zondag 15 maart 2026
Kindred spirit
donderdag 5 maart 2026
Elizabeth Groeneweg - van Bever
Soms laat een zoektocht je niet meer los. Zo ook de zoektocht naar wat er is gebeurd in de Tweede Wereldoorlog met Elizabeth Groeneweg- van Bever, de overgrootmoeder van mijn schoonzus. Het is een triest verhaal. Een verhaal waar ik uit nieuwsgierigheid eens naar vroeg en ik "eventjes" online naar ging kijken. Het verhaal werd voor mij echter steeds intrigerender, uitgebreider en verdrietiger. Het riep ook steeds meer vragen op dan dat ik antwoorden vond. Het is een verhaal over een Joods gezin, zoals zovele voor de oorlog, waarvan niemand ooit weer naar huis keerde.
Binnen de Joodse traditie is het belangrijk om de namen te noemen van diegene die zijn overleden. Als je naam niet meer genoemd wordt ben je past echt overleden. Daarom noem ik hier de namen van Elizabeth en haar familieleden, de voorouders van mijn neefje. Zodat hun verhaal levend blijft en ze niet worden vergeten.
Hun namen staan vermeld op het Holocaust monument in de voormalige Jodenbuurt in Amsterdam. Tussen de ruim 102.000 namen van de slachtoffers van de Holocaust die geen individueel graf hebben, heeft ieder familielid zijn eigen steen. De stenen met de namen, geboortedata en leeftijd bij overlijden zijn te adopteren. Dat kan via deze LINK.
Het kan zijn dat er nog (verre) familieleden in leven zijn, vanwege privacy redenen noem ik daarom de mogelijk nog levende familieleden in het verhaal niet bij naam.
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Voor de Tweede Wereldoorlog woonden er zo'n 13.000 Joden in Rotterdam. Rotterdam was daarmee, na Amsterdam en Den Haag, de derde Joodse plaats in Nederland. In Rotterdam woonde het gezin van Bever-van Spier. Een normaal Joods gezin bestaand uit zeven personen. Vader is Samuel Levie van Bever. Hij werd op 5 augustus 1885 geboren in Rotterdam en was de jongste van acht kinderen, waarvan er twee niet ouder dan één jaar zijn geworden. Zijn vader was de Amsterdammer Elias Samuel van Bever (1846-1897) en zijn moeder, de in Rotterdam geboren Elizabeth Spetter (1843-1933).
Moeder Mietje van Spier deelde dezelfde verjaardag als haar man. Zij werd twee jaar later in 1887 geboren, ook op 5 augustus, in Culemborg. Haar vader was de, in Culemborg geboren, Marcus van Spier (1835-1913) en haar moeders naam was Saartje Levie (ca. 1845-1914). Zij werd geboren in Rheden. Mietje was ook het jongste kind in een gezin van zeven kinderen. Eén zusje overleed op één jarige leeftijd, een broertje met zes maanden.
Mietje en Samuel Levie trouwden op 7 juni 1911 in Rotterdam. Mietje was toen drieëntwintig en Samuel vijfentwintig jaar oud. Mietje was op het moment van trouwen al zwanger, een buikje moet al te zien zijn geweest. Slecht vier maanden later werd hun eerste dochter geboren. Op 26 oktober 1911, een koude en regenachtige herfstdag, beviel Mietje van dochter Elizabeth. Vernoemd naar de moeder van Samuel; Elizabeth Spetter. Deze Elizabeth Spetter heeft na het overlijden van haar man nog een tijdje bij het gezin van Bever-van Spier in huis gewoond.
Op zeven september 1913 werd er opnieuw een dochter geboren; Saartje; vernoemd naar de moeder van Mietje; Saartje Levie. Op 6 januari 1915 komt dochter nummer drie ter wereld; Esther. Vernoemd naar de oudste zus van Samuel; Esther van Bever. Helaas overleed het meisje al op 8 februari 1915 aan de Zandstraat 66b in Rotterdam, net een maand oud.
Er volgde op 31 maart 1916 weer een dochter; Lena. Waarschijnlijk vernoemd naar de oma van Mietje; Leentje Levie. Op 8 augustus 1919 werd eindelijk een zoon geboren; Elias Simon van Bever. Vernoemd naar zijn opa, die al was overleden, maar die ook als naam Elias Simon van Bever had. En op 17 december 1922 volgde de laatste zoon Marcus. Vernoemd naar de reeds overleden vader van Mietje; Marcus van Spier.
