woensdag 2 oktober 2019

Johannes van Adrichem; Medaille de Sainte-Hélène

Onlangs kreeg ik van een medewerkster van het Rijksmuseum te Amsterdam een mailtje met de vraag of ik meer wist over ene mevrouw A.N. van Adrichem uit Zutphen. 
Deze dame schonk in 1938 een medaille aan het Rijksmuseum en de medewerkster deed onderzoek naar deze medaille en kwam via deze site bij mij terecht. 

Het gaat om de Medaille de Sainte-Hélène, uitgereikt in 1858 aan Johannes van Adrichem (1793-1863) wegens zijn verdiensten in het Franse leger. 
Ze probeerde er achter te komen wat de relatie van deze mevrouw van Adrichem met Johannes van Adrichem is geweest. 

Het gaat om deze medaille
 (foto's nog niet beschikbaar i.v.m. auteursrecht)

Natuurlijk was ik dolenthousiast na dit mailtje, want ik wist niet van het bestaan van deze medaille. 
Ik ben uiteraard meteen aan het zoeken gegaan en zoals ik direct al vermoedde is de medaille een schenking geweest van Anna Wilhelmina van Adrichem (A.W. niet A.N.). 
Over haar en haar zus schreef ik HIER al eerder. 
Ze was de jongste dochter van Aart van Adrichem. Hij was het enige kind dat Johannes van Adrichem met zijn tweede vrouw Catharina van Haarlem kreeg. Zijn verhaal vind je HIER

Anna Wilhelmina was hulp in de huishouding en (huis)naaister, geboren te Amsterdam. Ze heeft verschillende woonplaatsen gehad maar is uiteindelijk in 1964 in Zutphen overleden. 
Ze woonde volgens de telefoongids van Zutphen in 1938 aan de Coehoornsingel wat exact klopt met de gegevens die het Rijksmuseum ook had. 
Zowel Anna Wilhelmina als haar oudere zus Catharina Antje zijn kinderloos gebleven en dat is waarschijnlijk ook de reden dat de medaille en de toebehoren in 1938 geschonken zijn aan het Rijksmuseum. Anna Wilhelmina was toen 62 jaar.  
Kennelijk was er toen geen contact met haar neef Johannes van Adrichem (Enschede) of haar nicht Gerhardina van Adrichem (Groningen).
Zij waren op dat moment de enige twee nog levende directe familieleden. 

De medaille die Johannes van Adrichem in 1858 kreeg is aan hem uitgereikt door de 'Grande Chancellerie de l'ordre Impérial de la Légion'. (De kanselier van het Legioen van Eer) 
De medaille zit in het bijbehorende doosje en er horen drie documenten bij die op naam staan van Johannes waarin staat dat hij gemachtigd is om deze medaille te dragen. 

Uiteraard heb ik meteen gevraagd of ik de medaille kon komen bekijken maar helaas bevindt deze zich in het depot en staat er voor komend jaar een grote depotverhuizing op staat waardoor alles in verhuisdozen zit en niet te zien zijn. Dat is best balen.... het lijkt me erg bijzonder om iets te zien wat 165 jaar geleden van je voorouder is geweest.


In 1858 kreeg Johannes, hij was toen 61 jaar, de Sint Helena medaille uitgereikt. 44 Jaar nadat hij in het leger van Napoleon vocht. Deze oude veteranen werden "Grognards" (oude mopperaars) genoemd. Ze mopperden blijkbaar nogal veel op Napoleon, maar waren hem wel trouw.

Maar liefst 405.000 medailles werden er uitgereikt aan de nog levende veteranen die tussen 1795 en 1815 voor napoleon hebben gevochten. Er was wel haast bij vanwege de hoge leeftijd van de veteranen.
Deze medaille ging vergezeld van een genummerde en op naam gestelde oorkonde met in het midden een tekening van de medaille. 

De rang en de eenheid waar hij in gediend heeft staan ook op de oorkonde vermeld. De oorkonde is ondertekend door de Kanselier van de Keizerlijke orde van het Legioen van Eer. 


De medaille werd gepresenteerd in een kartonnen doos. 
De medaille zelf is brons, omgeven door een dikke lauwerkrans met daarboven een keizerlijke kroon en opgehangen aan een groen lint met vijf rode strepen. In Nederland werd de medaille trouwens niet gedragen, de Franse tijd was voor de Nederlanders een tijd van bezetting en tirannie. 


Op de site stehelene.org vind je 206 foto's van veteranen uit Napoleon's "Grande Armee". 
Onder hen is ook de Nederlander Gerrit Adriaans Boomgaard. Hij was de eerste Nederlander die internationaal als oudste mens ter wereld erkend werd en naar alle waarschijnlijkheid was Boomgaard de laatst overlevende veteraan uit de Napoleontische tijd. Hij overleed in 1899 en werd 110 jaar oud.


Ik vind de foto's prachtig. Allemaal oude, verweerde maar trotse en statige mannen. 
Er zitten ook een paar mannen bij waarvan onbekend zijn wie ze zijn, ik mag graag fantaseren dat Johannes er ook bij zit... 

Wie weet is dit 'm wel ;-) 
Grappig detail is dat Johannes op 8 januari 1814 nadat hij uit Russische krijgsgevangenschap kwam, door het Franse leger vanwege een gewond linkerbeen werd ontslagen, weer naar Nederland vertrok en daar in Nederlandse dienst ging. 
Op 18 juni 1815 vocht Johannes, ditmaal tégen Napoleon tijdens de slag van Waterloo en bracht hem met de 3e divisie waar hij bij dienden, onder leiding van Chassé, de genade slag toe waardoor Napoleon de slag bij Waterloo verloor.  
Als Napoleon dat had geweten, had hij hem vast die medaille niet gedaan!


dinsdag 2 juli 2019

Y-DNA test; Op zoek naar de onbekende voorouder


In navolging van de autosomaal DNA test die ik en mijn vader vorig jaar hebben gedaan, heb ik mijn vader het afgelopen jaar ook laten testen op zijn Y-DNA. Om de ontbrekende vader aan de kant van de van Adrichem's te vinden kan alleen een mannelijk van Adrichem zich laten testen. Het Y-DNA wordt namelijk alleen doorgegeven van vader op zoon. Mijn broer heeft het dus wel, maar ik niet. Vrouwen geven mitochondriaal DNA door aan hun dochters en weer niet aan hun zonen.

Om er achter te komen wie nou de onbekende vader van Johannes van Adrichem is moest ik mijn broer of mijn vader laten testen. Het stond al een tijdje op mijn wensen lijstje om mijn vader hier op te laten testen, maar deze testen zijn erg duur. Op Black Friday was er 50% korting op de test en heb ik toch maar mijn slag geslagen. Na enkele weken kwam eindelijk de uitslag. Omdat ik nogal nieuw ben op het gebied van DNA onderzoek snap ik er vrij weinig van. Het enige wat mij wel opviel is dat van de 16 DNA matches die mijn vader heeft er 15 uit Schotland komen en 11 daarvan hebben de achternaam Munro.

