zaterdag 26 april 2025

Dirck Philipsz van Adrichem


Dirck Philipsz van Adrichem wordt in de periode tussen het einde van de middeleeuwen en het begin van de gouden eeuw geboren, zo rond 1555, vermoedelijk in Delftshaven. Hij is een zoon van Philip Claesz van Adrichem en Maritgen Claesdr. Hij heeft nog een broertje Claes en nog een jongere zusje Ariaantje. Delftshaven is ontstaan toen in 1389 de Delftshavense Schie werd gegraven om de stad Delft een verbinding met de Maas te geven. Rondom de sluis ontstond het havenstadje. Zo rond 1555 was dankzij de haringvisserij en de walvisvaart Delftshaven uitgegroeid tot een welvarend stadje met zo'n duizend inwoners. 

Delftshaven

Dirck trouwt met een onbekende vrouw zo rond zijn twintigste jaar en krijgt drie kinderen; dochter Maertge, zoon Philip en mijn voorouder Huijbrecht Dircksz van Adrichem. Over zijn gezinsleven is weinig bekend. Zijn werkzame leven geeft echter een beter beeld van Dirck als persoon.  

Van 1590 tot 1595 was Dirck Leproosmeester te Delftshaven. Een Leproosmeester is de bestuurder van het Leprooshuis, ook wel Lazarushuis of Proveniershuis genoemd. Melaatsheid, Lepra en Lazerij zijn verschillende namen voor dezelfde aandoening. Lepralijders werden in de 16e eeuw beschouwd als een gevaar voor anderen en mochten daarom niet deelnemen aan het dagelijks leven. Leprozen moesten als herkenningsteken een grote schelp, een zogenaamde lazarusklap op de borst en een zwarte hoed met een witte band er om dragen. Met kleppers moest hij anderen waarschuwen voor besmettingsgevaar van zijn persoon. Om in een Leprooshuis te komen moest je in het bezit zijn van een zogenaamde vuilbrief, hiermee mocht je bedelen om in je onderhoud te kunnen voorzien. Zo'n vuilbrief kon je alleen in Haarlem krijgen. De Sint Jakobskapel aldaar was de enige plek waar potentiële patiënten door schouwmeesters beoordeeld konden worden. Tegenwoordig is Lepra met antibiotica in een paar maanden te genezen. In de 16e eeuw betekende zo'n vuilbrief een levenslange verstoting. Het Leprozenhuis stond altijd buiten de stadsmuren vanwege de mogelijke besmettelijkheid van de ziekte. Tussen Delft en Rotterdam heeft er in de 16e eeuw een Leprozenhuis gestaan waarvan Dirck dus vijf jaar lang bestuurder was. 

In 1589 en 1590 was Dirck de Heilige Geestmeester van Delftshaven. De Heilige Geestmeester werd ook wel de "Vader van de Armen" genoemd. Het was geen kerkelijke functie zoals de naam doet vermoeden. De Heilige Geestmeester werd ieder jaar aangesteld door de bestuurders van een stad of dorp. Voor deze functie kwamen alleen grondbezitters in aanmerking. De Heilige Geestmeesters (er waren er altijd twee) maakten deel uit van het kerkelijk armenbestuur en van het dorpsbestuur en betrokken bij beslissingen over belangrijke dorpsaangelegenheden. Ze hielden toezicht op de inkomsten en uitgaven van de armenkas, de overdracht van goederen toebehorend aan het armenbestuur, het bijhouden van het armenregister. Dirck hield bijvoorbeeld toezicht op o.a. het uitdelen van brood aan de armen. 

Ook was Dirck Stadsrentmeester. De stadsrentmeester was onderdeel van het stadsbestuur en hield toezicht op de in- en uitgaven van het bestuur en bracht verslag uit aan de burgermeester. Tevens was Dirck schout van Schoonderloo. 

Schoonderloo was een, inmiddels verdwenen, ambacht tussen Delftshaven en Rotterdam. Niet veel meer dan een polder met wat huizen en aan de zuidkant grenzend aan Delftshaven. Schoonderloo betekend "mooi uitzicht" en dit slaat waarschijnlijk op het mooie uitzicht op de rivier de Maas. Net als Delftshaven is Schoonderloo uiteindelijk opgegaan in Rotterdam. 