De persoonskaart van het gezin is een rommeltje, maar ik maak er op uit dat het gezin in elk geval bij het begin van het huwelijk heeft gewoond aan de Helmersstraat 1b in Rotterdam.
![]() |
| Helmerstraat 1921 |
Voor de Tweede Wereldoorlog werd deze straat bevolkt door de Joodse arbeidersklasse van Rotterdam. Negentig procent van de Rotterdamse Joden behoorden tot deze groep. Ook woonde het gezin in verschillende huizen aan de Zandstraat. Deze straat vormde het hart van de Zandstraatbuurt en was de meest Joodse buurt die Rotterdam ooit gekend heeft. De Zandstraat werd al voor de oorlog gesloopt. Het waren veelal verkrotte huizen en het arme deel van de Joodse bevolking woonde hier, maar ook de prostituees huurden hier hun kamertje en was er veel criminaliteit. Zo'n tien procent, op een bevolking van 2500 personen in deze buurt, was van Joodse afkomst. Ook de Helmersstraat verarmde drastisch tijdens de crisis van de jaren dertig.
Samuel wordt bij zijn huwelijk in 1911 vermeld als melkbezorger. Vervolgens staat hij bij de geboorte van zijn kinderen vermeld als; koopman in geregelde goederen (1913), uitdrager (1915), loopknecht (1915), melkbezorger (1916) en koopman in lompen (1919). Een aantal jaren later, als zijn kinderen gaan trouwen staat hij vermeld als koopman (1934-1941).
De Joden werden van oudsher uitgesloten van veel beroepen zoals ambachten en gilden waardoor er vaak niet veel meer overbleef dan handelaar of (markt)koopman te worden. Vaak blonken ze uit in deze beroepen en ontstond de spreekwoordelijke "Joodse handelsgeest". Koopman in allerlei soorten verschillende goederen, ben ik dan ook bij vele familieleden van de familie van Bever als beroep tegengekomen. Met handkarren probeerden ze op markten hun waren aan voorbijgangers te slijten. Tijdens de Duitse bezetting werd het voor Joden verboden op "gewone" markten waardoor er geïsoleerde Joodse markten ontstonden. Ook voor Samuel Levie zal het moeilijk zijn geweest om in het levensonderhoud van zijn gezin te voldoen. Helemaal na het bombardement op Rotterdam van 10 mei 1940 en daaropvolgende capitulatie en beperkende maatregelen die Duitser aan de Joden oplegden.
Welke plaats nam religie in binnen de familie van Bever? Gingen ze naar de synagoge? Vierden ze Joodse feestdagen, hielden ze zich aan de sabbat of aan de koosjere wetten, vierden ze hun Bar/Bat Mitswa? Drie van de vijf kinderen van Samuel Levie en Mietje trouwden met een niet Joodse partner. Wel woonden het gezin vaak midden in Joodse buurten. De kinderen zaten op reguliere scholen (Joodse scholen werden pad na 1941 opgericht in Rotterdam). In neem aan dat religie wel een rol speelde maar dat ze geen traditionele of orthodoxe joden waren. Maar ik kan het mis hebben.
Voor de bevolking van Rotterdam begon de oorlog met het bombardement ten volste. Achthonderd mensenlevens gingen verloren, 24.000 Woningen gingen in vlammen op en 80.000 mensen werden dakloos. Was de familie van Bever een van de slachtoffers die al hun bezittingen in vlammen op zagen gaan? Verloren ze hun huis? Ik kan er niets over vinden en de persoonskaart brengt ook niet veel uitkomst. Het zal in elk geval een grote impact hebben gehad op het dagelijks leven van de Rotterdammers. De gehele infrastructuur van de binnenstad was immers verwoest.
Na de capitulatie op 14 mei 1940 trokken de Duitse troepen de stad in. In de eerste maanden van de bezetting was het nog een relatief rustige periode. Er werd voornamelijk puin geruimd en van de bezetter was niet veel merkbaar. Het normale leven kon toch weer redelijk doorgang vinden.