Ik ben gaan zoeken naar de achternaam Munro in Rotterdam en dat bleken er niet veel te zijn. Er is eigenlijk maar één man die in aanmerking komt als de onbekende vader. Maar het mooie is dat deze man in zijn tijd een bekende Rotterdammer was, en daardoor heb ik vrij veel over hem kunnen vinden.
Bord van Andrew Munro met familiewapen, vervaardigd in China
Andrew Munro is de naam van deze man. Andrew (of Andries op z'n Nederlands) werd geboren op 11 november 1762 in Breda als vierde kind van de Schotse soldaat Donald Munro en Florence Ross. Jannet was het oudste kind, geboren in 1751 in Engeland. Alexander was het tweede kind, hij zag in Doornik, België het levenslicht in 1754. Hierna volgde in 1757 Margaretha, zij werd geboren in Nijmegen.
Vader Donald had een broer, ook Andrew genaamd die kolonel was van de brigade waarin Donald diende.
Vader Donald en moeder Florance moeten op jonge leeftijd zijn overleden want Andrew werd op 3 oktober 1773, hij was toen 11 jaar, door de Schotse gemeente bij het gereformeerd Burgerweeshuis aan de Goudsche Wagenstraat te Rotterdam ter opname aangeboden. Zijn broer en zussen waren op dat moment al volwassen, maar konden waarschijnlijk niet in het levensonderhoud van het jongere broertje voorzien.
Zover ik heb kunnen vinden waren de omstandigheden is het weeshuis goed. (op de site van Engelfriet staat een mooie beschrijving van het weeshuis)
Ingang van het Burgerweeshuis
Goudsche Wagenstraat met link de lange gevel van het weeshuis
Andrew blonk al gauw in alles uit. Hij volgde onderwijs aan Mathematisch College en de tekenschool. Hij zou tot aan zijn trouwen in het weeshuis blijven wonen. In 1792 behaalde Munro zijn landmetersadmissie. In 1793 volgde hij zijn leermeester op als fabrieks-landmeter van het Hoogheemraadschap Schieland. Andrew gaf ook nog, uit eigen beweging, gratis lessen aan het Mathematisch college van 1795 tot 1797 om het in verval geraakte college te behouden voor zijn ondergang, wat overigens niet is gelukt. Een van zijn taken als fabriekslandmeter was het maken van een nieuwe plattegrond van Rotterdam. Deze verscheen in 1800 en werd geprezen door de grote nauwkeurigheid waar deze mee was gemaakt.

Deel van de in 1800 uitgebrachte kaart van A. Munro
De vrouw waarmee Andrew in 1787 trouwde was de uit Rotterdam afkomstige Dorothea Eckhardt. Het stel kreeg samen zes kinderen, waarvan er drie meteen na de geboorte stierven. Andrew was goed in wat hij deed en op 27 september 1802 werd Andrew benoemd tot Stadsbouwmeester van Rotterdam, hij was toen 40 jaar oud. Zijn carriere ging voor de wind. Andrew ontwierp de (toen) nieuwe Zeevischmarkt, hij vernieuwde de Korenbeurs en verbouwde de Stads-doele tot gerechtsgebouw. 

Het gerechtsgebouw
Ook zorgde hij voor het rapport voor de restauratie van de St. Laurenstoren. Hij was toen al wat op leeftijd en kon dat werk niet meer eigen ogen opnemen en niet meer zo goed advies geven.

St. Laurenskerk
Op 27 juni 1821 besloten de burgemeester en de fabrieksmeesters hem "om de langdurige diensten door hem aan de stad bewezen, de verzwakking van zijn gezigt en de tevens vermeerdere werkzaamheden, die de meenigvuldigen bestedingen van notable reparatiën en vernieuwingen van stadsgebouwen thands vorderen" toe te staan hulp te nemen voor schrijf- en tekenwerk. Andrew's werk was sinds 1802 een stuk zwaarder geworden. Het voormalige dorp Cool werd bij Rotterdam getrokken, de havens moesten worden uitgediept. Ook was hij als opzichter van Feyenoord aangesteld (het gebied, niet de voetbalclub) 😉

de door Munro ontworpen Beursbrug
In 1827 was Andrew op. Op 26 April verleende de raad hem eervol ontslag op met een pensioen van 2000 gulden met vrije woning in een stadshuisje aan de Overschiesche Straatweg, waar hij als opziener van Feyenoord gehandhaafd bleef.
Op 27 juni 1827 woonde Andrew de laatste vergadering van de commissie van fabricage bij. De hele commissie was gekomen om na bijna 25 jaar trouwe dienst afscheid te nemen van de bouwmeester.   Ook van de titel Bouwmeester werd in 1827 afgedaan, voortaan heette de chef de fabricage, "stadsarchitect".
Sociëteit Amicitia. Gebouwd in 1804 naar ontwerp van Andrew Munro

Andrew's gezondheid ging daarna achteruit. Op 11 november 1833 gaf David Dunlop, lid van de Kerkeraad van de Schotse kerk te Rotterdam, namens zijn zieke vriend Andrew Munro een schenking als aandenken aan deze Schotse gemeente. Het geschenk bestond uit een door Munro zelf ontworpen zilveren doopbekken met deksel. Op het doopbekken is gegraveerd; "In testimony of gratitude and respect, this Baptismal-basin is presented tot the Scottish National Church of Rotterdam, by Andrew Munro, Architect of this City, from 1802 to 1827".
De enige foto die ik van de doopvont kon vinden
Op het doopvont staat ook het wapen van de familie Munro met op de deksel de tekst "Dread God" en op een om het wapen geslingerd lint "The Arms of the Ancient Family of Munro of Fowlis" te lezen staat.
Het wapenschild van de Munro Clan met op de achtergrond de ruit behorende bij de familie
Bij het bombardement van |Rotterdam in 1940 werd het gebouw van de Schotse kerk verwoest. De zilveren doopvont hebben ze wel kunnen reden en schijnt nog steeds gebruikt te worden.

Anderhalf jaar na deze schenking stierf Andrew op 4 juli 1835 in Rotterdam aan een slijmberoerte.



Zijn vrouw Dorothea was al gestorven in 1816. En ook zijn jongste dochter Maria stierf had hij al begraven in 1832, op 31 jarige leeftijd. Andrew overleefde ook zijn zoon Andrew Jr, die niet alleen dezelfde naam droeg, maar ook het zelfde beroep had als zijn vader. Hij stierf in 1834, slecht 34 jaar oud.

Andrew liet niet alleen prachtige landkaarten en gebouwen na, maar misschien ook wel een stukje DNA in mij. 
Want hoe past mijn oud grootmoeder Anna van Adrichem, de ongehuwde moeder van Johannes in dit plaatje? 
Ik zal er waarschijnlijk nooit achter komen hoe dit precies zit, en ook is het echt niet zeker dat Andrew Munro de biologische vader is van Johannes van Adrichem, maar ik stel me zo voor dat Anna die twee jaar ouder was dan Andrew wel eens het dienstmeisje van het gezin Munro kan zijn geweest. 
Misschien hadden de twee een affaire, misschien is de conceptie niet helemaal vrijwillig geweest. Feit is dat ze bij elkaar om de hoek woonden toen ze jong waren en van dezelfde leeftijd waren. Andrew kreeg kinderen in 1788, 1792, 1795, 1799 en 1800. Johannes en zijn tweelingbroer Wijnandus zijn geboren in 1793. Wat mij betreft past dit precies in het plaatje.