Dirck was in het bezit van twee huizen in Delftshaven, kon lezen, schrijven en rekenen en beklede belangrijke functies in het stadsbestuur van Delftshaven. Geen onbemiddelde man dus. 

"Acten betreffende het voormalig ambacht Schoonderloo bij Rotterdam"

23-7-1589: Dirck Phillipsz. van Adrichem, schout van Schoenreloe, Dirck Jansz. en Govert Jansz., schepenen aldaar, oorkonden dat Jochum Tack, schout van Oisterhout, aan zijn schoonzuster Maritken Duyst overdraagt 17 morgen buitenland dat zijn vrouw uit de nalatenschap van haar ouders heeft, belast ten behoeve van de abdij van Egmond met 12 stuivers per jaar voor het recht van tiendheffing, een en ander volgens het voorlopige koopcontract in 1587 tot stand gekomen door bemiddeling van meester Cornelis Duyst, Jacob

Duyst Jacobsz. en Jan van de Kerckhoff. Bezegeld door de schout.

22-8-1594: Dirck Phillipsz. van Adrichem, schout van Schoenreloe, Gerrit Meesz. Foy en Gerrit Claesz. Tollenaer, schepenen aldaar, oorkonden dat meester Cornelis Duyst van Voorhout en Dirck Duyst van Voorhout Heyndricxsz. als voogden van Kostiaen Quirijnsz.Borsselaer en van Susanna Quirijnsdochter, samen met Magdalena Borsselaer, gehuwd met Jan Pau Jacobsz.. Karel Quyrijnsz. en Erckyen Quiryns overdragen aan Jannitgen Jacobs, gehuwd met Jan van den Kerckhove, als erfgename van haar moeder Maria Duyst, 6 morgen roede land aldaar ten westen van Delfshaven, tussen de hoge dijk en de nieuwe binnendijk. Bezegeld door de schout.

zegel van Dirck Philipsz. van Adrichem 

Dirck leefde in Deltfshaven gedurende een roerige tijd. 

In 1566 woedt rond Delft en omstreken de Beeldenstorm. In 1568 is het begin van de Tachtigjarige oorlog. In 1572 plunderen eerst de Watergeuzen Delftshaven nadat ze vijf dagen daarvoor Den Briel hadden ingenomen. Een week later volgden de Spanjaarden die Delftshaven in de as legden.

Aan het einde van het Beleg van Leiden in 1574 werden de polders rond Delftshaven onder water gezet doordat het leger van prins Willem van Oranje de dijken rondom doorstaken. 

In 1577 wordt Piet Heyn geboren in Delftshaven. Dirck zal hem vast gekend hebben, maar hij heeft niet meegemaakt dat hij een groot zeeheld zou worden.

In 1591 werd een groot deel van Delftshaven opnieuw vernield door een grote brand. Vele huizen waren van hout en het vuur sloeg snel over. Daarna werd door Delft verplicht tot het bouwen van stenen huizen. 

In 1602 wordt het gebied getroffen door de gevreesde Pest. In diverse archieven zijn akten te vinden waaruit ik opmaak dat Dirck in 1602 is overleden, circa 48 jaar oud. Misschien wel aan de pest. 

Schepenbrief, waarbij de curator over de boedel van Dirck Philipsz. van Adrichem, in leven Stadsrentmeester op Delfshaven, aan Burgemeesters en Regeerders der stad Delft opdraagt een huis en erf, staande en gelegen op Delfshaven op de Timmerwerf, op de wijze als de doorgestoken waarbrief d.d. 8 okt. 1602 inhoudt. 

