woensdag 20 november 2019

Hendrik van Adrichem, deel II


Het is alweer een dik jaar geleden dat ik HIER het eerste deel over het leven van mijn overgrootvader Heinrich van Adrichem schreef. 
Het eerste deel schrijven ging me nog wel makkelijk af, het vervolg is een heel ander verhaal. Er is ontzettend veel materiaal over hem die ik uit moest zoeken. En het begrijpen van de context waarin dit alles zich af heeft gespeeld vond ik ook niet altijd makkelijk te begrijpen.

Ik eindige deel één met het huwelijk van Heinrich met zijn geliefde Mina.
Dochter Aleida was op dat moment twee jaar oud. Een jaar na het huwelijk werd mijn opa Frederik  geboren, vernoemd naar zijn oom Frederik (waarvan ik aanneem dat hij als jong volwassene is gestorven, maar zeker weten doe ik het niet want hij is voor mij nog steeds onvindbaar).
Wij noemden onze opa, opa Freek.
Nadat Freek op 21 oktober 1916 werd geboren, volgde er op 8 oktober 1918 zusje Wilhelmina Gertruda, vernoemd naar haar moeder, met als roepnaam Minnie of Mientje.


Het gezin woont aan de Getfertweg nr 14, dit was achter de Teerinkschool die aan de Haaksbergerstraat stond en in de tweede wereldoorlog is verwoest.


In kom Hendrik voor het eerst tegen in de krant in 1919. Bij hem kun je kaartjes kopen voor de vergadering over de Socialistische partij in het parlement.


Het tweede artikel dat ik vind is van een jaar later. Het is maart 1920 en Hendrik is dan secretaris van "den Federatieven Bond van Personeel in Openbaren Dienst, afdeeling Enschede". 
De voorzitter van de bond J. ter Mors en Hendrik in hoedanigheid als secretaris, handelt in opdracht van hun organisatie en verzoeken om raad. Ze willen alle in dienst zijnde gemeentewerklieden een voorschot van 50 gulden verstrekken voor de paasdagen. Vanaf november 1919 heeft het personeel een tekort op het loon gehad en dit zou een gedeelte van dat tekort aan moeten vullen. Blijkbaar is dit hard nodig. 

Er is een tekort aan kleding en schoenen in de meeste gezinnen vanwege het nog altijd te lage loon. Er blijken nog schoenen voorradig te zijn, inmiddels al door de muizen aangevreten, die verstrekt zouden kunnen worden aan de arbeiders die geen schoeisel meer hebben. Mochten de raadsleden niet willen geloven dat de schoenen echt door de muizen worden aangevreten dan verwijzen beide heren naar de Centrale, ingang Zuiderhagen waar de arbeiders van dit bedrijf dit kunnen bevestigen. 

Voor zover ik weet is Hendrik wever geweest. Maar dan ben je dan niet in openbare dienst. Waar werkte hij dan? Wat was die Centrale aan de Zuiderhagen? Op een kaart van 1923 van Enschede met daarop alle openbare gebouwen vind ik alleen de Bad- en Zweminrichting van van Heek en de Elektriciteitscentrale. Deze laatste zou het dan moeten zijn geweest. Wat was zijn functie daar? Ik heb geen flauw idee...

Op 1 mei 1920 verschijnen de namen van J. ter Mors en H. van Adrichem opnieuw in de krant. Blijkbaar is het ze niet gelukt om de loonsherziening voor de gemeentewerklieden los te krijgen bij de raadsleden. Ze dringen er bij de raad ten sterkste op aan meer voortgang te maken met de deze loonsherziening. Ze zijn bang dat gezien het lange wachten op het voorschot van 50 gulden, dit ook zal gebeuren met de loonsherziening. Ze willen graag voor Pinksteren de nieuwe lonen met terugwerkende kracht aan de gemeentewerklieden verstrekken aangezien, het loon op dat moment niet toereikend is om in hun behoeften te voorzien. 

En dan die schoenen. Het is januari 1921, en eindelijk heeft Hendrik het voor elkaar gekregen dat de door de muizen aangevreten schoenen aan de arbeiders verkocht mogen worden. Voor 1,50 gulden kun je bij Hendrik aan de Getfertweg (nu nr 8) een paar schoenen ophalen. 


Hendrik wordt als secretaris of als voorzitter zo vaak genoemd bij verschillende organisatie's dat het me niet altijd meer duidelijk is wat hij allemaal doet. 
Zo is hij in 1920 secretaris van de Federatieven Bond voor Personeel in Openbare Dienst, maar ook voorzitter van het Revolutionar Socialistische Comité Enschede. 
Hij is op 6 april voorzitter van een vergadering over de strijd in het Roergebied. 
Op 1 februari 1921 wordt hij herkozen als secretaris van de P.A.S. (Plaatselijk Arbeiders Secretariaat) in Enschede. (Lees HIER het krantenartikel geschreven door Hendrik) 

Ik vond een motie aan de burgemeesters en wethouders van Enschede van januari 1921. De tekst van het gekopieerde document is moeilijk te lezen maar ik maak er uit op dat de P.A.S. ,met Hendrik als secretaris, een grote openbare vergadering heeft gehouden in "Ons Huis" met als thema de heersende werkeloosheid. In de motie wordt een werkelozen uitkering geëist, gelijk aan het loon, dat men bij het volle werken der fabrieken zou ontvangen. In eerste instantie zou een demonstratie daarop plaatsvinden maar deze werd door de voorzitter afgelast. De grote mensenmenigte die buiten Verengingsgebouw "Ons Huis" stond te wachtten besloten hierop een wandeltocht door de stad te maken en een onderhoud te vragen bij de burgemeesters van Enschede en Lonneker. Ongeveer 300 personen namen aan deze tocht deel. Er werden hierop door de burgemeesters toezeggingen gedaan. Maar de situatie verbeterde niet.

