zaterdag 26 januari 2019

Een familie van Scherprechters

Naar aanleiding van mijn eerdere post over Wolter Jansen de scherprechter kreeg ik voor de zomervakantie een mailtje van meneer C. Snijder. Meneer Snijder is nazaat van de bekende scherprechter familie Snijder en doet al jaren onderzoek naar alle scherprechters- en vildersfamilies in Nederland.
De namen Jansen, Goedgeluk maar ook Vogedes die in mijn vorige post genoemd werden kwamen hem dan ook bekend voor.
Hij vertelde mij dat niet alleen Wolter Jansen uit de vorige post en zijn vader scherprechters waren, maar nog veel meer van mijn voorouders.
Met elk stukje dat ik verder las groeide mijn verbazing. Dit was niet zomaar een familie van scherprechters meer, het was een hele dynastie!
Meneer Snijder verwees me naar een publicatie van hem in het genealogisch tijdschrift De Nederlandse Leeuw. Dat wakkerde de interesse natuurlijk nog veel meer aan. Dagen heb ik op internet geprobeerd mijn kwartierstaat zo compleet mogelijk te krijgen en heb ik zoveel mogelijk gelezen wat ik kon vinden over de scherprechter.

Zeker zeven van mijn directe voorouders waren vilder of scherprechter, en dat zijn alleen de voorouders die mij bekend zijn en waarvan ik weet wat ze voor de kost deden.
De zeven voorouders hadden vaak ook zonen, ooms, en neven die vaak ook vilder of scherprechter waren.


Niet alleen het vinden van een functie als scherprechter vinden was moeilijk, ook het vinden van een geschikte huwelijkspartner was een uitdaging. Er werd namelijk bijna uitsluitend binnen de eigen beroepsgroep getrouwd. Niet alleen omdat ze een vanwege hun beroep buiten de maatschappij vielen maar ook om hun hoge maatschappelijke positie te beschermen. Hierdoor bleven de kennis die ze hadden, maar ook het vermogen en macht binnen de familie gewaarborgd, wat leidde tot uitgebreide scherprechters dynastieën.

Zo ook de familie Jansen uit Stadtlohn, Duitsland. Via mijn voorvader Antonius Marcellus Wilhelmus (Anton) Jansen, geboren in Stadtlohn en die in 1847 naar Amerika vertrok ben ik verwant via meerdere lijnen met deze familie. Waarschijnlijk is deze Anton ook verwant aan de Wolter Jansen uit mijn eerdere post, maar bewijs hiervoor hebben zowel meneer Snijder als ik nog niet gevonden.
Zowel Anton Jansen als de vier generatie's voor hem waren afdekker of vilder. Zijn schoonvader Theodorus Hermannus Vogedes was Scherprechter te Olfen. Theodor's eerste vrouw was afkomstig van de familie Koenen, die ook vele scherprechters voortbrachten, zijn derde vrouw was de dochter van Wolter Jansen. En via Wolters vrouw Berendina Goedgeluk kom ik opnieuw bij de familie Koenen terecht. Waarvan de verste voorouder die we konden vinden als in de 16e eeuw scherprechter was. (Klinkt ingewikkeld, is het ook, maar hoop dat bovenstaand grafiekje het verhaal een beetje verduidelijkt)

De oom van Anton Jansen; Gradus Jansen was de scherprechter van Amsterdam. Toen Gradus in 1826 stierf solliciteerde het neefje van Anton Jansen, Dirk Jansen, naar de opengevallen post, maar werd afgewezen ten gunste van Jacobus Ras, die weer afstamde van eerdergenoemde familie Koenen. 
Jacobus Ras was getrouwd met weduwe Nordt. Haar dochter Anna Maria Klotz trouwde op haar beurt weer met Gerardus Jansen, scherprechter van Amsterdam en jongere broertje van Dirk.
Ook de oudere broer van Dirk en Gerardus, Johannes, was op dat moment scherprechter te Groningen, nadat hij eerst assistent scheprechter te Amsterdam was geweest.