Voor Joden was dat anders. Op 21 november 1940 werden alle Joodse ambtenaren ontslagen. Vanaf begin 1941 moesten alle personen van Joodse bloede zich aanmelden als Jood. Vanaf april 1941 werden de persoonsbewijzen ingevoerd en moesten de Joden een letter J in hun persoonsbewijs hebben. Allerlei maatregelen zorgden ervoor dat de Joden werden gesegregeerd. In augustus 1941 werd een deel van Rotterdam verboden voor Joden en Joodse kinderen mochten niet meer naar een reguliere school.
Samuel Levie en Mietjes oudste dochter, Elizabeth trouwde op 22 augustus 1934 met de niet Joodse Frans Jacob van Groeneweg.
![]() |
| Handtekeningen van Samuel Levie, Mietje, Elizabeth en Frans Jacob onder de huwelijksakte |
Het gezin woonden volgens de persoonskaart aan het begin van het huwelijk aan de Eendrachtstraat. Vervolgens aan de Aert van Nesstraat waar de oudste zoon geboren is. Daarna verhuisden ze naar de Warmoezierstraat. Dochter Hendrika Johanna Groeneweg, de oma van mijn schoonzus, werd waarschijnlijk aan de Goudscheweg in Rotterdam geboren. En in 1938 woonden het gezin aan de Boomgaarddwarsstraat waar de jongste zoon ter wereld kwam. Niet alle adressen op de kaart kan ik goed lezen, sommige zijn vaag met potlood geschreven dus ik weet niet of ik alle namen goed en compleet heb. Maar dat ze in vijf jaar tijd zeven keer verhuizen geeft aan dat het gezin het niet breed had.
![]() |
| Goudscheweg Rotterdam |
![]() |
![]() |
Jonas' zus Rebecca was getrouwd met de broer van Lena; Elias Simon van Bever. Het stel had een zoon van één jaar oud, Samuel. De kleine Samuel en zijn moeder zaten gevangen in kamp Vught.
In kamp Vught zaten kinderen niet bij hun ouders in barakken. Er was een speciaal kindergedeelte in het kamp. De kinderen zagen hun ouders nauwelijks omdat zij moesten werken in het kamp.
Het kindergedeelte zat overvol. Er heersten moeilijk te beheersten besmettelijke ziekten en omdat de kinderen geen werk verrichten werd besloten de kinderen uit het kamp weg te halen. Op 5 juni 1943 werd bekend gemaakt dat er twee massadeportaties zouden plaatsvinden. Alle aanwezige kinderen in het kamp moesten naar een speciaal kinderkamp.
Op 6 juni 1943 moesten alle kinderen van nul tot drie jaar met beide ouders op transport. En op 7 juni 1943 vertrokken alle kinderen van vier tot en met zestien jaar met één ouder. Midden in de nacht om half vijf vertrok het transport zodat er geen kans was om afscheid te nemen van de achterblijvende ouders of familie.
Na een uitputtende reis van tien uur kwam het transport aan in kamp Westerbork. Op 8 juni vertrok het grootste joden transport ooit vanuit Nederland naar Sobibor. Verdeeld over maar liefst zesenveertig wagons zaten 613 mannen, 1350 vrouwen en 1051 kinderen tot en met 16 jaar oud. Hiervan waren 55 baby's, 123 peuters en 119 kleuters. Op 11 juni 1943 kwam het transport aan in Sobibor. Ik kan me geen voorstelling maken hoe deze reis moet zijn geweest. Een stampvolle wagon waar men bijna niet kon zitten met slechts een ton water en een ton voor ontlasting en dan al die huilende of apathische kinderen. Ik heb er vaak over gehoord en over gelezen maar elke keer als ik denk aan hoe dit moet zijn geweest word ik weer misselijk en onpasselijk. Al die onschuldige kinderen.
Bij aankomst zijn alle ruim 1000 kinderen direct vergast. Ook de eenjarige Samuel en zijn moeder Rebecca hadden geen schijn van kans. Rebecca werd slechts 21 jaar oud.
Dochter Saartje van Bever scheidde in januari 1941 van de niet Joodse Jacobus van Bergen. Uit dit gemengde huwelijk zijn twee dochters geboren; Elizabeth Petronella in 1934 en Mietje in 1938. Saartje had een verhouding met de getrouwde niet Joodse Leendert Voortman. Van hem kreeg ze ook twee kinderen. Bij aankomst in kamp Westerbork op 10 april 1943 had Saartje één van deze twee kinderen mee; Wilhelmina Jacoba Cornelia van Bever, één jaar oud. Het andere kind is waarschijnlijk achtergebleven in Rotterdam. Mogelijk is dit kind nog in leven.
