendelijke, zachtmoedige, zedelijke en plicht lievende huisvader. Zijn foto geeft ook dat beeld weer. Als ik daar naar kijk kan ik amper geloven dat deze man mensen heeft geëxecuteerd en gegeseld. Het schijnt dan ook dat Dirk aan de vooravond van de executies wel eens iets te diep in het glaasje keek.
Dirk Jansen, de laatste Scherprechter van Nederland.
Op 1 januari 1851 werden alle scherprechters van Nederland ontslagen. Zij werden op wachtgeld gezet en zouden bij eventuele executies voor elke handeling een bepaald bedrag krijgen.
Op 16 augustus 1851 werd bepaald dat voor het hele koninkrijk slechts twee scherprechters zouden fungeren. één voor Gelderland, Friesland, Overijssel, Groningen, Drenthe en Limburg, de ander voor Noord-Brabant, Zuid-Holland, Noord-Holland, Zeeland en Utrecht.
De keuze viel op de scherprechters Dirk Jansen, scherprechter te Amsterdam en Johannes Paul Jansen, Scherprechter te Arnhem.

Op 21 november 1854 werd er besloten dat er per 1 januari 1855 nog maar één scherprechter zou zijn. En dat werd Dirk Jansen. Dirk heeft echter niet zo vaak een straf uit hoeven te voeren als zijn collega's in de 17e en 18e eeuw. De meeste lijfstraffen werden na 1854 afgeschaft en misdadigers kregen vaak gratie, zodat Dirk maar acht keer een executie heeft hoeven uitvoeren.
De laatste executie die Nederland werd uitgevoerd, door Dirk Jansen, was op 31 oktober 1860 in Maastricht.
Toen werd moordenaar Johan Nathan door Dirk Jansen opgehangen. Op de ochtend van 31 oktober liep Johan Nathan naar het schavot. Naast hem liep de geestelijke, voor hem Dirk Jansen en daarachter de beulsknecht. Het was doodstil op het marktplein waar zich een flinke menigte had verzameld. Het schavot was rondom met zwarte doeken behangen. Johan Nathan liep het schavot op, waar de beulsknecht hem ontdeed van zijn schoenen. Met gebonden handen keek hij om zich heen en bekende zijn misdaad te hebben begaan en zei bereid te zijn zijn straf te ondergaan. Toen legde Dirk Jansen zijn hand op de schouder van Johan Nathan en deed de strop om zijn nek, waarna hij het valluik liet kantelen. Slechts enkele ogenblikken later was de laatste openbare terechtstelling in Nederland voorbij. Daarmee kwam een eind aan eeuwenlange scherprechters dynastie.
Dirk Jansen bleef officieel nog wel de Scherprechter maar werd nooit meer opgeroepen voor zijn diensten. Bij het afschaffen van de doodstraf in 1870 werd Dirk meteen op wachtgeld van 800 gulden per jaar gezet en daarmee verdween de laatste beul van Nederland uit de geschiedenis,
Dirk Jansen keerden terug naar zijn beroep als laarzenmaker en verhuisde in 1862 met zijn vrouw naar Arnhem, waar hij in 1880 overleed.

Van oudsher was het de gewoonte wanneer een scherprechter bij een executie met het zwaard er niet in slaagde in één slag het hoofd van zijn slachtoffer af te slaan, een prooi werd van de mensenmenigte. Nog in de 16e eeuw zijn er in ons land om die reden beulen doodgeslagen. In de 17e eeuw is dat niet meer gebeurd. Maar het maakt duidelijk dat er van de scherprechter op lichamelijk gebied veel werd geëist.

Het beroep van scherprechter was een achtenswaardig beroep; hij was tenslotte een rechtvaardig justitieambtenaar in dienst van de stad of provincie en diende de handhaving van de rechtsorde. Strafjustitie was een wil van god en daarmee werd het geweld gezien als rechtvaardig. Scherprechters zagen hun beroep ook vaak als een roeping.