Een kaart van Andrew Munro
Ik vind het aannemelijk dat hij de vader kan zijn, maar omdat me dit niet lukt om in mijn eentje op te lossen heb ik me aangemeld bij het Munro DNA-project en krijg ik hulp van een nazaat van de Munro Clan
Deze man is, op basis van de plaats waar Andrew's vader Donald en zijn moeder Florance met elkaar trouwden, de plaats Nigg in Schotland, er voor 99% van overtuigd dat Andrew niet de vader is. 
En ook omdat de DNA matches van mijn vader op een andere tak van de Munro clan wijzen. 
Uitleg over DNA testen in het Nederlands is al lastig te begrijpen voor een leek, maar de mailtjes in het Engels zijn helemaal voor me!
Hij heeft zijn hulp aangeboden en is druk aan het uitzoeken van wie ik wel af kan stammen.
In zijn laatste mail sprak hij zelfs over een fout in de test en dat de enige Duitser die op het lijstje staat logischer is als vader.
Voorlopig hou ik het bij de Kop-in-het-zand-steek-techniek en blijf ik gewoon hopen dat hij het bij het verkeerde eind heeft en de slimme, getalenteerde Andrew Munro mijn voorvader is. Dat zou ik leuk vinden na al die landlopers en kolonisten waar de familie verder uit bestaat en Duitsers zitten er ook al genoeg in! 😊





dinsdag 19 maart 2019

Het testament van Sijbrant en Anna van Adrichem


Het is 3 augustus 1714. In Rotterdam komen twee jonge mensen bij de Notaris van Lieshout. Het zijn de 29 jarige Sijbrant Corstiaens van Adrichem en zijn 27 jarige vrouw Anna Cornelis van der Meer.
Het stel is 2,5 jaar getrouwd en ze hebben een zoon, Cornelis, die over twee dagen twee jaar oud zal worden en een dochter van negen maanden oud, Adriana genaamd.

Sijbrant is ziek en bedlegerig, en blijkbaar zo ziek dat hij niet weet of hij wel oud zal worden en daarom maken hij en zijn vrouw Anna, die nog wel `gesond van Lighame` is, hun testament op. Sijbrant en Anna wonen op dat moment in IJsselmonde, aan de Jongmansteeg waar Sijbrant geboren is. Anna komt uit Rotterdam. En woonde voor haar huwelijk aan de Rotte.


In dit testament verklaren Anna en Sijbrant dat de eerst stervende de langst levende tot enige erfgenaam maakt. Hoewel ik niet alles kan lezen of begrijp wat er in het testament staan, maak ik uit wat ik wel kan lezen op dat voor de kinderen van dit echtpaar of van de kinderen die een van de twee met een andere echtgenoot “met godes zegen” zal worden geboren alimentatie zal moeten worden betaald, zodat deze kinderen naar school kunnen gaan en een vak kunnen leren. Ze moeten een eerlijk ambacht of exercities kunnen leren. Als ik het goed heb begrepen krijgen deze kinderen een bedrag van 25 gulden vanaf hun geboorte tot aan hun dood of tot deze kinderen gaan trouwen.

Testament pagina 1

pagina 2
pagina 3


pagina 4


Ook worden er twee voogden benoemd in het geval beide ouders komen te overlijden. Dit zijn Dirk Corstiaan van Adrichem, de negen jaar oudere halfbroer van Sijbrant. En Cornelis Jans de Rooij.

Ik vind het een bijzonder testament. Er worden geen goederen in verdeeld naar ik heb kunnen lezen, maar het gaat puur om de toekomst van de kinderen. Ze vinden het blijkbaar erg belangrijk dat de kinderen naar school gaan en een vak kunnen leren. Dat zowel Anna als Sijbrant ook naar school zijn geweest blijkt wel uit hun handtekeningen. 


Waar bij de handtekening van één van de getuigen alleen een moeizame “Ik” staat zijn de handtekeningen van het echtpaar duidelijk aanwezig. Die van Anna is een beetje bibberig en onduidelijk, maar die van Sijbrant is krachtig en netjes.


Ik nam zomaar aan dat als je kon lezen in de 18e eeuw, je dan ook kon schrijven. Nadat ik me een beetje heb verdiept in het onderwijs van de 18e eeuw en het blijkt dat dat niet het geval is.

In de 18e eeuw was er niet zo veel keuze in scholen. De meeste kinderen gingen naar de Neder-Duitse school en als je dat niet kon betalen dan ging je naar de armenschool. De rijke kinderen gingen naar de Latijnse school. 

Ik denk dat zowel Sijbrant als zijn kinderen naar de Neder-Duitse school zijn geweest. Het gezin was niet arm. Anna en Sijbrant konden bij hun huwelijk de verplichte leges van zes gulden betalen en ze hadden ook genoeg geld om een testament op te laten maken.

Het onderwijs dat er werd gegeven werd vaak in het woonhuis van de meester gedaan. Als er al een kachel stond moesten de kinderen van huis turf meenemen om het daar warm te laten worden. Er waren geen tafels en waren die er wel dan deed je je schrijfwerk staand. Soms stonden er wel bankjes maar vaak was ook dit niet het geval. De kinderen hadden een soort houten schooltas. Dit was een kistje of laatje waar hun schoolbenodigdheden in zaten en die ze konden gebruiken als knietafeltje om op te schrijven en die na gebruik aan de muur konden worden gehangen.


Schooljaren waren er ook niet. Kinderen, soms al vanaf een jaar of twee, konden naar school worden gebracht wanneer het de ouders uitkwamen. Alle leerlingen zaten bij elkaar in één lokaal. En tot een jaar of tien zaten jongens en meisjes naast elkaar, daarna werden ze gescheiden van elkaar gehouden. Oudere kinderen hielpen de jongeren. Er waren geen klassen, dus kon je ook niet blijven zitten. Kinderen leerden hardop en de klassen waren groot en druk, dus het zal er erg lawaaierig zijn geweest. Tot een jaar of twaalf ging je naar school en daarna ging je werken om daar een vak te leren. Gemiddeld kregen kinderen een jaar of zes onderwijs.

De kinderen gingen zes dagen per week naar school en de lesdagen waren in de winter zo’n 2 á 3 uur per dag, in de zomer wat langer. In de middag hadden de kinderen twee uur pauze. Rond Kerst, Pasen en Pinksteren waren er vakanties en ook voor de jaarlijkse Kermis kreeg je vrij. 
De lesdagen begonnen en eindigden met een gebed. De lezen bestonden dan voornamelijk uit Godsdienst, lezen en schrijven.

De kinderen leerden eerst het alfabet spellen. Hier voor werd het Groot ABC boek gebruikt, ook wel bekend als de Hanenboekjes. Er was niet maar een alfabet om te leren. Net zoals nu was er een alfabet met kleine letters en een met hoofdletters, maar daarnaast bestond er ook nog het gotisch schrift. Er waren geen spelling regels. Of je woorden nu met CK of een KC een S of Z schreef, dat maakte niet zo veel uit.
Hanenboekje
Kon een kind spellen dan mochten ze spellend leren lezen. Bijv. R-O-O-S. Hadden de kinderen dit onder de knie dan mochten ze lezend lezen, dus ROOS. Pas als een kind dit vlot kon dan ze leren schrijven. Dit was meestal vanaf een jaar of acht.

Er werd geschreven met inkt en met een ganzenpen. Kinderen moesten ook mooi leren schrijven omdat je er later je geld mee kon verdienen, maar leren schrijven met een ganzenveer en inkt was een moeilijke techniek. Het schoolgeld wat de ouders moesten betalen steeg ook als de kinderen leerden schrijven, er moesten nu extra kosten betaald worden voor inkt, papier en de ganzenpennen. Potloden bestonden er in die tijd nog niet en leien werden over het algemeen gebruikt om op te rekenen als men dat vaak op school gaf, want dat was nog lang niet overal algemeen aanvaard.

Klaslokaal met houten schooltassen aan de muur

Als je ’s ochtends op school kwam dan kreeg je van de meester een opdracht. Twee keer per dag werd dit nagekeken werd je overhoord. Als je ongehoorzaam was werd je gestraft met een roede of plak.

Ook de vader van Sijbrant; Corstiaen Sijbrants van Adrichem kon lezen en schrijven. Ik vond zijn handtekening om meerdere notariële aktes waar hij als getuige optrad. 