Toen Jacobus Ras in 1837 overleed werd zijn overlijden aangegeven door zijn schoonzoon Gerardus Jansen en diens broer Dirk Jansen, de toenmalige assistent-scheprechter te Amsterdam. Dirk, de oudste van de beide broers, werd op 29 April 1837 tot opvolger van de overledene benoemd. Hij was toen 35 jaar en reeds sedert 10 Mei 1820 assistent-scherprechter. In zijn sollicitatie verklaarde hij, dat hij tussen 1820 en 1837 achtmaal een capitale executie had zien voltrekken en er eenmaal zelf een had verricht.

Dirk Jansen was de laatste scherprechter in Nederland. Hij was van oorsprong laarzenmaker. Hij werd omschreven als een vriendelijke, zachtmoedige, zedelijke en plicht lievende huisvader. Zijn foto geeft ook dat beeld weer. Als ik daar naar kijk kan ik amper geloven dat deze man mensen heeft geëxecuteerd en gegeseld. Het schijnt dan ook dat Dirk aan de vooravond van de executies wel eens iets te diep in het glaasje keek.
Dirk Jansen, de laatste Scherprechter van Nederland.
Op 1 januari 1851 werden alle scherprechters van Nederland ontslagen. Zij werden op wachtgeld gezet en zouden bij eventuele executies voor elke handeling een bepaald bedrag krijgen.
Op 16 augustus 1851 werd bepaald dat voor het hele koninkrijk slechts twee scherprechters zouden fungeren. één voor Gelderland, Friesland, Overijssel, Groningen, Drenthe en Limburg, de ander voor Noord-Brabant, Zuid-Holland, Noord-Holland, Zeeland en Utrecht.
De keuze viel op de scherprechters Dirk Jansen, scherprechter te Amsterdam en Johannes Paul Jansen, Scherprechter te Arnhem.

Op 21 november 1854 werd er besloten dat er per 1 januari 1855 nog maar één scherprechter zou zijn. En dat werd Dirk Jansen. Dirk heeft echter niet zo vaak een straf uit hoeven te voeren als zijn collega's in de 17e en 18e eeuw. De meeste lijfstraffen werden na 1854 afgeschaft en misdadigers kregen vaak gratie, zodat Dirk maar acht keer een executie heeft hoeven uitvoeren.
De laatste executie die Nederland werd uitgevoerd, door Dirk Jansen, was op 31 oktober 1860 in Maastricht.
Toen werd moordenaar Johan Nathan door Dirk Jansen opgehangen. Op de ochtend van 31 oktober liep Johan Nathan naar het schavot. Naast hem liep de geestelijke, voor hem Dirk Jansen en daarachter de beulsknecht. Het was doodstil op het marktplein waar zich een flinke menigte had verzameld. Het schavot was rondom met zwarte doeken behangen. Johan Nathan liep het schavot op, waar de beulsknecht hem ontdeed van zijn schoenen. Met gebonden handen keek hij om zich heen en bekende zijn misdaad te hebben begaan en zei bereid te zijn zijn straf te ondergaan. Toen legde Dirk Jansen zijn hand op de schouder van Johan Nathan en deed de strop om zijn nek, waarna hij het valluik liet kantelen. Slechts enkele ogenblikken later was de laatste openbare terechtstelling in Nederland voorbij. Daarmee kwam een eind aan eeuwenlange scherprechters dynastie.
Dirk Jansen bleef officieel nog wel de Scherprechter maar werd nooit meer opgeroepen voor zijn diensten. Bij het afschaffen van de doodstraf in 1870 werd Dirk meteen op wachtgeld van 800 gulden per jaar gezet en daarmee verdween de laatste beul van Nederland uit de geschiedenis,
Dirk Jansen keerden terug naar zijn beroep als laarzenmaker en verhuisde in 1862 met zijn vrouw naar Arnhem, waar hij in 1880 overleed.

Van oudsher was het de gewoonte wanneer een scherprechter bij een executie met het zwaard er niet in slaagde in één slag het hoofd van zijn slachtoffer af te slaan, een prooi werd van de mensenmenigte. Nog in de 16e eeuw zijn er in ons land om die reden beulen doodgeslagen. In de 17e eeuw is dat niet meer gebeurd. Maar het maakt duidelijk dat er van de scherprechter op lichamelijk gebied veel werd geëist.