Saartje en dochter Wilhelmina verbleven in Westerbork in barak zeventig. Saartje heeft alles in het werk gesteld om deportatie te voorkomen en haar en haar dochtertje Wilhelmina te redden. Uit notities tussen 12 april en 17 juni 1943 bleek onder andere dat vrijstelling van deportatie als gemengd gehuwde niet mogelijk was omdat Saartje in 1941 gescheiden was van haar niet Joodse echtgenoot. Voor dochter Wilhelmina kon wel een verzoek worden ingediend omdat zij G1 (half joods, 1e graad) was. Er waren zo snel mogelijk bewijsstukken nodig dat de biologische vader Leendert Voortman, twee Arische grootvaders had. De geboorteakte van Wilhelmina moest opgestuurd worden, en er moest een negatief-verklaring van de Joodse gemeente Rotterdam t.b.v. Wilhelmina en een erkenningsakte van de vader nodig. Op 5 mei waren bijna alle stukken binnen, alleen was vader Leendert Voortman op dat moment in Berlijn en zodoende kon hij de erkenningsakte niet geven. Op 5 juli blijkt dat het geen zin meer heeft om de verdere gevraagde verklaringen te verkrijgen. Want op 12 juni 1943 overleed dochter Wilhelmina, slechts 15 maanden oud. Het verzoek werd daarom afgewezen. Wilhelmina is op 15 juni in Westerbork gecremeerd. De urn met haar as is op de Joodse begraafplaats in Diemen bijgezet. Uiteindelijk werd Saartje na twee maanden inspanning en onzekerheid over de uitkomst van haar verzoeken op 13 juli op transport naar Sobibor gezet waar zijn meteen bij aankomst op 16 juli 1943 werd vermoord.
Op de plek waar in Rotterdam ooit Loods 24 stond is nu een namenmonument te vinden voor alle 686 Rotterdamse kinderen tot en met twaalf jaar die vanuit deze plek naar de vernietigingskampen zijn vervoerd. Hierop staan ook de namen van de kleinkinderen van Samuel Levie van Bever en Mietje van Spier; Samuel van Bever (1 jaar), Wilhelmina van Bever (1 jaar) en Jacob Emanuel Roodfeld (5 jaar).
Tot 1 februari 1944 was er in Rotterdam een groep joden jagers actief. Deze groep bestond uit ca. dertig Rotterdamse politieagenten en werd Groep X (10) genoemd. Deze groep X was berucht voor het opsporen en opbrengen van Joden. Voor elke opgebrachte Jood kon een premie van 7,50 gulden worden ontvangen. De premie werd betaald door de roofbank Lippmann Rosenthal. Deze premie werd dus eigenlijk betaald met het van de Joden geroofde geld! Op deze manier zijn in Rotterdam door deze groep zo'n 857 Joden verraden. Elias Simon van Bever, de enige in 1944 nog levende zoon van Samuel Levie en Mietje en chauffeur lompensorteerder van beroep, werd opgepakt door deze groep X.
Elias Simon werd na zijn arrestatie op 22 april 1943 naar kamp Moerdijk gestuurd, dit was een Aussenkommando van kamp Vught. De Joodse mannen die hier zaten werden ingezet bij het graven van tankvallen in Zuid-Holland. Vanuit Vught werd hij op 17 september 1943 op transport gezet naar kamp Westerbork. Hier verbleef hier slechts vier dagen. Op 21 september werd ook hij op transport gezet naar vernietigingskamp Auschwitz. Hier werd Elias Simon geselecteerd voor dwangarbeid. De levensverwachting bij dwangarbeid was erg kort. Eerder een kwestie van weken dan van maanden.
![]() |
| Kaart uit de Carthoteek van de Joodse Raad van Elias Simon |
Elias Simon heeft echter zes maanden lang standgehouden onder verschrikkelijke omstandigheden. Maar net zoals bijna alle gevangenen kwam ook hij uiteindelijk om het leven door een combinatie van grove mishandeling, uithongering, slecht schoeisel en kleding, dwangarbeid en slechte hygiëne en medische verzorging. Op 28 februari 1944 overleed Elias Simon op vierentwintigjarige leeftijd.