Handtekening van Corstiaen Sijbrands van Adrichem, bijna 350 jaar geleden!
Deze Corstiaen, was Meester Scheepmaker. Een beroep van Sijbrant heb ik niet kunnen vinden, maar zowel zijn halfbroer Dirk en diens zonen waren scheepmaker of scheepstimmerman. 

Scheepstimmermannen aan het werk
Zou Sijbrant na zijn lagere school dit vak van zijn vader hebben geleerd? In de 18e eeuw waren in IJsselmonde de scheepstimmerwerven niet weg te denken. Er waren er maar liefst negen in dat kleine dorp. Sijbrants vader, Corstiaen, was Meester scheepmaker dus hij moet lid zijn geweest van de gilde van Scheepstimmerlieden en Mastenmakers.

IJsselmonde
Om lid te kunnen worden van een gilde moest een leerstuk laten zien aan het bestuur van de gilde. Een soort proefwerk om te laten zien dat je je vak verstond. Werd dit leerstuk aanvaard dat kon je in dienst treden als leerling. Om een stap verder te komen moest men een nog moeilijkere werkstuk maken, doorstond je dit dan werd je gezel.

Scheepstimmerwerf te Rotterdam

Het zwaarste examen moest je afleggen om meester te worden. Hiervoor moest je het zogenaamde meesterstuk maken. Was je hierin geslaagd en had je het entreegeld van de gilde betaald dan mocht je jezelf voortaan “Meester-Scheepmaecker” noemen. Het was de gewoonte dat elke nieuwe meester een groot feest gaf te ere van zijn titel. In Rotterdam werden dan vanaf de trappen van het stadhuis de wijzigingen van de keuren van de gilde afgeroepen waarbij het voltallige gilde verplicht aanwezig moest zijn.

Stadhuis te Rotterdam


Als meester mocht je je als zelfstandige vestigen. Hij kon dan zijn eigen scheepstimmerwerf beginnen. Als meester mocht je van de gilde niet meer dan twee leerlingen aannemen. 
Meester Corstiaen van Adrichem had twee zonen. Ik vind het een logische gedachte dat zowel Dirk als Sijbrant zijn leerlingen zijn geweest. 
Leerlingen moesten in de regel leergeld betalen, loon ontvingen zij meestal niet. Het was dus het voordeligst om bij je vader in de leer te gaan. 
Vader Corstiaen, die in 1709 schepen van Oost-IJsselmonde was, overleed in 1717. Sijbrants moeder Ariaantje Roest overleed al in 1712. 


Zes jaar na het tekenen van het testament leeft Sijbrant echter nog steeds. Tussen de notariële aktes vind ik een schuldbekentenis. 
Sijbant leent in 1720 tweehonderd gulden van Aert Arents Visser. Ik kan niet uit de schuldbekentenis opmaken waarvoor hij dit bedrag heeft geleend. 
Sijbrant en Anna hebben dan inmiddels zes kinderen gekregen waarvan er dan nog drie in leven zijn. Is het uitbreidende gezin op zoek naar een groter huis? Of misschien wil Sijbrant wel een eigen bedrijf beginnen? Of zit het gezin in de financiële problemen?

Niet alleen het gezin van Sijbrant en Anna wordt steeds groter ook het gezin van zijn halfbroer Dirk en diens vrouw Neeltje neemt in grootte toe. 
Dit echtpaar krijgt maar liefst acht kinderen die allemaal in leven blijven. 
Ook Dirk en Neeltje stellen een testament op. Hierin staat een hele specifieke verdeling van de goederen, huizen, loodsen en de scheepswerf die het gezin bezit. Zo gaan er twee dekens, twee kussens en ander beddengoed naar de jongste dochter terwijl de scheepswerf gaat naar drie van de vijf zoons. En er worden flinke bedragen onder de acht kinderen verdeeld. Als voogd van de kinderen wordt oom Sijbrant benoemd.

Sijbrant en Anna krijgen nog eens twee kinderen.
Het gezin bestaat in 1725 dan uit;
Cornelis, 13 jaar oud.
Adriana, 12 jaar oud
Corstiaen, 5 jaar oud
Johannis, 3 jaar oud
Neeltje, 1 jaar oud.

Eerder hebben Sijbrant en Anna al zoon Korstiaen begraven die maar 26 dagen oud mocht worden, hier na kwam er nog een zoon met de naam Korstiaen die één jaar oud werd. De kleine Neeltie werd voor haar 5e jaar begraven. Het jongste zusje Neeltje werd naar haar vernoemd.

De zonen Cornelis en Johannis stappen in het huwelijksbootje en krijgen kinderen. Sijbrant en Anna worden grootouders. Maar dan gebeurd er weer iets wat het leven van het stel aardig op de kop zal hebben gezet. 
In 1752 overlijd Corstiaen, de 31e jarige zoon van Sijbrant en Anna. Het gezin woont dan al niet meer in IJsselmonde maar in Rotterdam, op de cingel onder Cool.

Coolsingel gezien vanaf de Delftse Poort
Corstiaen is ongehuwd en woont ook op de singel, vermoedelijk nog bij zijn ouders. 
Ook dochters Adriana en Neeltje blijven de rest van hun leven ongetrouwd. 
Vreemd is ook dat van de acht kinderen van halfbroer Dirk er ook vijf ongehuwd zullen blijven terwijl ze allemaal flink ouder dan zestig jaar oud zullen worden. Het is me een raadsel waarom…

Anna, huisvrouw van Sijbrant van Adrighem, is maar druk met alle nazaten die geboren worden. Maar liefst tien keer is ze getuige bij de doop van haar kleinkinderen. Tot Anna die in 1714 nog zo gesond van lighame was, op 20 december 1770 komt te overlijden. 
Anna, Annettie, Annigie of Annetje zoals ze ook genoemd werd, werd 86 jaar oud. 
Anna werd de volgende dag van haar huis aan de singel onder Cool, naar de Hillegersberg gebracht waar ze in de Hillegonda kerk werd begraven. 


In deze tijd werd er heel veel waarde gehecht aan het geloof. De kerk stond hier symbool voor en daarom werden de dierbaren in de 18e eeuw nog in de kerk begraven, en dan zo dicht mogelijk bij het altaar zodat de heiligheid daarvan zou afstralen op de overledene. Hoe dichterbij het altaar hoe duurder de tarieven voor het begraven. Ongedoopte kinderen mochten niet in gewijde grond liggen, evenals zelfmoordenaars. Zij moesten buiten de kerk begraven worden.

Graven in de kerk werden niet geruimd en de kerken raakte langzaam aan overvol. Het steeds opnieuw oplichten van de stenen veroorzaakte verzakkingen van de vloer waardoor in de kerken soms een indringende stank hing. (Hier komt de term ‘rijke stinkerd’ vandaan) 
Tegen het eind van de 18e eeuw kregen de mensen steeds meer inzicht in het belang van hygiëne en vond men het niet meer verantwoord om doden in de kerken te begraven.

Pas 59 jaar na het opmaken van zijn testament blaast Sijbrant zijn laatste adem uit in zijn huis aan de Coolsingel, op de respectabele leeftijd van 87 jaar.

De buren speelde tot in de 20e eeuw een belangrijke rol bij de voorbereiding en uitvoering van een begrafenis. Van de directe verwanten werd verwacht dar zij zich op de achtergrond hielden, anders zou er “zielewraak” dreigen. 
De buren losten de familie af tijdens het waken aan het sterfbed, soms nog tot aan de dag van de begrafenis. De buren zorgden ook voor het afleggen van de dode, waarbij de ogen en mond moesten worden gesloten en het doodshemd bij de overledene werd omgedaan en om de ledematen werd heen genaaid.