Het beroep van scherprechter was een achtenswaardig beroep; hij was tenslotte een rechtvaardig justitieambtenaar in dienst van de stad of provincie en diende de handhaving van de rechtsorde. Strafjustitie was een wil van god en daarmee werd het geweld gezien als rechtvaardig. Scherprechters zagen hun beroep ook vaak als een roeping.

Hoewel de beul vaak werd gezien als buiten de maatschappij geplaatste, gewetenloze bruut, waren ze het daar zelf niet mee eens. Dirk van Gorcum, scherprechter te Leeuwarden van 1755 tot 1797 diende zelfs een klacht in tegen de term Beul, dat hem "als een veragtelijk persoon deed voorkomen" en hoopte hij zodoende een "boete te laaten citeeren". 
In oude documenten uit die tijd zul je die term beul dan ook niet vinden. De scherprechters werden toen, heel deftig "Meester van den Scherpe Swaerde" genoemd.

Eeuwenlang werd er enorm streng gestraft bij het overtreden van de wet. Brandmerken, geselen, verminken, ophangen, onthoofde, vierendelen en radbraken gebeurden niet dagelijks, maar waren wel onderdeel van het gewone leven. Deze straffen dienden dan ook tot voorbeeld en afschrikking.
De zoon van een scherprechter werd van kind af aan als door zijn vader in het vak opgeleid om hem dan later te kunnen assisteren of bij een ander familielid in dienst te treden. Niet alle zonen kregen een aanstelling als scherprechter want er waren maar een beperkt aantal vacatures. Voor het beulswerk kon ook niet iedereen gebruikt worden. Je behoorde een uiterst bekwaam vakman te zijn met veel chirurgische kennis. Werd je niet verkozen tot scherprechter dan kozen de zonen vaak een aanverwant medisch beroep als chirurgijn of veearts. Maar ook slager, vilder, afdekker of rijnmaker zijn beroepen die ik veel ben tegen gekomen bij de zonen van de scherprechters.

Werd je wel benoemd tot scherprechter dan kwam er natuurlijk de eerste keer dat je een executie uitvoeren moest. Vanwege onze instinctieve afkeer om bloed te vergieten komt ons de weerzin om voor de eerste maal de doodstraf te voltrekken begrijpelijk voor, toch moet het zo elke jonge scherprechter zijn vergaan.

Er zat natuurlijk wel een enorme verschil in maatschappelijk waardering tussen het beroep scherprechter en vilder. Waarmee de laatste als laagste op de sociale lader stond. De vilders hadden vooral tot taak het gestorven vee en paarden van de huid te ontdoen en de kadavers op te ruimen. Ook zorgden zijn voor het leeghalen van het privaat of secreet (toiletten) en het transporteren en begraven van "onnatuurlijk" gestorven personen waaronder zelfmoordenaars en ter dood gebrachte misdadigers. Per land verschilde ook de functie van vilder. In Frankrijk was het een dubbel functie; zowel scherprechter als vilder, maar in het noorden van Duitsland stonden de vilders in dienst van de scherprechters. Er werd regelmatig getrouwd tussen de scherprechters en vildersfamilie's zoals ik al eerder beschreef. Ook trad men vaak op als doopgetuigen, dat ben ik mijn onderzoek naar de familie Jansen vaak tegen gekomen.

Hoe meer onderzoek ik doe naar deze familie en hoe meer ik over hun beroep te weten kom, hoe gemengder mijn gevoelens over deze familie worden. De details over de lijfstraffen en executies zijn afschuwelijk en vervullen me met weerzin. Ik kan me echt geen voorstelling maken hoe het moet zijn om als je vak dit soort dingen bij mensen moet doen die bidden en smeken om op te houden en die het uitgillen van de pijn. Hoe kun je zoiets volhouden? Maar tegelijk is en blijft het mijn familie, het zijn mijn voorouders, die dit generaties lang hebben gedaan en ik draag een stukje van hun DNA met mij mee en ben ik ergens ook nog wel trots op ze. Het is in elk geval een hele interessante familiegeschiedenis waar vast nog meer over valt uit te zoeken!