Hoewel de beul vaak werd gezien als buiten de maatschappij geplaatste, gewetenloze bruut, waren ze het daar zelf niet mee eens. Dirk van Gorcum, scherprechter te Leeuwarden van 1755 tot 1797 diende zelfs een klacht in tegen de term Beul, dat hem "als een veragtelijk persoon deed voorkomen" en hoopte hij zodoende een "boete te laaten citeeren". 
In oude documenten uit die tijd zul je die term beul dan ook niet vinden. De scherprechters werden toen, heel deftig "Meester van den Scherpe Swaerde" genoemd.

Eeuwenlang werd er enorm streng gestraft bij het overtreden van de wet. Brandmerken, geselen, verminken, ophangen, onthoofde, vierendelen en radbraken gebeurden niet dagelijks, maar waren wel onderdeel van het gewone leven. Deze straffen dienden dan ook tot voorbeeld en afschrikking.
De zoon van een scherprechter werd van kind af aan als door zijn vader in het vak opgeleid om hem dan later te kunnen assisteren of bij een ander familielid in dienst te treden. Niet alle zonen kregen een aanstelling als scherprechter want er waren maar een beperkt aantal vacatures. Voor het beulswerk kon ook niet iedereen gebruikt worden. Je behoorde een uiterst bekwaam vakman te zijn met veel chirurgische kennis. Werd je niet verkozen tot scherprechter dan kozen de zonen vaak een aanverwant medisch beroep als chirurgijn of veearts. Maar ook slager, vilder, afdekker of rijnmaker zijn beroepen die ik veel ben tegen gekomen bij de zonen van de scherprechters.

Werd je wel benoemd tot scherprechter dan kwam er natuurlijk de eerste keer dat je een executie uitvoeren moest. Vanwege onze instinctieve afkeer om bloed te vergieten komt ons de weerzin om voor de eerste maal de doodstraf te voltrekken begrijpelijk voor, toch moet het zo elke jonge scherprechter zijn vergaan.

Er zat natuurlijk wel een enorme verschil in maatschappelijk waardering tussen het beroep scherprechter en vilder. Waarmee de laatste als laagste op de sociale lader stond. De vilders hadden vooral tot taak het gestorven vee en paarden van de huid te ontdoen en de kadavers op te ruimen. Ook zorgden zijn voor het leeghalen van het privaat of secreet (toiletten) en het transporteren en begraven van "onnatuurlijk" gestorven personen waaronder zelfmoordenaars en ter dood gebrachte misdadigers. Per land verschilde ook de functie van vilder. In Frankrijk was het een dubbel functie; zowel scherprechter als vilder, maar in het noorden van Duitsland stonden de vilders in dienst van de scherprechters. Er werd regelmatig getrouwd tussen de scherprechters en vildersfamilie's zoals ik al eerder beschreef. Ook trad men vaak op als doopgetuigen, dat ben ik mijn onderzoek naar de familie Jansen vaak tegen gekomen.

Hoe meer onderzoek ik doe naar deze familie en hoe meer ik over hun beroep te weten kom, hoe gemengder mijn gevoelens over deze familie worden. De details over de lijfstraffen en executies zijn afschuwelijk en vervullen me met weerzin. Ik kan me echt geen voorstelling maken hoe het moet zijn om als je vak dit soort dingen bij mensen moet doen die bidden en smeken om op te houden en die het uitgillen van de pijn. Hoe kun je zoiets volhouden? Maar tegelijk is en blijft het mijn familie, het zijn mijn voorouders, die dit generaties lang hebben gedaan en ik draag een stukje van hun DNA met mij mee en ben ik ergens ook nog wel trots op ze. Het is in elk geval een hele interessante familiegeschiedenis waar vast nog meer over valt uit te zoeken!