Een luik van het huis werd uit zijn hengsels gehaald en op de grond gezet, als merkteken dat dit een sterfhuis was. De rest van de luiken van het huis werden gesloten, de gordijnen gingen dicht, de spiegels in huis werden afgedekt en klokken werden stilgezet. Ook bij de naaste buren werd er een luik op de grond gezet als teken van rouw.

De aanzegger of aanspreker
De aanzegger ging rond om te vertellen dat er een sterfgeval was. De aanzeggers, meestal de naaste buren, gingen op pad met een lijst en klopten met een stok op de zelden gebruikte voordeur en wachtten totdat iedereen buiten was voordat ze hun zegje deden. Soms werden zelfs de huisdieren, het vee en de bijen op de hoogte gebracht dat de baas dood was.

De dorpstimmerman kreeg de opdracht een kist te maken. Nadat de overledene in de kist was gelegd kwam daarover een zwart rouwlaken van de diaconie. Dit kleed werd gemaakt van kostbare stof. Hoe rijker de stof, hoe duurder de huur er van was. De kosten van het kleed van Sijbrant waren één gulden. Dit was het goedkoopste kleed, was je armlastig dan werd je zonder kleed begraven. Er waren ook kleden van drie of zes gulden.
  
Op de dag van de begrafenis van Sijbrant was het buiten niet alleen koud, maar ook donker en betrokken. Een weerspiegeling van de stemming van de familie en de buren. 
Het uitdragen van de kist gebeurde ook door de buren. Hierbij zorgden ze er voor dat de voeten van de overledene het eerst naar buiten gingen. 
Daarna werd de kist op een wagen met paarden ervoor gezet. Op het platteland namen de in een zwarte mantel gekleedde vrouwelijke familieleden op de wagen plaats. Onder de burgerij was het een gewoonte dat alleen de mannen mee gingen om de dode te begraven.


De stoet met familie en buren vertrok zo van de Coolsingel, via een zogenaamde lijkweg naar de Hillegondakerk te Hillegersberg. Tegenwoordig een voettocht van een uur. 

Zodra de stoet in het zicht kwam van de kerk werden de klokken geluid. Sijbrant werd net als zijn vrouw begraven in de kerk. De totale kosten van de begrafenis bedroegen  f5,10 gulden volgens zijn vermelding in de begraafboeken. 
De kist werd neergelaten in een gat in de vloer van de kerk waarna deze weer werd toegedekt en de predikant sprak een lijkreden uit. Een grafsteen met inscriptie zoals we die nu kennen kregen ze niet.

Na de begrafenis keerde men terug naar het sterfhuis voor een rouwmaal. Dit was het laatste deel van de ceremonie voor de omstanders. "Uitvaart is zuipvaart" luid een oud gezegde. 
Je kunt je voorstellen dat het er veel gegeten, gedronken en gelachen werd. Na dit rouwmaal kwam het gewone leven weer op zijn beloop. 

Voor de kinderen van Sijbrant brak er een tijd van rouw aan. Voor ouders, kinderen en echtgenoten was dit een tijd van één jaar en zes weken. Voor broers en zussen een half jaar, voor ooms en tantes drie maanden en voor neven en nichten zes weken. 
Mannen droegen in de rouwtijd een zwarte jas, vest en hoed. Ook vrouwen verschenen in het zwart. Na de zware rouw bestond er ook nog een periode van halfrouw en lichte rouw, die tot een jaar of langer kon duren.

De Hillegondakerk waar Sijbrant in 1773 begraven werd, bestaat nog steeds. Misschien liggen Sijbrant en Anna er nog steeds...

vrijdag 1 februari 2019

Johannes van Adrichem, door Harold Pot


Johannes van Adrichem: 18-12-1793 / 26-09-1863

Het is december 1793, de Zuid-Franse havenstad Toulon is bezet door Britse, Spaanse en Frans-royalistische troepen, door toedoen van Napoleon Bonaparte moeten de geallieerden zich na enkele maanden terugtrekken. Napoleon vestigt hier zijn naam als militair leider en stijgt in rang van kapitein naar brigadegeneraal. De jonge artilleriekapitein Napoleon Bonaparte bedenkt het plan om de forten van l'Eguillette en Balaguier in te nemen en zo de kleine haven en grote haven van Toulon van elkaar af te snijden. Dit gaat de aanvoer van goederen naar de geallieerde troepen in Toulon onmogelijk maken. Napoleon heeft maar een enkele batterij kanonnen tot zijn beschikking maar brengt alle kanonnen uit het omringende gebied naar Toulon zodat hij de beschikking heeft over een grote artilleriemacht, gelijk aan vijftig batterijen van elk zes kanonnen. Van alle kanten gebombardeerd, doen de geallieerde troepen in Toulon een uitval en veroveren een aantal van de kanonnen. Een tegenaanval door Napoleon en de nieuwe Franse commandant Dugommier volgen en de geallieerden worden teruggeslagen. De Britse generaal O'Hara word bij deze Franse tegenaanval gevangengenomen en begint te onderhandelen met de afgevaardigden van de Nationale Conventie, Augustin Robespierre en Antoine Louis Albitte over een eervolle geallieerde overgave. Napoleon is inmiddels bevorderd tot kolonel en komt na de gevangenname van O’Hara overeen om een grote aanval te ondernemen in de nacht van 16 december. Rond middernacht begint de aanval en het gevecht. Napoleon wordt verwond aan zijn heup door een Britse sergeant gewapend met een bajonet. De geallieerden besluiten hierop om via de zee hun troepen uit Toulon te evacueren. De Franse revolutionaire troepen gaan op 19 december de stad binnen. Naar schatting worden 800 tot 2.000 gevangenen doodgeschoten of vermoord met bajonetten. Napoleon Bonaparte, inmiddels onder behandeling vanwege zijn verwondingen, is niet aanwezig tijdens deze massamoord. Hij word op 22 december tot brigadegeneraal bevorderd, op 24-jarige leeftijd. Diezelfde dag vertrekt hij naar zijn nieuwe post in Nice als bevelhebber van de artillerie van het Armée d'Italie.


Rosaliakerk
Duizend kilometer noordelijker wordt in Rotterdam een tweeling geboren. Anna van Adrichem schenkt op woensdag 18 december 1793 het leven aan Johannes en Wijnand. 
Beide jongens worden op 24 januari 1794 gedoopt in de 
Rooms Katholieke Rosaliakerk aan de Leeuwenstraat. 
Anna staat er blijkbaar alleen voor want bij de doop zijn haar ouders niet aanwezig, de getuige van Johannes van Adrichem is Franciscus Barré en getuige van Wijnandus Josephus van Adrichem is Wijnandus Josephus Buchet. 
De namen Wijnandus Josephus doen vermoeden dat Buchet de vader is. Helaas overlijd Wijnandus Josephus van Adrichem als hij 11 maanden oud is.
  




In deze tijd spreken we nog over de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, in 1795 wordt de Republiek bezet door Franse troepen en komt tot een roemloos einde. Vanaf nu begint de Frans-Bataafse tijd, Johannes is dan één jaar. Het grootste deel van Nederland wordt een vazalstaat van Frankrijk en vanaf 1810 een onderdeel van het Eerste Franse Keizerrijk. Een deel van het huidige Nederland (Zeeuws-Vlaanderen en een groot deel van Nederlands-Limburg) word al in 1794 bij Frankrijk ingelijfd.