"prijslijst" van Meester Wolter Jansen, scherprechter te Gendringen

woensdag 12 december 2018

Familie Houter

Er zijn een aantal families in mijn stamboom waar ik van het zoeken er na echt gefrustreerd van raak. Dit zijn vaak de families die waarschijnlijk niet uit Nederland komen. De familie Fietjero is er daar een van, maar ook bij de familie Houter zucht en steun ik er wat af. 
Ik zoek er al jaren naar, maar wat ik ook probeer, hoe ik ook zoek en vraag. Ik zit hartstikke vast met dit gezin.

De eerste Houter is mijn stamboom is mijn voormoeder Johanna Elisabeth Houter. Ze trouwt met mijn voorvader Johannes van Adrichem. Als enige van de familie Houter vertrekt zij uit Rotterdam, zij zal in Amsterdam sterven.
Maar dat weet ze nog niet als ze in 1821 in Rotterdam trouwt met Johannes van Adrichem. 

Volgens het extract van het geboorteregister die bij de huwelijkse bijlagen van dit huwelijk zitten staat dat Johanna Elisabeth geboren is in Veere, Zeeland, op 8 juni 1788. Op 13 juni wordt ze Nederlands Hervormd gedoopt. De getuigen, naar wie ze wordt vernoemd en die bij deze plechtigheid aanwezig zijn Johan Kasper Smit en Elizabeth Pagter. 
De moeder van Johanna Elisabeth is de 26e jarige Catharina Visser, de dochter van de eerder beschreven Pieter Visser en Tanneke van Helleput.
De vader van Johanna is de  27e jarige Johannes Houter. Johannes is soldaat en volgens zijn overlijdensakte geboren in Bern, ik neem dan aan dat dit Bern, Zwisterland moet zijn. Er zaten veel Zwitsers in het Nederlandse leger. 

De originele doopakte van Johanna Elisabeth heb ik, ondanks jaren zoeken, nog steeds niet gevonden. Vermoedelijk is dit bij een bombardement tijdens de tweede wereldoorlog vernietigd. Ook de huwelijksakte van vader Johannes en moeder Catharina kan wel eens vernietigd zijn, die is voor mij ook onvindbaar.
Ik weet wel dat dit stel getrouwd is omdat er wel een akte bestaat waarin staat dat Johannes en Catharina trouwgeld hebben betaald voor hun huwelijk. Deze akte is gedateerd op 1-10-1786 te Veere. Een aardige meneer uit Middelburg is onlangs voor me op zoek geweest naar akte's van de familie Houter in het Zeeuws Archief, maar zonder verder resultaat. 

Trouwgeld Johannes Houter
Johanna Elisabeth is dus het eerste kind van het echtpaar Houter. Twee jaar later vind ik een doopinschrijving in Geertruidenberg. Op 12-12-1790 wordt daar Johan David Houter gedoopt. Volgens de doopinschrijving zijn de getuigen Jan David Boller en Rosina Houter. De vader is in Geertruidenberg in garnizoen. Rosina zou een zus, maar ook de (ongehuwde) moeder van Johannes kunnen zijn. 
Doop Johan David Houter
Dat betekend dat het hele gezin steeds mee verhuisd als het garnizoen verder trekt. 
Ondanks een speurtocht in het boek "Vredesgarnizoenen van 1715 tot 1795 en 1850 tot 1940" van H. Ringoir heb ik niet met zekerheid het regiment vinden waarin Johannes Houter zou hebben gediend, en loopt ook dit spoor hier dood. 

In 1792 en 1795 worden er door Johannes Houter in Rotterdam twee levenloos geboren kinderen aangegeven. Johannes zit dan waarschijnlijk niet meer in actieve militaire dienst. Rotterdam was volgens mij geen garnizoensstad.
Het gezin woont in Rotterdam op de hoek van Zwaanesteeg en het Achterklooster. Ze bewonen de voorkamer van het huis nr 2. De kinderen worden pro deo aangegeven, dat geeft een beeld hoe armoedig het gezin moet zijn geweest. 