"prijslijst" van Meester Wolter Jansen, scherprechter te Gendringen

vrijdag 22 juni 2018

Wolter Jansen, de Scherprechter

Bij mijn onderzoek naar de families Jansen en Goedgeluk kwam ik steeds opnieuw de term vilder of viller tegen. Eerst dacht ik nog dat het een titel was wanneer een voorouder Christiaen de Viller werd genoemd, op z'n Frans uitgesproken. 
Maar nadat ik de term bij zoveel voorouders tegen kwam ben ik toch maar even gaan Googelen. Tot mijn schrik bleek het totaal wat anders zijn. Achteraf is de betekenis heel logisch, maar het was nou niet het eerste wat bij mij opkwam.

Een vilder of viller is namelijk een koudslachter. Het is iemand die er een beroep van heeft gemaakt om dood vee en paarden te villen. Een vilder was niet populair, hij werd meestal gemeden door zijn medemensen. En niet alleen de vilder zelf, ook zijn familieleden werden gemeden. Zo gebeurde het dus vaak dat vilders families voornamelijk contact hadden met andere vilders families en trouwden met elkaar en zo weer nieuwe vilders gezinnen stichten. Dat verklaarde meteen waarom ik het beroep bij bijna alle voorouders tegenkwam.

Nauw verwant aan het beroep van vilder is dat van scherprechter, ook dit kwam ik vaak tegen als beroep van mijn voorouders. De scherprechter is de man die in opdracht van het gerecht het beulswerk voltrekt.

Mijn voorvader Wolter Jansen was scherprichter in Gendringen. Een beul dus...
De beul werd in de meeste samenlevingen gevreesd maar ook geëerbiedigd als vertegenwoordiger van de wet. En hield zich vaak sociaal afzijdig. Vaak kreeg de scherprechter het predikaat Meester voor zijn naam, wat aangeeft dat men hem een belangrijke status toekenden. Zijn dagloon was dan ook uitzonderlijk hoog in vergelijking met andere beroepen.


In 1708 dient hij een request in bij Graaf Oswald van den Bergh. In Varsseveld is een man die zicht het recht toe matigt alle paarden en dieren die onder Wisch verongelukken van huis te ontdoen.
Wolter heeft daar "groote schaede en nadeel van”. Hij heeft voor dat werk namelijk een knecht ingehuurd. Nu vraagt hij toestemming om door middel van aanplakbiljetten in de kerken van Terborg, Varsseveld en Silvolde bekend te maken dat de inwoners verplicht zijn uitsluitend van de diensten van zijn knecht gebruik te maken.

Zijn zoon die ook Wolter Jansen heette, was scherprechter in alle jurisdictiën van het Hooggraafelijk Huis Bergh. Hij vraagt in 1788  "een vast tractement boven de jura". Dat zijn de rechten die hij volgens tarief voor zijn verschillende beulsverrichtingen kan declareren.
Volgens hem oefenen zijn vader, grootvader en overgrootvader al meer dan 300 jaren dit ambt uit. En in vroegere tijden hadden zijn hierdoor een behoorlijk bestaan wanneer "de delicten en gevolglijk de crimineele gevallen menigvuldiger waaren". De naam van zijn echtgenote Berendiena Goedgeluk heeft het gezin echter geen geluk gebracht want  Wolter Jansen is tot grootste armoede vervallen…

Vilder en beul zijn dus beroepen die in elkaars verlengde liggen.
In het oude strafrecht neemt het folteren (tortuur) een belangrijke plaats in. Wie een misdaad begaat, moet erop voorbereid zijn dat hij heel wat te verduren krijgt als hij gepakt wordt. De mens heeft een ongebreidelde fantasie, als het erom gaat een medemens te kwellen en pijn te doen.

Tortuur heeft het doel een mens een bekentenis af te dwingen. Zolang een misdadiger blijft ontkennen, heeft de rechtbank een probleem, ook al blijkt uit alle omstandigheden dat hij schuldig is: zij zit met een onzeker en daardoor onbehaaglijk gevoel dat er iets mis met de procedure. Bekent hij echter schuld, dan wassen de rechters en kan het recht zijn loop hebben.