Napoleon heeft soldaten nodig om zijn vele oorlogen te voeren. In zijn hele keizerrijk voert hij daarom de dienstplicht (in die tijd ook wel conscriptie geheten) in. Die dienstplicht geschied door middel van loting. Rijke jongeren kunnen vaak hun dienstplicht afkopen. Nederland krijgt vanaf 1811 ook te maken met deze dienstplicht. Uiteindelijk worden er door de Napoleontische dienstplicht zo’n 30.000 á 35.000 Nederlandse jongens onder de wapenen geroepen vanaf begin 1811 tot aan de nazomer van 1813. Tegen de dienstplicht bestaat veel verzet. Op verscheidene momenten vinden zogenoemde ‘conscriptieoproeren’ plaats, die door de Napoleontische autoriteiten met harde hand worden neergeslagen.


Slag bij Dresden: Ook Johannes moet in het leger van Napoleon, op 15 augustus 1813 wordt hij ingedeeld bij het 27ème Régiment d’Infanterie de Ligne, In het archief vinden we hem onder de naam Johannes Buchet maar ook als Jean van Adrichem. Op 26 augustus is hij in Dresden.  Op deze dag hebben 150.000 geallieerde troepen zich in de buurt verzameld en opgedeeld in vijf grote aanvalscolonnes. Deze zetten zich in beweging richting Dresden. De geallieerden verwachten weinig tegenstand aangezien ze de troepen van de Fransen in aantal verre overtreffen. En inderdaad worden de Fransen steeds verder teruggedrongen. De verdediging word echter steeds hardnekkiger. Als de geallieerden tot vlak bij de stad zelf naderden is dit het teken voor Napoleon om zijn 90.000 man versterking in de strijd te gooien. Twee divisies van de Jonge Garde vallen de colonne van generaal Wittgenstein aan. Na harde gevechten worden de Russen teruggedrongen. Versterkt door twee andere divisies Jonge Garde, drijven de Fransen de Pruisen en Oostenrijkers in het centrum terug. Allleen Napoleons rechterflank word nog door Oostenrijkers tegengehouden. De eerste dag van de slag is voorbij. 's Nachts regent het. Hoewel in de minderheid is Napoleon duidelijk in het voordeel. Zijn troepen hebben geen last van de regen omdat ze in Dresden ingekwartierd zijn. Ook krijgt Napoleon constant versterkingen.. Voor de geallieerden is dit allemaal niet het geval. Bovendien zijn hun troepen gedemoraliseerd door de Franse successen. Toch word besloten om 's morgens opnieuw aan te vallen. Op 27 augustus hervatten de geallieerden hun offensief ’s in de ochtend. De Pruisen slaan de Fransen terug, Colloredo's Oostenrijkers rukken op in het centrum en Wittgenstein maakt ook goede vorderingen op de rechterflank. Op de geallieerde linkerflank, die in de minderheid is, gaat het minder goed. De Franse rechterflank staat onder bevel van maarschalk Joachim Murat. Zijn flank is 36.000 man sterk en de Oostenrijkers hebben 28.000 man. Het Franse korps van Victor valt de Oostenrijkers aan en ondertussen maken de cavaleristen van Charles César de Fay de La Tour-Maubourgs cavaleriekorps een omtrekkende beweging. De Oostenrijkers trekken zich haastig terug, maar zijn omsingeld door de Franse cavalerie. Niet in staat hun musketten af te vuren in de stromende regen, geven 9000 infanteristen zich over. Het offensief van de Oostenrijkers loopt vast en het gevecht in het centrum mond uit in een artillerieduel dat de hele dag duurt. Napoleon heeft de overwinning bijna binnen. Zijn rechterflank heeft een totale overwinning behaald, zijn centrum houd goed stand en het front op zijn linkerflank zit muurvast. De geallieerden staan op het punt hun laatste reserves in de strijd te gooien als het bericht binnen komt dat het Franse corps van de Belg Dominique Vandammes Pirna heeft veroverd. Hierdoor dreigt de terugtocht afgesneden te worden, dus trekken de geallieerden zich terug. Dit is een geweldige overwinning voor Napoleon. Hij heeft 11.000 man gevangengenomen, inclusief de Oostenrijkse luitenant-veldmaarschalk Joseph, Baron von Mesko de Felsö-Kubiny. Verder heeft hij dertig kanonnen en tientallen bagagewagens veroverd.


Slag bij Dresden, 26 & 27 augustus 1813

Slag bij klum: Drie dagen later, op 30 augustus staat het 27e regiment bij Klum. De Russen staan opgesteld bij het dorpje Priesten (hedendaags Přestanov in Tsjechië). De Fransen houden het dorpje Kulm bezet. Priesten is een uitstekende plek om met weinig troepen een overmachtige vijand een tijdje tegen te houden. Om zes uur in de ochtend valt Vandamme succesvol Russische formaties aan onder het commando van Wittgenstein, waarbij Russische troepen en artillerie worden gevangengenomen. Rond 12 uur valt hij de Oostenrijkse versterking aan. Aanvankelijk worden de Oostenrijkers gedwongen om zich terug te trekken richting Teplitz (hedendaags Teplice in Tsjechië) . Maar doordat een Pruisisch korps onder generaal Kleist Vandamme's korps van achter aanvalt, kunnen ook de Oostenrijkers in het offensief gaan. Vandamme's korps zit ingesloten. Hij besluit om zich een weg door Kleist's Pruisen te hakken, terug naar de Franse linies. Hierbij verliest hij het grootste gedeelte van zijn korps, wat ophoud te bestaan. In deze slag word alle winst die Napoleon heeft behaald in de slag bij Dresden tenietgedaan. Aan de Franse kant zijn er ongeveer 5000 doden en gewonden, en tussen de 7000 en 15.000 Franse soldaten worden krijgsgevangen gemaakt. Bij de geallieerden worden ongeveer 10.000 soldaten verwond of gedood. Op 13 september wordt Johannes overgeplaatst van het 27e regiment naar het 1er Compagnie, 1er Bataillon, 72ème Régiment d’Infanterie de Ligne.

Slag bij Klum, 30 augustus 1813

Slag bij Sainte-Croix-en-Plaine: Napoleon hoopt op een winterstop, maar eind december maakt het grote geallieerde leger een beweging aan zijn linkerzijde om zich te concentreren op het Zwarte Woud , en dreigt - ondanks de neutraliteit van Zwitserland - de brug bij Bazel over te steken. Op de ochtend van 21 december 1813 steken de troepen van prins von Schwarzenberg de Rijn over bij de brug van Basel. De Oostenrijkse kolonel Scheibler rijd diezelfde dag van Habsheim naar Rixheim tot aan de poorten van Mulhouse. Op de 23e is het Oostenrijkse leger onder leiding van Scheibler  in Ensisheim, 's middags laat hij kapitein Baron Schell, van het huzarenregiment van Hesse-Hombourg, opdragen tot Colmar door te dringen met 100 kozakken te paard. En zo begint de Franse campagne van 1814 ... in 1813. Inderdaad, het eerste gevecht van deze campagne vind plaats aan de vooravond van Kerstmis in Sainte-Croix-en-Plaine, in de Haut-Rhin, een paar kilometer ten zuiden van Colmar. Na de inneming  van Colmar door het Boheemse leger. Het Franse leger stuurt generaal Milhaud, hij slaagt erin Colmar op 23 december opnieuw in te nemen. De volgende dag ontmoeten de Oostenrijkse huzaren en het Beierse leger de Fransen. 400 mannen raken gewond en 150 worden door de Fransen gevangen genomen.  Op 31 december 1813 doen de geallieerden weer een aanval op het dorp Sainte-Croix-en-Plaine  maar de Fransen weten het met succes te verdedigen. Op 3 januari 1814 raakt Johannes in de omgeving van Colmar gewond aan zijn linker been en wordt gevangen genomen door de kozakken die het Württembergse leger ondersteunen, 9 januari wordt hij uit gevangenschap ontslagen.