Het vreemde is dat ik dan tussen 1795 en 1801, dus zes jaar lang, geen geboorteaangifte's meer kan vinden. Mijns inziens kan dit niet kloppen en moeten er in die tussenliggende jaren nog een stuk of twee kinderen zijn geboren, al dat niet levenloos. Niet in Rotterdam, maar waar dan wel? 
Na 1801 worden er ineens binnen vier jaar tijd weer vier dochters geboren.

De eerste dochter die in Rotterdam levend ter wereld komt is Catherina Elizabeth. Ze wordt ook "Agter 't Klooster" geboren op 13 mei 1801. 
Dan volgt dochter Tannetje, zij wordt geboren aan de Kipstraat te Rotterdam op 14 augustus 1802. Margrieta Rosina wordt op 21 oktober 1804 geboren "op 't Agter klooster. Vier dagen na haar geboorte overlijd haar zus Tannetje op 1 jarige leeftijd. 
De 28e oktober wordt Margrieta Rosina gedoopt, met als doopgetuige Margarieta Blecker. De volgende dag begraaft het gezin de kleine Tannetje in de regen. Ik vind het maar een trieste situatie...

Achterklooster 1710
Op 6 december 1805 wordt aan de Kipstraat het laatste kind geboren. Als ze zes dagen later wordt gedoopt, krijgt ze haar naam; Maria Elizabet, vernoemd naar haar doopgetuige; Maria Steets. 

Hoewel de straat waar ze wonen steeds anders wordt genoemd denk ik dat ze wel steeds op dezelfde plek hebben gewoond. De korte Kipstraat is namelijk de oudste benaming voor het Achterklooster. 
Aan de Hoogstraat in Rotterdam stond vroeger een klooster. Op het terrein van het klooster verrezen na 1572 het Gasthuis, het Pest- en Dolhuis en het Oude vrouwenhuis. Het is me opgevallen dat bijna al mijn voorouders uit Rotterdam, ook de familie van Adrichem, in dit gebied woonden.
Uit 18e eeuws belastinggegevens weten we, dat het gebied waarvan het Achterklooster, bestaande uit zes smalle steegjes achter de Hoogstraat, deel van uit maakte, het armste stuk van de stad was.   

Achterklooster 1830
De bekende Kaat Mossel woonde na haar huwelijk ook op 't Agter Klooster, zij stierf op 4-7-1798 aan de Swanensteeg. Dat is waar de familie Houter op dat moment ook woonde. Wie weet waren ze wel buren. Ze moeten elkaar in elk geval gekend hebben.

Kaat Mossel
Als je de reputatie van Kaat Mossel (losbandig en een viswijf) een beetje kent en je bedenkt dat Tanneke van Helleput, de moeder van Catharina Houter-Visser, er een "hoeragtige manier van leven" op na hield, dan geloof ik niet dat de familie Houter een beschaafde familie in een nette buurt was.  

Kipstraat voor het bombardement
(De huidige Kipstraat en Achterklooster liggen vanwege het bombardement van Rotterdam nu niet meer op dezelfde plek als in het begin van de 19e eeuw.)

Johannes Houter sterft in 1820 in Rotterdam. Geboren te Bern, gedomicilieerd te Rotterdam, 58 jaren en 11 maanden oud, staat er op zijn overlijdensakte. Zijn vrouw Catharina zal nog 21 jaar lang zonder hem aan haar zijde leven. Zijn dochters trouwen alle vier en stichten grote gezinnen. 

Tot zover beste leuke informatie, maar het frustrerende begint als ik op zoek ga naar zoon Jan David Houter. Wat is er met hem gebeurd? Is hij overleden voordat het gezin in Rotterdam kwam wonen? 
En wie is zijn doopgetuige, Rosina Houter? Is zij de zus van Johannes, of misschien wel zijn moeder? De naam Rosina wordt wel doorgegeven binnen de familie, ook zijn kleindochters worden naar haar vernoemd. Dat lijkt mij er op wijzen dat zij belangrijk voor hem was.
En wat is er gebeurd met dochter Margrieta Rosina Houter? Nergens kan ik de overlijdens van deze drie vinden. 