Transportakte Voorburg, 13-4-1602: Johan van Soutelande, procureur voor de ene helft Jacob Andriesz, gesubstitueerd secretaris van Delft als curator van de boedel van Dirck Phillipsz (van Adrichem), in zijn leven stads rentmeester te Delffshaven, en Adriaen Adamsz Kerckhove als medevoogd van de kinderen van dezelve Dirck Phillipsz gewonnen bij Adriana van Soutelande voor de ander helft. Partijen verkopen voor f 2.650,- aan Jasper Jacobsz [van Haestregt], tegenwoordig wonende op de woning van Alckemade, een woning en landen met een huis en 7 morgen land als onderpand. Locatie: Oosteinde zuidzijde; O: Crijn Danielsz; Z: Vliet; W: Aeltgen Jansdr (moeder van de koper), weduwe van Gerrit Dircxz; N: Heerweg


Datum decreet;  1602-11-05

Namen eigenaren Jan van Soutelande,procureur Hof van Holland;Jacob Andriesz,plaatsvervangend secretaris van Delft als curator van de boedel van Dirck Philipsz van Adrichem, in zijn leven rentmeester van Delft; Adriaen Adamsz van Kerckhove, als voogd van de kinderen van Dirck Philipsz (van Adrichem) en Adriana van Soutelande

Namen kopers Jasper Jacobsz, op de woning van Alckemade te Voorburg

Onroerend- en roerend goed Voorburg, woning met ca. 7 morgen land (Z. de Vliet, N. heerweg)

Uit de tekst maak ik op dat "Adriana van Soutelande" de moeder is van zijn kinderen, maar ik kan het ook verkeerd lezen. Over Adriana heb ik echter niets kunnen vinden. 



dinsdag 22 april 2025

Johanna Catharina de Roo-Vitjeroo

Ik schreef al eens eerder iets over Johanna Catharina Vitjeroo, een zus van mijn betovergrootvader Johannes van Adrichem, maar ik vind dat ze ook wel een eigen post verdiend, ondanks dat ik niet zo veel over haar weet. 

Ommerschans

Johanna Catharina Vitjeroo's geboorte begint al bijzonder. 

Haar moeder Hendrikje Vitjeroo, geboren in Leeuwarden, bruine haren, blauwe ogen, rond gezicht, slechts 1,42 m lang, trouwde op achtentwintigjarige leeftijd met de in Hoorn geboren Jacobus de Haan. 

Hendrikje was hoogzwanger tijdens de voltrekking van het huwelijk. Drie weken later werd dochter Trijntje geboren. Op 7 februari 1852 wordt het gezin opgepakt vanwege bedelarij en veertien dagen vastgezet. Op 22 februari 1852 werden ze opgezonden naar de Koloniën van Weldadigheid en kwam terecht in de Ommerschans. Hier werden de mannen van de vrouwen en kinderen gescheiden en moesten slapen op aparte zalen. Slechts zes dagen later, op 28 februari 1852 komt de kleine Trijntje te overlijden, nog geen acht maanden oud. Ze werd begraven, net als duizenden anderen in een naamloos graf bij de Ommerschans. Op 9 maart 1852 worden Hendrikje en Jacobus opgezonden naar Veenhuizen, hun dochtertje blijft achter in de koude grond van de Ommerschans. 

Anderhalf jaar later, in november 1854, overlijd ook Jacobus de Haan op drieëndertig jarige leeftijd, Hendrikje als weduwe alleen achterlatend. 

Hier begint het verhaal bijzonder te worden want op 3 augustus 1855 wordt Johanna Catharina geboren in de Ommerschans. Dat is bijna negen maand na de dood van haar moeder Hendrikje's echtgenoot Jacobus. Nog bijzonderder is dat de geboorte van Johanna Catharina niet wordt aangegeven bij de burgerlijke stand. 

Veenhuizen

De geboorte van Johanna Catharina staat echter wel vermeld in het "Handboek der bedelaarsgestichten" van de Ommerschans. Op 3 november 1857 trouwt moeder Hendrikje op vierendertig jarige leeftijd met de achtendertig jarige, eveneens kolonist, Johannes Huibert van Adrichem. Johannes Huibert wil bij dit huwelijk de dan anderhalf jaar oude Johanna Catharina erkennen als zijn dochter, maar dan blijkt dat haar geboorte nooit is aangegeven bij de burgerlijke stand. En dat is een probleem. 