Op dezelfde dag dat haar broer in Auschwitz overleed, werd op 28 februari 1944 werd het laatst levende gezinslid van de familie van Bever, de oudste dochter Elizabeth opgepakt. Door haar gemengd huwelijk bleef Elizabeth heel lang onder de radar. Ze had een rode J in haar persoonsbewijs waardoor ze (voorlopig) vrijgesteld was van transport. Er was echter steeds de angst om op grond van een willekeurige overtreding van de Duitse wetten naar Westerbork gedeporteerd te worden. En dat de ze alsnog zoals de rest van haar familie op de trein naar de vernietigingskampen gezet zou worden. Elizabeths ouders, broers, zussen, neefjes, nichtjes, oom en tantes waren al weggevoerd, hun bezittingen geroofd en hun bedrijven geconfisqueerd.
Toen Elizabeth werd opgepakt was ze woonachtig aan de Cothenstraat. Dit lag in het zogenaamde Utrechtse Dorp. Dit waren noodwoningen die gebouwd zijn in de Tweede wereldoorlog na het bombardement op Rotterdam. Het Utrechtse dorp, met 119 stenen woningen, werd pal naast het Noorderkanaal gebouwd van de stenen die overbleven na het ruimen van het puin na het bombardement. En nadat in 1940 een deel van de sloppen uit het Zandstraatkwartier werden gesloopt kwamen veel van de armste bewoners uit de binnenstad in deze noodwoningen terecht.
![]() |
| Cothenstraat Rotterdam |
Elizabeths man Frans Jacob Groeneweg was vuurstoker op de grote vaart. Met de grote vaart wordt bedoeld de zeereizen, de maandenlange reizen met een schip over de oceaan. Dit betekende dat Elizabeth voor lange tijd in haar eentje achterbleef om voor hun drie kinderen te zorgen. Bij Elizabeths arrestatie was ze in haar eentje. Ik vond geen vermelding van aanwezigheid van haar kinderen.
Op de kaarten van andere gearresteerde Joden vond ik vele bijschrijvingen van de bezittingen die de opgepakte bij zich had op het moment van in hechtenisneming. Bij Elizabeth staat echter niets vermeld. "Geen fouill." lees ik er.
Ik denk dat ze óf niet gefouilleerd is, maar dat lijkt me sterk óf dat ze geen bezittingen bij zich had en dat duidt op een onverwachte arrestatie. Waar waren haar kinderen op dat moment? Bij haar? Bij hun vader? Of zat hij toen op zee? Waar de kinderen bij familieleden van zijn kant? Haar familie was immers allemaal al afgevoerd.
Mogelijk is Elisabeth verraden. Op de achterkant van de kaart staat namelijk een bedrag; 7,50 gulden. Eerst dacht ik dat het een bedrag was wat ze bij zich droeg. Maar het is hetzelfde bedrag als het zogenaamd "kopgeld". Het bedrag dat je kreeg als beloning als je een Jood verraadde.
Na wat vergelijking met andere kaarten ben ik er vrij zeker van. Op andere kaarten waar hetzelfde bedrag staat vermeld staat dat het bedrag werd uitbetaald. Steeds weer datzelfde bedrag. En de bezittingen en geldbedragen die de arrestanten bij zich hadden worden niet aan de achterkant vermeld maar aan de voorkant van de kaart.
![]() |
![]() |
| Sophia Noach-van Spier |
Ik heb ook de gezinnen van de broers en zussen van Samuel Levie en Mietje onderzocht.
![]() |
| Familieleden Samuel Levie van Bever en Mietje van Spier |
Toevallig kwam ik de volgende dag ditzelfde verhaal tegen toen ik verder de stamboom van de familie Bever aan het uitzoeken was. Het bleek om een volle neef van Elizabeth Groeneweg-de Bever te gaan, de gemengd gehuwde Abraham (Bram) van Ploeg. Hij was een zoon van Mathilda van Bever (een tante van Elizabeth) en David Ploeg.