De tortuur is een techniek om de waarheid te produceren en er worden regels voor opgesteld. De scherprechter moet ze kennen en de techniek beheersen; al doende raakt hij vertrouwd met het menselijk lichaam. Er worden werktuigen uitgevonden die wel pijn veroorzaken, maar het slachtoffer niet verwonden. Met duimschroeven worden de vingers samengeperst zodat het bloed eruit spuit; ook voor de benen en andere lidmaten zijn er schroeven. Het slachtoffer krijgt een houten peer in de mond om te verhinderen dat hij zijn kiezen op elkaar kan klemmen en zo de pijn kan verbijten. Het lichaam kan worden uitgerekt op een pijnbank of met een gewicht aan de voeten met behulp van een koord over een katrol worden opgehesen.


Steeds moet de beul erop bedacht zijn patiënt niet te kwetsen. Iedere beul heeft zijn eigen specialiteit. De folterkamers die thans toeristische attracties vormen, staan vol met pronkstukken van "lichaamsknijpkunst" die in werkelijkheid misschien nooit zijn gebruikt. Ons lopen er de rillingen van over de rug. Dat is ook de bedoeling: als een misdadiger 's avonds in het schemerdonker door een angstaanjagend uitgedoste scherprechter in zo'n folterkamer wordt binnengebracht, krijgt ook hij de koude rilling. Hij moet zich uitkleden en krijgt een folterkiel aan en dan begint de plechtigheid.

In drie fasen wordt gefolterd: eerst met dreigementen, vervolgens worden de duimschroeven aangelegd en als dat geen effect heeft, grijpt de scherprechter de spitsroeden en trekt hij desnoods al zijn registers open.
Rechts Kasteel Huis Bergh
Hoe de folterkamer op Huis Bergh er uit ziet, is niet bekend. In ieder geval heeft de scherprechter Wolter Jansen de middelen bij de hand om mensen te dwingen de misdaden te bekennen die door het getuigenverhoor reeds zo klaar zijn als de dag.

De volgende straffen werden in die tijd vaak uitgevoerd. Vaak dus door mijn voorouders.
De galg, de brandstapel (deze straf is rond 1680 nog twee maal in het ambt Bergh uitgevoerd), knijpen met gloeiende tangen, geseling, brandmerken, radbraken, kaakstelling, tuchthuis, boete, verbanning en onthoofding.

Meester Wolter Jansen heeft maar één keer het zwaard hoeven te gebruiken om iemand te onthoofden. Dat is op 28-6-1677 als Hendersken Wolberinck wordt terechtgesteld. Zij is 19 jaar en geboren te Bocholt. Als zij in 1676 bij Jan Alers in Arnhem in betrekking is, wordt zij "bezwangerd" door een ruiter Johan van de Compagnie van de graaf van Styrum. Sinds begin 1677 woont zij "te Stokkum bij haere moeije" en sinds een maand "ten huize van Willem te Waeter te 's Heerenberg. Zij weet met haar kind geen raad en "vermoordt" het; zij verbergt het lijkje in het beddestro. Ze wordt veroordeeld en mijn voorvader is de gene die het zwaard heft en haar hoofd er af hakt.

Natuurlijk weet ik dat niet alle vondsten die je doet bij stamonderzoek niet leuk zijn, maar deze vondst had ik misschien liever niet gedaan als levert het wel een interessant verhaal op. Ik heb gelezen over de meest gruwelijke straffen en om dan te bedenken dat voor meerdere van mijn voorouders dagelijkse kost was. Op sommige momenten werd ik er echt misselijk van. 
Ik hoop maar dat ik deze eigenschappen niet mee heb gekregen in het DNA wat ik van ze geërfd heb. Al durf ik nog geen spin te doden dus ik geloof dat dat wel goed zit...