Slag bij Sainte-Croix-en-Plaine, 24 & 31 december 1813


Al op 13 november 1813 waren de Kozakken in Nederland. De schrik zat er goed in toen de Kozakken de oostgrens overstaken. De Kozakken kwamen om ons land te bevrijden van de Fransen, maar hun reputatie als barbaarse woestelingen was hen al vooruit gegaloppeerd. Dat maakte dat ze niet bepaald met open armen werden ontvangen. Eenmaal in het brave Nederland stonden ze al gauw bekend als liederlijke, twee uur in de wind stinkende half wilden. Zuipschuiten waren het, rokkenjagers, veelvraten en vechtmachines. Het waren niet bepaald frisgeschoren huisvaders die om zes uur thuis waren voor een verantwoorde maaltijd. Eten met mes en vork was er trouwens helemaal niet bij. Ze leefden in mannengemeenschappen en waren een hard en ruig leven gewend, alhoewel ze ook godsdienstig waren. Op 10 november 1813 hadden zich twaalf tot vijftienhonderd Kozakken verzameld bij het Duitse Neuenhaus, boven Nordhorn. Twee dagen later doken de eersten al op voor de IJssel. Hun strategie was om de Fransen zo snel mogelijk de rivier over te jagen en dan door te stomen naar het westen tot uiteindelijk Parijs. Dat lukte wonderwel. Op 21 mei 1814 was heel Nederland voorgoed van de Fransen bevrijd.

                                                                                                

Op diezelfde 9 januari is ook de oprichting van het Nederlandse leger, de Staande Armeé. Deze bestaat uit vrijwillig dienende beroepsmilitairen. Daarnaast is er een ‘Nationale Militie’. Deze is samengesteld uit door loting aangewezen dienstplichtigen. Koning Willem I besluit om de gehate Franse dienstplicht uit 1811 over te nemen. Hij moet wel, want er melden zich te weinig vrijwilligers om de Staande Armee te vullen. Op 17 augustus 1814 treedt Johannes toe als soldaat bij het Bataljon Infanterie der Staande Armee. Hij tekent voor een periode van zes jaren. Hij is op dat moment: 1 El, 6 palmen, 7 duim en 4 streep. Dat staat voor 167,4 cm. Volgens het stamboek neemt Johannes deel aan veldtochten naar Frankrijk. Al op 1 december 1814 wordt hij bevorderd tot Korporaal. Men eet twee keer per dag, te weten om 10:00 uur en om 16:00 uur. 's Ochtends is dat vaak een stevige soep, 's middags een soort stoofpot, waarin alle ingrediënten worden gekookt. Aangezien de soldaten binnen hun escouade beurtelings moeten koken ben je wel afhankelijk van de kookkunst van je maten. Én de korporaal mag altijd als eerste opscheppen.

Slag bij Waterloo: Na in 1814 verbannen te zijn naar Elba, keert Napoleon in maart 1815 naar Frankrijk terug. Hij installeert zich daar opnieuw als keizer van Frankrijk. Zijn oude vijanden kunnen dat niet aanvaarden en vormen de Zevende Coalitie om hem weer te verjagen. Engeland en Pruisen trekken grote legers samen in de zuidelijke Nederlanden om Frankrijk op 1 juli 1815 binnen te vallen. Napoleon besluit ze voor te zijn en trekt op 14 juni de grens van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden over bij Charleroi. Hij hoopt de legers van Wellington en Blücher uiteen te drijven om ze apart te kunnen vernietigen maar dat mislukt grotendeels. Zijn linkervleugel word op 16 juni door de Nederlanders opgehouden in de Slag bij Quatre-Bras. Hij brengt de Pruisen dezelfde dag met zijn rechtervleugel een nederlaag toe in de Slag bij Ligny maar die trekken zich naar het noorden terug om Wellington te blijven bijstaan. Napoleon achtervolgt het Engels-Nederlandse leger op 17 juni met zijn hoofdmacht en laat de Pruisen volgen door maarschalk Emmanuel de Grouchy. Wellington neemt een verdedigende positie in op een heuvelrug ten zuiden van Waterloo in de hoop dat de Pruisen hem op tijd te hulp zouden schieten.

Johannes is ingedeeld bij de Nederlandse krijgsdienst onder bevel van 2e Bataljon Infanterie Luitenant Kolonel J. Speelman bij het 2e bataljon Infanterie. Dit bataljon valt onder de 3e divisie onder leiding van Luitenant General H.G. Baron Chassé. “Het goede weer scheen ons te verlaten, zware regen buijen bleven aanhouden tot den 18den.” Op 17 juni marcheert de divisie in de stromende regen naar hun nieuwe positie op de rechterzijde van de geallieerden rond het dorpje Braine l'Alleud. 

 Wij marcheerden anderhalf uur, alwaar wij onzen vijand ontmoetten, die ons verwelkomde met zes, twaalf, achttien en vierentwintig ponders, waarop wij hen met dito soort bedankten tot de avond inviel en wij ons bivouac opsloegen.”


Tijdens de slag bij Waterloo staat de divisie eerst geheel op de rechterflank opgesteld rondom het dorp Eigenbrakel. Al snel komt het bevel om zich in reserve op te stellen achter het centrum van de geallieerde linie. Chassé bespeurd dat de Britse troepen vóór hem op de vlucht zijn geslagen en de artillerie niet langer vuurt. Hij ziet al snel dat Napoleon de Keizerlijke Garde op het centrum afstuurt, hierop geeft hij het bevel aan zijn artillerie om positie te nemen en de vijand onder vuur te nemen, terwijl hij intussen de brigade van kolonel Detmers in colonnes laat opstellen voor de tegenaanval.

Een soldaat uit het Staande leger 1815


Na een kort vuurgevecht opent hij de aanval op de Franse garde, die uiteindelijk moet wijken. De brigade van Detmers zet de aanval door, verdrijft de Franse garde van een laatste positie bij La Haye Sainte en achtervolgd de vluchtende Fransen tot aan het Maison du Roi bij Plancenoit, waar ze Pruisische troepen tegen komen. Van de kleine tweehonderdduizend man die aan de slag hadden deelgenomen zijn er na afloop zo'n vijfenvijftigduizend dood of gewond. Het Franse leger, dat daarvan ongeveer vijfendertigduizend man verliest, verlaat het slagveld in volledige chaos en trekt zich via Charleroi terug over de Franse grens. Tot afgrijzen van Chassé en zijn officieren maakt de Hertog van Wellington in zijn verslag geen melding van de aanval van de divisie van Chassé. Ondanks toezeggingen van de Britse generaal Lord Hill, die het Nederlandse aandeel in de slag bij Waterloo erkend, is deze weglating nooit gecorrigeerd. Koning Willem I benoemd Chassé vanwege zijn verdiensten in Waterloo op 8 juli 1815 tot Commandeur in de Militaire Willems-Orde. Napoleon word in Parijs gedwongen afstand te doen van de troon. De Britten verbannen hem naar Sint-Helena.


Op 5 november 1815 wordt Johannes gepromoveerd tot Fourier. Een fourier is een onderofficier binnen de infanterie, artillerie en cavalerie, die onder andere zorg draagt voor de inlegering, bewapening, foeragering en kleding van de compagnie en tevens compagnieschrijver is. Op 6 januari stapt Johannes over naar het 18e Bataljon Infanterie Nationale Militie als Sergeant-majoor. 15 januari 1820 gepasporteerd (Eervol ontslag uit militaire dienst). 11 februari 1820 in dienst bij het Korps Mariniers als Sergeant.