Abraham kreeg in het begin van de oorlog een sperre vanwege zijn gemengde huwelijk. Hij werd tijdens de Rotterdamse razzia van 1944 opgepakt en samen met 150 andere mannen in een kolenschip geladen. Honderdvijftig mannen opgepropt in een ruim van 25 vierkante meter. Liggen, zitten en naar de wc gaan was niet mogelijk. Na uren wachten kwamen de schepen in Amsterdam waar eten en drinken werd gegeven. Na drie dagen varen kwamen de schepen in Kampen aan. Hier werd Bram bij het verlaten van het schip in koelen bloede neergeschoten door de dronken Duitse Oberleutnant van de Wehrmacht Ernst August Willy Bartzen en in het water getrapt. De andere Rotterdamse mannen moesten machteloos toekijken hoe Bram zwaargewond verdronk. De Duitsers stonden erbij te lachen....
Aan de van Heutzskade in Kampen ligt een Stolpersteine voor Abraham van Ploeg. Bram en zijn vrouw Helena Maria Duiker kregen drie kinderen. Mathilde (1933) overleed al op tweejarige leeftijd. De andere twee kinderen hebben waarschijnlijk de oorlog overleefd. Mogelijk zijn zij nog in leven.
![]() |
| Stolpersteine Abraham van der Ploeg |
woensdag 11 februari 2026
Verdronken voorvaders
Wanneer je voorouders generaties lang op een eiland hebben geleefd en bijna allemaal zonder uitzondering vissers waren dan ontkom je er niet aan dat je er achter komt dat er voorouders van je zijn verongelukt op zee.
Van vier voorouders weet ik dat ze zijn overleden zijn op de Noord- of Zuiderzee. Over vader en zoon Coridon schreef ik al eens eerder. Helaas weet ik van de andere twee voorouders niet exact de omstandigheden van hun overlijden. Toch geeft hun verhaal een goed beeld van de zware omstandigheden op en rond het eiland waarop ze woonden.
![]() |
| Storm op Schokland |
Reijer Jacobs Kale/Kaale werd geboren in Ens op Schokland. Op 28 maart 1706 werd hij gedoopt. Hij was de zoon van Jacob Klaasz Kale en Nelletje Reijers. Zijn bijnaam was Kalen Jacobs Reijer. Misschien was hij kaal en komt daar de uiteindelijke achternaam vandaan. Op 30 december 1736 huwde de toen dertig jarige Reijer met Lijsje Michiels, zij was al drieëndertig jaar en naar mijn idee vrij oud om te trouwen. Ze woonde ook in Ens en was de dochter van de schout van Ens; Michiel Jansz. In het trouwboek van Schokland werd vermeld bij hun plechtigheid; "Heel stil sittende". Aanwezig bij het trouwen waren zeventig eilanders en vijf vreemdelingen uit Deventer.
Reijer was naast visser ook diaken en ouderling. Met kerst 1738 werden Reijer en Leijsje aangenomen tot lidmaat van de Gereformeerde kerk op Ens. Ze woonden op de Molenbuurt (Ens) en werden ook in 1741 vermeld als lidmaten. Op 4 februari 1742 werd Reijer gekozen tot diaken voor de Noorderbuurt en op 20 mei 1742 werd dit bevestigd. Hij bleef Diaken tot 1 februari 1745.
Samen kreeg het gezin acht kinderen. Nelletje (1737), Eva (1738), Eva (1740), Maria (1742), Maria/Marretje (1744), Catherina/Trijntje (1746), Jacob (1749) en Leijsen (1751).
Leijsjen stierf in het kraambed in de avond van 27 november 1751, de dag dat haar dochter Leijsjen werd geboren. Ze was toen nog maar drieëndertig jaar oud.
Reijer had nu de zorg over de pasgeboren baby en de andere jonge kinderen. Hun oudste dochter Nelletje was op dat moment nog maar dertien jaar oud. Veel zorg zal op haar schouders terecht zijn gekomen. Reijer hertrouwde niet maar zal hulp hebben gehad van de familie voor de zorg van zijn kinderen.
Op 10 januari 1753 werd Reijer gekozen als ouderling voor de Noorder- of Molenbuurt. Hij bleef aan tot 2 februari 1755. Op 4 januari 1761 werd hij voor de tweede keer gekozen als ouderling en dit bleef hij tot aan 30 januari 1763. Er volgde nog een derde termijn; van 1 januari 1769 tot aan 27 januari 1771.