De naam Houter, zonder toevoeging, komt in Nederland verder niet voor. Ik zoek al jaren op alle varianten en in alle archieven, maar kan niets vinden. En komt Johannes daadwerkelijk uit Bern? Waar was hij gelegerd? In een achternamen database van Zwitserland komt ik de naam ook niet tegen. Ik wil zo graag meer weten over deze naam, maar alle sporen lopen dood. 
Ik hoop dat dit verhaal hier op de site op een of andere manier informatie oplevert, dat zal niet de eerste keer zijn. Fingers crossed! 

zondag 9 december 2018

Pieter Visser; gastblog door Harold Pot

Ik ben niet de enige in de familie die geïnteresseerd is in de familiegeschiedenis en daar graag over schrijft. Ook mijn achterneef Harold Pot heeft het "stamboomvirus" te pakken. We hebben elkaar leren kennen door het onderzoek naar onze stamboom en we bleken parallel een paar straten van elkaar te wonen en hebben elkaar toen voor het eerst ontmoet. Het klikte meteen en ik herkende bepaalde karaktereigenschappen van hem bij mezelf. We zijn al een paar keer samen op stap geweest en delen onze vondsten met elkaar en we vullen elkaar volgens mij goed aan. Zo heeft Harold de blog die ik over Tanneke van Helleput heb geschreven verder uitgezocht en er zelf een stuk over geschreven, die je hieronder vind. Ik ben er van onder de indruk en hoop dat er nog vele gastblogs van hem zullen volgen! 
-------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Pieter Visser en Tanneke van Helleput: door Harold Pot

Heinrich van Adrichem                 Wilhelmina Hekke
Johannes van Adrichem              Judith Langkamp
Johannes Huibert van Adrichem  Hendrikje Vitjeroo
Johannes van Adrichem              Johanna Elisabeth Houter
Johannes Houter                          Catharina Visser                            
Pieter Visser                                 Tanneke van Helleput

Begin 18 eeuw komen we in onze stamboom Pieter Visser tegen, Pieter is geboren op 18 november 1731 in Werkendam bij Gorinchem, zoon van Abraham Visser en Lijsbeth van der Wal. Pieter is het oudste kind uit een gezin waar elf kinderen zijn geboren, zeker twee zusjes en een broertje van hem overlijden in de eerste jaren van hun leven.

Op 29 augustus 1760 trouwt Pieter met de dan 20 jarige Tanneke van Helleput, Tanneke is geboren op 22 mei 1740 in Hulst. Ze is het oudste kind van Levinius van Helleput en Catherina van de Voorde. In de zes jaar na Tanneke's geboorte worden zoon Pieter en dochters Adriana en Magdalena geboren. Eén jaar na hun huwelijk word hun eerste dochter, Catherina Visser geboren. Na Catherina krijgen ze in 1763 dochter Elisabeth. Rond diezelfde tijd passeert de koopakte van een huis aan de Vismarkt in Hulst. In het huis aan de Vismarkt (gebouwd in 1633) beginnen Pieter en Tanneke een  herberg, ze noemen de Herberg "Het Vismijntje", een verwijzing naar de functie die de markt gelegen vóór de woning had in de jaren dat de haven er nog stroomde. Blijkbaar vinden er bezigheden plaats die weinig te maken hebben met water. Op bevel van het stadsbestuur word de herberg in 1765 gesloten vanwege de schandelijke en "hoeragtige mannier van leven" van Tanneke die, vanwege het beledigen van de leden van het stadsbestuur, zelfs gevangen word gezet. Het Vismijntie word in 1765 verkocht aan François de Bruijn. Waarschijnlijk uit geldgebrek want volgens aantekening op de akte van aankoop is de koopsom nog steeds niet voldaan door Pieter en Tanneke. In 1765 word er ook een zoon geboren. Ze noemen hem Abraham, naar de vader van Pieter. Drie jaar later word er ook nog een dochter Magdalena geboren.