Johannes heeft in de tussentijd niet stilgezeten. Op 31 januari 1821 trouwt hij met de dan 32 jarige Johanna Elizabeth Houter. Als ouders van Johannes wordt in de huwelijksakte alleen Anna van Adrichem gemeld, vader onbekend.... Voor hun huwelijk heeft Johanna al wel 2 zoons gekregen. Op 7 januari 1819 kreeg Johanna een zoon Johannes Huibert, die voor hun huwelijk nog Houter van de achternaam heet. En twee jaar later op 8 januari 1821, wordt zoon Wijnandus Josephus Houter geboren, 4 weken voor hun huwelijk. Het mannetje wordt vernoemd naar de overleden tweelingbroer van Johannes. Veel geluk brengt de naam niet, ook dit kindje sterft veel te jong, slechts 8 maanden oud. Beide kinderen worden gewettigd bij het huwelijk.  Op de dag af, 1 jaar na de geboorte van de eerste Wijnadus, bevalt Johanna op 8 januari 1822 weer van een zoon die de namen Wijnandus Pieter Josephus Christiaan van Adrichem krijgt. Deze jongen heeft meer geluk en haalt de volwassen leeftijd. Het gezin, zonder vader Johannes, maar met Oma van Adrichem wonen vanaf 10 november 1824 in Vlissingen aan de Breewaterstraat 112b. Ze horen bij de militair op de Kousteenschedijk 102.
 Al staat hij in het bevolkingsregister pas gemeld vanaf 1828. Op 25 september reëngageerd Johannes als Sergeant–Majoor in het leger. Op 2 december 1825 wordt in Rotterdam de eerste dochter van het stel geboren, vernoemd naar haar oma. Het meisje heet Anna Catherina Maria Johanna van Adrichem. Een korte tijd later op 12 december 1825 verhuisd het gezin naar de Kousteenschedijk 102.  Op 1 mei 1827 vertrekken Anna, Johanna, Johannes Huibert, Wijnandus en zusje Anna naar Kousteenschedijk 84. Nog voor vader Johannes aan zijn nieuwe baan als Marine Luitenant begonnen is, overlijdt zijn moeder Anna op 26 februari 1828 op 67 jarige leeftijd. Ze is altijd ongehuwd gebleven en heeft altijd bij het gezin in gewoond, Op 10 september 1828 's avonds om zes uur sterft ook de kleine Anna, ze is dan 9 maanden oud. Op 13 juli 1829 vertrekken vader en zoons naar de Steenen Beer nr 14 en Johanna komt er ook weer bij wonen. Op 17 oktober 1829 vertekt het complete gezin naar de Grote Markt 79. Waarna ze uit het bevolkingsregister van Vlissingen verdwijnen en dochter Johanna op 12 juni 1830 in Rotterdam wordt geboren. 


In 1838 duikt de gehele familie op in Amsterdam. Johannes is dan Luitenant Geweldige, Hoofd departement van de Zuiderzee.  Johannes geeft zoon Johannes Huibert, die dan 19 is, zelf op bij de Marine. In het militieregister staat bij zoon Johannes Huibert: "Geëmployeerd aan de Werf. Luitenant Geneedrager bij de Marine. Wonende te Amsterdam. Opgegeven door zijn vader. Wonend bij zijn ouders; Bethanienstraat 5 boven nr 14. Ligte gebreken, finaal vrij". Ook zoon Wijnandus wordt door hem opgegeven bij de Marine. Blijkbaar hebben ze niks te willen. In augustus 1837 wordt Wijnadus Pijper bij de 2e divisie Mariniers, voor een tijd van 8 jaren, zonder handgeld. Wijnandus is dan nog maar 15 jaar oud! Moeder Johanna Elisabeth Houter overlijdt in 1841 in het binnengasthuis te Amsterdam. Het Binnengasthuis, ook wel “Pest huys” genoemd, was in de 19e eeuw berucht om zijn deplorabele toestanden. De zalen zijn: "groot, hol, kil, kerkvormig en met stenen bevloerd lokaal, dat des winters voor geen behoorlijke verwarming vatbaar is". De verpleging bestaat uit "knechten en meiden" die zich, volgens een rapport van het stadsbestuur, schuldig maken aan drankmisbruik en mishandeling, de medicijnen verkopen en het voedsel voor zichzelf houden.

“ ’T’ Pest Huys”, In dezer dagen is alles dat niet verklaarbaar is, zoals gezwellen en kanker onder te brengen onder de ziekte de pest.
Een Oostenrijkse arts, die het Binnen- en Buitengasthuis in 1852 bezoekt, schrijft in zijn verslag aan het Koninklijke en Keizerlijke Artsengezelschap in Wenen: "Hoe moeten we deze twee verpleeginrichtingen beschrijven, die op geen enkele wijze die naam verdienen? Als wij bijzonderheden opsommen, blijkt als vanzelf dat ze het tegendeel zijn van wat ziekenhuizen behoren te zijn. (...) Op iedere buitenstaander maakt deze plek een hoogst onaangename indruk. Op zeshonderd zieken zijn er slechts twee artsen." Het verplegend personeel noemt hij een afschrikwekkend voorbeeld van ruwheid, traagheid en smerigheid. Zeven maanden na het overlijden van zijn vrouw trouwt Johannes met een 22 jaar jongere vrouw, Catherina van Haarlem. Waarschijnlijk om de zorg op zich te nemen van dochter Johanna, die dan nog maar 10 jaar is. Zijn nieuwe vrouw Catherina is daarentegen slechts 4 jaar ouder dan zijn zoon Johannes Huibert. Met Catherina krijgt Johannes een jaar na het huwelijk nog een zoon, Aart Pieter Jacobus Johannes van Adrichem. Blijkbaar gaat het daarna niet goed meer in het gezin. De beide oudste zoons deserteren, en ondanks de goede baan van vader worden beide zoons voor het vragen van een aalmoes, veroordeeld voor bedelarij en opgesloten in de Ommerschans. Ook dochter Johanna komt er terecht, zij zal op 57 jarige leeftijd, ongetrouwd en kinderloos sterven. In de krant verschijnt alleen een oproep: Met zoon Aart lijkt het in eerste instantie beter te gaan, ook hij gaat bij de Marine, trouwt en krijgt twee dochters.




Terug naar vader Johannes. In 1850 verlaat Johannes de Marine, na 37 jaar in militaire dienst te hebben gezeten, met eervol ontslag en kan hij van zijn pensioen genieten. Hij is dan 57 jaar. Hij heeft dan inmiddels als drie kleinkinderen, maar betwijfel of hij die ooit gezien heeft, ze worden namelijk alle drie geboren in gevangenschap. Of in de Ommerschans of in Veenhuizen.



Johannes overlijdt op 26 september 1863 in Amsterdam, 69 jaar oud. Als ouder wordt weer Anna genoemd, van Wijnandus Josephus Buchet geen spoor.... Catherina plaatst een advertentie in de krant, waar uit opmaakt kan worden dat die twee veel van elkaar gehouden hebben. Dit strookt niet helemaal met het beeld dat we van Johannes van Adrichem hebben. Hoe kan het dat de kinderen van zo'n succesvolle Marine Luitenant, die toch een goed salaris moet hebben gehad, zo diep in de goot komen te zitten? Het zal jaren duren voordat Johannes Huibert met zijn gezin uit de Ommerschans komt, waarna hij vrij snel overlijdt. Zoon Wijnandus overlijdt in Veenoord, en het kind die hij krijgt uit zijn huwelijk met Trijntje Kuiper, zijn dochter Petronella, zelfs voor haar eerste levensjaar, in de Ommerschans. Catherina van Haarlem overlijd in Amsterdam in 1865, twee jaar na het overlijden van haar echtgenoot. Slechts 49 jaar oud.

Credits: Marloes van Adrichem en Harold Pot.