Op 19 juni 1773 was Reijer, toen zevenzestig jaar oud, aan het vissen op de Noordzee. Een behoorlijk eind van huis. Het was die dag een graad of vijftien er stond een noordoosten wind en het was flink bewolkt. Ik heb niet kunnen terug vinden of het die dag stormde maar om een of andere reden is Reijer over boord geslagen en verdronken. Die nacht nog is hij uit het water gevist en naar Ens gebracht. In het dagboek van de pastoor staat vermeld; "obiit a.d 19 junij 1773, quam atessime cum in mari boreali piscatur, cadave noctu huc adlatum" wat betekend; overleden 19.6.1773 vissend op de Noordzee, en 's nachts dood hierheen gebracht. Reijers kinderen waren ten tijde van zijn overlijden al volwassen en konden voor zichzelf zorgen.
Mijn voorvader Everhardus Jacobus Coridon kwam op 18 februari 1807 tijdens een zware sneeuwstorm om het leven. Ook zijn vader Jacob overleed tijdens deze zware nacht op de Zuiderzee.
De Schokker Pastoor Doorenweerd schreef daarover in zijn dagboek; "Jacob Coridon, een grijsaard van 75 jaar, die met zijn zoon Evert en kleinzoon Jantje in de schuit was, schoot er ook het leven bij in. Evert, door armoede, gebrek, koude en vermoeiing uitgeput, kon niet langer pompen. Het was nacht, zij werden genoodzaakt de schuit aan winden en zee ten prooi te geven. De dood was voor hun ogen en dat zagen zij. Zij wekten elkander op tot berouw over hun zonden, vroegen elkander vergeving, zegden elkaar vaarwel en zoo ontsliep Evert biddende. De oude man kroop in de kooi, het kleine Jantje van dertien ging tusschen zijn beenen liggen en zoo zat de schuit op strand, totdat de 20e het weer wat bedaarde. Een burgemeester van Doornspijk (zijn naam zij eeuwig gezegend) waadde naar de gestrande schuit, keek er in en vond de lijken, doch meende nog eenige beweging in het beentje van de jongen te bespeuren. Hij nam hem op zijn schouders, droeg hem naar de wal in zijn huis. Dadelijk werden de geneeskundigen gehaald en na eenige uren gearbeid te hebben, om het verdoofde levensvonkje weer op te wekken, gelukte het hun dat kind in het leven terug te roepen". Tijdens deze zware sneeuwstorm verloren nog acht Schokkers hun leven op de Zuiderzee. Een zwarte dag voor het eiland.
Jacob Jans Coridon, ook Japik genoemd werd geboren op 13 februari 1735 in Ens op Schokland. Hij werd op 20 februari gedoopt. Zijn vader was Jan Jacobs Coridon, bijnaam Brechten Jantje en zijn moeder heette Nelletje Peters.
Japik trouwde op zijn eenentwintigste met Maria Everts Goossen, achttien jaar oud en een jongedochter van Ens. Het echtpaar kreeg maar liefst elf kinderen, die bijna allemaal de volwassen leeftijd haalden. Eén van de elf kinderen was mijn voorouder Everhardus, roepnaam Evert. Zoals bijna alle Schokkers moesten ook Evert en Japik vissen om in hun levensonderhoud te kunnen voldoen. Kinderen gingen al op jonge leeftijd met hun vader mee op de schuit om het vak te leren. De elfjarige Joannes Evers (geen dertien zoals in het dagboek wordt vermeld), roepnaam Jantje, was die noodlottige dag met zijn opa en vader mee vissen. Door toedoen van zijn grootvader overleefde Jantje deze tragedie en werd hij na twee dagen meer dood dan levend gevonden in de gestrande schuit in Doornspijk. Door de zorg van de burgermeester en geneeskundigen van Doornspijk knapte Jantje weer op. Hij zou uiteindelijk na de ontruiming van Schokland overlijden in Kampen op negenenzeventig jarige leeftijd.
Evert overleed, slechts veertig jaar oud. Zijn vrouw; Maria Jansen Tromp bleef met zeven kinderen achter. Tien maanden later werd Maria zelf ziek. Verteerd door een langdurige heersende koorts overleed zij op eerste kerstdag 1807. De kinderen als wees achterlatend...
Jacob Dubbelsz werd rond 1707 geboren in het katholieke Emmeloord op Schokland. Wie zijn ouders waren is niet bekend. Zijn vader zal Dubbel hebben geheten. Achternamen werden toen niet veel gebruikt. Zijn nakomeling werden Bakker of Brasser genoemd.