Hulst in de 17 eeuw

Door de financiële situatie wordt het er niet beter op. Het is dan ook erg waarschijnlijk dat Pieter door arbeidsbemiddeling aan een “baantje” is geholpen. Ronselaars, ook wel logementhouders of zielverkopers genoemd, bieden berooide werkzoekenden werk of geld voor een nog uit te voeren dienst. Als bekend word dat de VOC in de stad op zoek is naar personeel brengt de logementhouder zijn “gasten” naar de Kamer van het Oost-Indisch Huis. Door het afleggen van een eed op het reglement van de VOC kunnen ze aanmonsteren als matroos of soldaat. Van de logementhouder krijgen ze een eenvoudige uitrusting. Als vergoeding voor die uitrusting en eventuele andere diensten ontvangt de logementhouder het voorschot van de nieuwbakken Oost-Indiëvaarder (twee maanden gage). Bovendien ontvangt hij een schuldbekentenis, ook wel transportbrief of transportceel genoemd. Vaak bedraagt deze transportbrief het bedrag van 150 gulden. Vlak na de geboorte van zijn dochter Magdalena vertrekt Pieter als matroos voor de VOC naar Batavia met spiegelretourschip Barbara Theodora. Op 14 december 1768 varen ze uit. Als matroos heeft hij verschillende taken. In zijn functieomschrijving staat het volgende: Waak -en Roergang, Laden en lossen, reinigen, teren en kalfaten van het schip, af en aanslaan van de zeilen, Helper van de onderofficieren. Ook wel bootsgezel genoemd. 

Rammekens in de 17e eeuw
Het leven aan boord is voor de meeste opvarenden geen pretje. Er zit een groot verschil tussen het leven voor de mast en het leven daarachter. Het leven achter de mast is in vergelijking met dat van voor de mast ontzettend luxe. Deze passagiers wonen in kleine, doch zeer comfortabele hutten. De hutten zijn voorzien van onder andere een tafel met 

stoelen, een bed, een kast en soms zelfs een bank. Voor de mast is het leven compleet anders. Men leeft daar op het overloopdek tussen plunjekisten en hangmatten,  kanonnen en handelsgoederen. Door het lage plafond moeten zij zich voorover gebogen door het ruim verplaatsen. Pieter verblijft voor de mast met andere matrozen en soldaten. Waar de edellieden nog op matrassen kunnen slapen moet hij het zich zo comfortabel mogelijk zien te maken op een strozak met een haren deken of in een hangmat.


De Barbara Theodora heeft voor negen maanden voedsel aan boord. Dat is op zichzelf ruim voldoende.  De eerst volgende plaats waar voedsel en water kan worden ingeslagen is Kaap de Goede Hoop en dat ligt op vier maanden varen van Holland. Voor een bemanning van 350 opvarenden word het volgende meegenomen op een lange reis: 55.000 pond brood, 22.000 pond vlees, 10.000 pond spek, 3700 pond boter en 700 kazen. De rantsoenen zijn precies afgemeten en nauwkeurig is beschreven hoeveel een ieder krijgt. Dit is voor de gewone bemanningsleden per week: 330 gram vlees, 660 gram spek,  220 gram boter bij het brood, één mutsje azijn en één mutsje olijfolie. De onderofficieren hebben een ruimere portie: anderhalf maal het rantsoen van de gewone bemanningsleden.  Overigens is dit weer minder dan de officieren die tweemaal zoveel krijgen als de gewone matrozen. Toch zijn er problemen met het voedsel en de drank. Zo kan het voedsel alleen gedroogd of gezouten worden bewaard, maar soms blijkt tijdens de reis een deel van het voedsel niet geschikt voor consumptie.  De precieze oorzaak van het bederf is vaak niet te achterhalen. Soms word er door leveranciers in Nederland oud en bedorven voedsel geleverd.  Ook kan het voorkomen dat een volledig verse lading voedsel op zee door vocht aan boord en de brandende zon op het schip bederft.  Het goedhouden van de meegebrachte drank is vaak nog moeilijker dan het conserveren van het ingeslagen voedsel. De eerste weken van de reis is er wat betreft de drank nog niet erg veel problemen. In deze begintijd van de reis kan er nog voldoende bier worden gedronken. Voor elk bemanningslid is er twee liter per dag. Het scheepsbier heeft echter een probleem: het is beperkt houdbaar. Binnen drie maanden moet al het bier zijn opgedronken. Als het bier op is heeft de scheepsbemanning nog maar één alternatief: water. Bij het aan boord brengen van het water word rekening gehouden met 400 liter per persoon, inclusief het water wat nodig is voor het bereiden van de maaltijd. Het water bederft echter vaak. Bedorven water verspreid een enorme stank aan boord en er is weinig anders aan te doen dan het overboord te kieperen. Er word echter wel wat op gevonden om het kostbare (bedorven) water weer drinkbaar te maken: in het water word een roodgloeiende ijzerstaaf uitgedoofd en aan het water word een scheut limoensap toegevoegd om het geheel weer drinkbaar te maken. Tussen de opvarenden is het niet altijd koek en ei. Kleine onenigheden kunnen soms uitlopen op grote ruzies. De voornaamste conflicten ontstaan over de werkzaamheden op het schip, de voedselverdeling, de kwaliteit van het leven op de schepen en het strakke schema van het wachtsysteem waar niet iedereen zich op aan wil passen. De oorzaak achter de meeste ruzies is drank. Overmatig drankgebruik zorgt ervoor dat van een mug vaak een olifant word gemaakt. Een verkeerd gekozen woord of een flauwe grap kan uitlopen op een hevig conflict. Het onderlinge geroddel, de aanwezigheid van passagiers met vlugge vingers en het beledigen van medepassagiers – o.a. door het geven van bijnamen als ‘bokkepoot’ en ‘smeerbroek’ – vergroot de spanning. De mondelinge ruzies lopen al gauw uit op lichamelijk geweld en messengevechten.