Dit is een door mij verkort en aangepast verhaal samengesteld uit de verhalen op de site van Theo Goossen. De gehele verhalen zijn op https://theo-goossen-zevenaar.webnode.nl/voor-galg-en-rad2/ en https://theo-goossen-zevenaar.webnode.nl/news/tachtig-criminele-processen2/

dinsdag 2 juni 2015

Op naar Amerika

Laat ik u vandaag eens een klein beetje vertellen over mijn voorouder Anton Jansen. Anton werd in 1799 geboren in Stadlohn in Duitsland. Zoals hier onder te zien is, trouwde Anton Jansen met Maria Catherina Vogedes, zo rond 1831, waarschijnlijk in Bredevoort.


Ze kregen samen 4 kinderen: 
  • Hermanus Christianus Jansen, hij werd in Bredevoort geboren op 15-04-1832
  • Maria Christina Jansen, zij werd geboren in bredevoort op 15-3-1834 en stierf na 8 dagen.
  • Christina Maria Jansen, zij werd in Aalten geboren op 31-7-1835.
  • Wilhelmus Hendrikus Jansen, hij kwam ter wereld op 17-4-1840.
Na 11 jaar huwelijk, op 8 januari 1843 overleed Maria Catharina Vogedes in Bredevoort, ze was nog maar 34 jaar oud. Ze liet een man en drie kinderen achter. 
De oudste zoon was op dat moment 10, en de jongste was nog maar 2 jaar. Anton stond er nu alleen voor, met drie kleine kinderen. 

Anton was landbouwer in Bredevoort. In 1843 viel er veel hagel waardoor oogsten mislukten. Twee jaar later, in 1845, was het extreem droog en brak de aardappelziekte uit waardoor er enorme honger ontstond. De landarbeiders hadden veel te leiden, velen waren werkloos, ze verdienden erg weinig en ziektes als cholera maakten veel slachtoffers. Dat zal Anton wanhopig hebben gemaakt. 

Drie jaar na de dood van zijn vrouw, vertrok Anton in 1846, naar Noord-Amerika. Alleen, zonder zijn kinderen. Die waren op dat moment  14, 11 en 6 jaar oud. Voor mij als moeder, onbegrijpelijk dat je je kinderen, die al geen moeder meer hebben, achter laat om zelf in een ver land geluk te gaan zoeken. Hij moet wel erg wanhopig zijn geweest...
De kinderen gingen bij hun oom en tante in Bredevoort wonen, de broer van hun moeder, Joannes Hermanus Henricus Vogedes, en zijn vrouw Dorothea Bettink. 

Anton was niet de enige Achterhoeker die naar Amerika emigreerde. Rond Winterswijk en omgeving zijn in die jaren zo'n 6000 mensen vertrokken om in Amerika een beter leven te beginnen. 

Dochter Christina Maria was dienstmeid bij de familie van Eijck in Bredevoort. En al voor haar huwelijk stond ze inwonend ingeschreven bij de familie van haar aanstaande, de familie Frenken.  Ze trouwde op 24 jarige leeftijd met Antonius Frenken. Op de huwelijks akte stond bij de vader geschreven, "woonplaats onbekend". De oom waar ze als kind, na het vertrek van haar vader, in huis heeft gewoond was getuige. 

Christina Maria en Antonius kregen samen 9 kinderen. Ze overleed op 71 jarige leeftijd in Bredevoort. Haar man Antonius Frenken overleed amper een half jaar later in het Rooms Katholieke Krankzinnigen gesticht in Venray, 5 dagen na zijn aankomst.

Waarschijnlijk hebben de kinderen van Anton Jansen en Maria Catherina Vogedes hun vader nooit weer terug gezien. Ik kan geen gegevens vinden van een terug keer van Anton. Ook heb ik Anton nog niet op een passagierslijst richting Amerika kunnen vinden, dus weet ik ook niet waar hij gebleven is en wat er van hem geworden is.