Jacob trouwde met Maria Jacobsen op 19 januari 1735 in Emmeloord. Het echtpaar kreeg samen tien kinderen. Bijzonder is dat ik van drie van die kinderen afstam. Zowel dochter Aleida, als Joanna en Maria zijn mijn voormoeders. Maria Jacobsen overleed in 1760 op negenveertig jarige leeftijd. Hun oudste dochter Aleida was op dat moment vierentwintig jaar oud en zou bijna gaan trouwen. Joanna was negentien en Maria was elf jaar oud.
Op maandag 31 oktober 1768 verdronk Jacob op de Zuiderzee. Hij was op dat moment zestig jaar oud. Hij schijnt samen met Wilhelmus Nicolaij te zijn omgekomen op zee. Misschien is hun schuit gezonken?
Ik vond online dat het weer op die dag ca. negen graden en er viel 22 mm neerslag. De wind was overheersend uit het westen. Een natte bewolkte dag. Wat de omstandigheden van zijn overlijden zijn geweest heb ik niet kunnen vinden.
![]() |
zondag 1 februari 2026
Frederik Johannes van Adrichem
Op 6 november 1887 werd aan de Horssteeg (thans Emmastraat) in Enschede, Frederik van Adrichem geboren. Frederik was een zoon van Johannes van Adrichem en Judith Langkamp. Bij zijn geboorte bestond het gezin uit broer Albert van drie jaar oud en zus Johanna die slechts 13 maanden jonger is dan Frederik. Frederik werd vernoemd naar zijn oma van moeders kant; Frederica Godschalk.
![]() |
| Johannes van Adrichem en Judith Langkamp |
Na de geboorte van Frederik werd in 1889 broertje Heinrich geboren. Als Frederik vier jaar is overlijdt zijn zevenjarige broertje Albert. Zijn zusje Albertina werd geboren en overleed na één jaar en zestien dagen oud. Zusje Barendjen werd een jaar na het overlijden van Albertina, in 1894 geboren. Zij werd vernoemd naar haar grootvader Barend Langkamp die in 1895 overleed.
Zijn tante Johanna Catharina Vitjeroo en haar man Abraham de Roo overleden op jonge leeftijd en lieten drie zoons; Stephanus Johannes (1880), Johann Martin Hubert (1883) en Wilhelm Friedrich (1885) als wees achter. Vader Johannes van Adrichem werd voogd van de jongens. Mogelijk kwamen de drie zoons bij het gezin inwonen. De neefjes waren toen tussen de zestien en elf jaar oud. Frederik was op dat moment acht jaar.
![]() |
| Johann Martin Hubert de Roo |
Het gezin van Johannes en Judith hebben tussen 1887 en 1896 afwisselend in Duitsland in Frensdorf (Nordhorn), Ibbenbüren en Schüttorf gewoond. De neefjes van Frederik groeiden op in het Duitse Rheine. Na het overlijden van de oom en tante van Frederik ging het gezin weer in Enschede wonen waar in 1896 zusje Alberdina werd geboren. Zusje Barendjen is niet meer te vinden op de gezinskaarten nadat ze weer in Enschede ging wonen, waarschijnlijk is zij voor haar zevende jaar in Duitsland overleden. Haar overlijden heb ik echter nooit kunnen vinden.
Zusje Judith werd geboren in 1900 en als laatste kind werd broertje Johannes geboren in 1903. Frederik was op dat moment vijftien jaar oud.
![]() |
| Johannes van Adrichem (1903-1980) |
Het was een groot gezin waar het verlies van de drie broertjes en zusje veel verdriet met zich mee zal hebben gebracht. Tel daarbij op de drie neefjes die mogelijk bij het gezin in zijn komen op en je begrijpt dat het geen rooskleurige jeugd kan zijn geweest en het moeilijk moet zijn geweest om als familie rond te komen.
Frederiks oma Frederica overlijdt en de neefjes gaan één voor één trouwen. Ook zijn oudste zus Johanna Huberta trouwde. Frederik is dan de oudste nog thuiswonend kind. In 1907 als Frederik twintig jaar is moet hij zich melden voor de loting van voor de Nationale Militie. Hij wordt afgekeurd vanwege gebreken. Dat betekend dat hij niet in dienst hoefde.
![]() |
.jpg)








.jpg)



.jpg)
.jpg)



.jpg)







.jpg)



.jpg)