Op 14 december 1768 varen de Barbara Theodora en Geynwensch uit.



Aan boord komen veel ziektes voor, zoals malaria, beriberi, verkoudheid, longontsteking en scheurbuik. De meest bekende zeemansziekte is scheurbuik, met als voornaamste symptomen verlamming van ledematen en ontsteking van tandvlees. Het is bekend dat scheurbuik word veroorzaakt door een gebrek aan verse groenten en fruit, dus zijn er soms groentetuintjes aan boord van het schip. Een schatting van de sterftecijfers aan boord is dat 15% van de bemanning de heenreis niet overleefd en op de terugreis 10% het loodje legt. Deze doden worden dan over boord gegooid.



Op zaterdag 1 april 1769, na vier maanden varen, komen ze aan op kaap de Goede hoop. Daar word vers water, fruit en ander proviand meegenomen. Ruim 2 weken later vertrekken ze op 18 april verder richting Indië. 




Na nog eens vier maanden varen komt de Barbara Theodora op 19 juli 1769 aan in Batavia. Bijna 8 maanden zijn ze onderweg geweest!


Op 1 november van datzelfde jaar vaart de Barbara Theodora weer uit naar Rammekens in de Republiek der zeven verenigde Nederlanden, ook Pieter is dan weer als matroos aan boord. Op 7 januari legt het schip aan bij kaap de Goede hoop, daar blijft het vier weken liggen.


In februari wordt de reis naar hervat en na 3 nog eens maanden varen komt Pieter op 8 mei 1770 aan in Rammekens. Na een jaar en 5 maanden is Pieter weer thuis. Of hij ook weer naar zijn gezin gaat is niet duidelijk. In ditzelfde jaar wordt in de Nieuwe haven van Rotterdam het lijk opgevist van een jonge vrouw. In haar zak vinden ze een brief van Catherina van Voorde waaruit blijkt dat de dode vrouw Tanneke van Helleput is. Ze is op 17 december 1770 begraven in Rotterdam en werd slechts 30 jaar. Na 1770 komen we Pieter Visser uit Gorinchem of Werkendam niet meer tegen in de archieven.


Uit het Soldijboek van de Barbara Theodora:  Onderaan staat de Fl.150,= transportbrief die voldaan moet worden aan de logementhouder.


Aantekeningen van schulden uit het Soldijboek.



Credits: Marloes van Adrichem, Archief Zeeland, http://www.gahetna.nl