Het duurt ruim een jaar voordat het via de rechtbank in Deventer is geregeld dat Johanna Catharina's geboorte wordt aangegeven, en Johannes van Adrichem haar als zijn dochter krijgt erkend. Maar de achternaam "van Adrichem" krijgt ze niet en ook niet de achternaam "de Haan" wie me echter de meest aannemelijke vader lijkt. Pas op 30 november 1858 krijgt Johanna Catharina de achternaam van haar moeder; "Vitjeroo". 

Maar wie is dan de biologische vader? Het kan de eerste echtgenoot Jacobus de Haan nog zijn, maar dan is hij vlak na de bevruchting overleden. Het kan het resultaat zijn van een vluchtige, misschien niet helemaal vrijwillige relatie. Of is toch Johannes Huibert van Adrichem de vader en was er al sprake van een relatie ten tijde of direct na het overlijden van de eerste echtgenoot Jacobus? DNA testen lijken me de enige mogelijkheid om hier nog achter te komen mochten nabestaanden dat willen.

Intussen heeft Johanna Catharina een broertje gekregen, een zoon geboren uit het huwelijk van Hendrikje en Johannes Huibert van Adrichem. De naam van de pasgeboren baby wordt Johannes. Er volgen uiteindelijk ook nog een broertje Hendrik Wijnandus Arie die ook in de Ommerschans wordt geboren en in Veenhuizen krijgt de zevenjarige Johanna Catharina er nog een zusje bij, haar naam is Gerhardina, roepnaam Geerdjen.

Het gezin doet het goed op de Ommerschans, wordt na goede arbeid ontslagen om vervolgens weer in armoede te vervallen. En om na het vragen om een aalmoes aan de veldwachter vervolgens weer met het hele gezin opgezonden te worden naar de Koloniën van Weldadigheid. Johanna Catharina is achttien jaar als ze uiteindelijk voor de laatste keer de kolonie verlaat met haar ouders, broers en zusje. 

Het gezin gaat wonen in Hellendoorn om te werken in de textiel. Daarna verhuist het hele gezin naar Hilversum waar Johanna Catharina haar toekomstige man ontmoet. Ze trouwt op 1 juni 1876 met de in Leiden geboren Abraham de Roo. Johanna Catharina is op dat moment weefster en Abraham wever. Mogelijk hebben ze elkaar in de fabriek leren kennen, al staat Abraham ten tijde van het huwelijk nog wel ingeschreven als inwoner van Leiden en niet als inwoner van Hilversum. Het huwelijk wordt in Leiden ook aangekondigd. In 1877 wordt de eerste zoon geboren van Johanna en Abraham, zijn naam is Stephanus Johannes de Roo. 

Johanna Catharina's (stief)vader Johannes Huibert van Adrichem overlijd in 1878 op negenenvijftig jarige leeftijd in Hilversum. Moeder Hendrikje blijft alleen achter met de jongste twee kinderen; Hendrik, op dat moment negentien jaar oud en Gerhardina, veertien jaar oud. 

Op 9 mei 1879 overlijd het eerste kindje van Johanna Catharina en Abraham, de tweejarige Stephanus Johannes in Hilversum, maar het gezin staat op dat moment geregistreerd als inwoners van Haarlem, zijn overlijden is ook in Haarlem geregistreerd. Mogelijk waren ze op bezoek bij moeder Hendrikje die in Hilversum woonde op dat moment.

Abraham en Johanna Catharina wagen een grote stap en gaan met z'n tweeën in Duitsland op zoek naar werk in de textielindustrie. Mogelijk is er in Nederland niet voldoende werk meer voor ze. De reis duurt nu tweeënhalf uur met de auto over de snelweg, toendertijd een afstand van minstens vierenveertig uur lopen. Mogelijk hebben ze ook deels met een kar of trein afgelegd, maar in elk geval het was een flinke afstand in die tijd, een reis van meerdere dagen.

Ze komen terecht in Ochtrup, waar Johanna Catharina op 8 juli 1880 weer van een zoon bevalt, ook hij krijgt de naam Stephanus Johannes de Roo. Op 24 maart 1883 komt in het Duitse Eschendorf opnieuw een zoon ter wereld. Zijn naam is Johann Martin Hubert de Roo. En in het eveneens Duitse Rheine wordt de laatste zoon Wilhelm Friedrich de Roo op 24 april 1885 geboren. 

Johanna Catharina's moeder Hendrikje woont tijdelijk in Rheine bij het gezin van haar dochter en schoonzoon. Ook Johanna Catharina's broer Johannes van Adrichem en zijn vrouw Judith Langkamp woont voor een tijd met zijn gezin in Rheine. Waarschijnlijk werken ze allemaal in de textielindustrie. Mogelijk dat er hier meer werk in de textielindustrie. De familie van Adrichem is duidelijk een familie zonder vaste roots. Het gezin en alle kinderen met hun gezinnen trekken makkelijk van de ene naar de andere plek op zoek naar een beter leven. Van Ommen en Veenhuizen via Hilversum, Hellendoorn, Groningen, Nederlands-Indië, Rheine, Eschendorf, Ochtrup en alle andere plaatsen waar ze geprobeerd hebben om zich te vestigen om uiteindelijk in Enschede terecht te komen.  

Voor Johanna Catharina komt het echter nooit zo ver. De jonge moeder overlijd op 29 september 1890 in Rheine. Ze werd maar vijfendertig jaar oud. Oudste zoon Stephanus Johannes is dan negen jaar oud, Johann Martin Hubert is zeven jaar oud, de jongste zoon Wilhelm Friedrich is nog maar vijf jaar oud. Abraham blijft alleen achter, vierendertig jaar oud en een weduwnaar met drie jonge zonen. Johanna Catharina's moeder Hendrikje Vitjeroo zal vermoedelijk de zorg van de kinderen op zich hebben genomen, zij is dan nog woonachtig in Rheine. Hendrikje is dan zevenenzestig jaar oud en haar gevorderde leeftijd zal het zorgen er niet makkelijker op hebben gemaakt. 

In 1901 woont moeder Hendrikje Vitjeroo echter weer in Hilversum. Geen idee waarom ze in haar eentje weer die kant op is gegaan, er is niets of niemand meer van haar gezin die op dat moment nog in Hilversum woont. Zoon Johannes woont in Nordhorn, dochter Gerhardina waarschijnlijk ook, zoon Hendrik zit zelfs helemaal in Nederlands-Indië. Hendrikje woont aan de Bodemanstraat 33 samen met ene Geertruida de Wit. 

Ik heb geen tweede huwelijk van de achtergebleven echtgenoot Abraham gevonden. Het moeten zware jaren voor Abraham zijn geweest, lange werkdagen en ook nog de kinderen alleen opvoeden. En dan gebeurd het ergst denkbare; vader Abraham overlijd op 16 november 1896 in Eschendorf, slechts veertig jaar oud. De zoons zijn dan zestien, dertien en elf jaar oud. De kinderen werkten mogelijk zelf ook al in de textielfabriek, niet ongewoon in die tijd. 

Johanna Catharina's oudste broer Johannes van Adrichem wordt voogd van de drie jongens. Ik heb echter niet kunnen vinden of de jongens bij hun oom Johannes van Adrichem en tante Judith Langkamp en hun nog groeiende gezin zijn gaan wonen of dat ze mogelijk in een weeshuis o.i.d. terecht zijn gekomen, al was de oudste zoon er misschien al wel te oud voor. 

Ik ga er van uit dat de jongens een paar jaar bij het gezin van oom Johannes van Adrichem zijn gaan wonen. Het gezin vertrekt rond de eeuwwisseling naar Enschede waar het gezin uiteindelijk definitief blijven wonen. Moeder Hendrikje blijft in Hilversum waar ze in 1913 in haar eentje op negentachtigjarige leeftijd in de Bakkerstraat overlijd.

Bakkerstraat Hilversum

De zoons van Abraham en Johanna Catharina blijven ook allemaal in Enschede wonen waar ze trouwen, kinderen krijgen en ook overlijden. Ik hoop ooit op contact met de nabestaanden van de familie de Roo. Ik ben zo benieuwd of ze weten hoe het leven van de drie zoons de Roo is verlopen na het jonge overlijden van hun ouders. Tot die tijd probeer ik verder te zoeken in de archieven naar de levens van de jongens in de hoop het plaatje van die verschrikkelijke tijd na het verlies van beide ouders compleet te krijgen.

Textielstad Enschede