Zalencomplex van de arbeidersbeweging "Ons Huis" 

Op 14 april 1921 verschijnt er wederom een artikel in de krant, dit maal voor een 1 mei viering. Commissieleden van de P.A.S. zouden langs de deuren gegaan zijn om zoveel mogelijk kinderen te laten deelnemen aan het kinderfeest. Het artikel roept op om de kinderen die zich nog niet hebben opgegeven dit alsnog te doen bij een van de leden. Uiteraard staat meneer van Adrichem weer boven aan de lijst. 


Op 9 juni 1921 schrijft Hendrik weer in stukje in "de Tribune", het sociaal democratisch weekblad. Door de P.A.S. van Enschede, Hengelo, Almelo, Zwolle en Deventer is besloten tot een grote provinciale meeting. Op zondag 31 juni zal deze zijn in Almelo. Hij verwacht dat al zijn "kameraden" komen, want "deze meeting moet schitterend zijn". (Het hele artikel lees je HIER). 
In de laatste alinea schrijft Hendrik, in de functie van secretaris "En nu aangepakt vrienden, want het gaat hier tegen de reactie en voor de onafhankelijke vakbonden. Onze gelederen moeten weer aangevuld worden met nieuwe strijders."

 Een week later. De heer H. van Adrichem wordt nu genoemd in de Tubantia. Nu is hij voorzitter van de Landelijke Federatie van Bouwvakarbeiders, afdeling Enschede. 
Snappen jullie het nog? 
In "Ons Huis" werd ditmaal een vergadering gehouden met een spreker uit Amsterdam. (Lees het artikel HIER)

Het is 22 oktober 1921. Hendrik doet opnieuw een oproep in de Tubantia. Ditmaal wil hij met een aantal anderen een comité oprichten tot steun aan de hongerden in Sovjet-Rusland. Hij en de andere drie dringen er met nadruk op aan om deze vergadering op 24 oktober te bezoeken. 
Ik vraag me af of die man ook nog wel eens thuis was...


Op 19 november, nog steeds van hetzelfde jaar, staat er een verslag in de krant van de vergadering die werd gehouden ter herdenking van de sterfdag van F. Domela Nieuwenhuis
De voorzitter van deze avond was opnieuw Hendrik van Adrichem. (Lees HIER)
Op het toneel van "Ons Huis" stond het portret van de overleden veteraan der arbeidsbewegingen in Nederland, F. Domela Nieuwenhuis, gesierd met groen en bloemen. Daarachter de zwarte vlag der anarchie en rode doeken met opschriften als "Dood aan het militairisme". 
Aanwezig was muziekkorps "Excelsior" die de Marche funébre van Chopin (HIER te beluisteren op Youtube) en de "Internationale" speelde. 
Er werd ook gezongen door zangvereniging "Geluk door Vrijheid". Daarna was er nog een spreker uit Groningen. Hij vertelde o.a. over de ontwikkelingsgang van Domela Nieuwenhuis van Christen tot Anarchist en wat voor de arbeiders gedaan heeft en geweest is. Hij spoorde aan de werken van de overledene te lezen en propaganda te maken voor het vrijheidslievende socialisme. Voor de hongerenden in Rusland werd die avond met een collecte f 21,47 opgehaald. 

Op 29 november 1921 staat er in de tribune een ingezonden stuk van Hendrik. 
Het stuk heeft als titel "Stille afsnauwers", en luid als volgt; 
Ondergeteekende las voor eenige weken terug het artikel van C. Postmus in „De Arbeid", die daarin adviseerde, om met de Kerstdagen geen congres te houden van het N. A. S., waar besproken zal worden voor of tegen de R. V. I. 
Ik zond hierop een tegenartikel naar de redactie van de „Vrije Textielarbeider", die het mij terugzond met de mededeeling, dat ik moest polimiseeren met Postmus in „De Arbeid". Aan den eenen kant heeft deze redacteur (H. Huve) hierin gelijk; toch vind ik dit wel wat bekrompen. Ik zond daarop mijn artikel vroegtijdig naar den redacteur van „De Arbeid" in de vaste overtuiging dat het geplaatst zou worden.

Wie schetst evenwel mijn verbazing, dat, toen ik het j.l. nummer in handen kreeg, ik tot de overtuiging kwam, dat de redacteur de dictatorische macht had uitgeoefend, en mijn tegenartikel maar geplaatst had in "De-Arbeids-Prullemand", terwijl in hetzelfde nummer vijf inzenders hun meening zeggen omtrent een te houden congres en de R. V. I.

Waarom dan mijn artikel niet geplaatst is? Welnu, men oordeele zelf. De stille afsnauwers gaan hun gang, aan de dictatorische macht, die de heeren leiders in de Onafhakelijke Vakbeweging uitoefenen (als zulks in hun kraam te pas komt) zal ook wel eens paal en perk gesteld worden. Ondergeteekende heeft te veel vergaderingen in Amsterdam en elders medegemaakt om alles maar zoo zonder meer langs zijn kleeren te laten glijden. Men oordeele echter over mijn artikel en ik verzoek in „De Tribune" de kritiek die er op gegeven kan worden.



WAAR MOET DAT HEEN?


De secretaris van de Landelijke Federatie van Textielarbeiders, C. Postmus, acht het noodig om in „De Arbeid" van 28 Oktober aan de leden van het N.A.S. te adviseeren, om het buitengewone congres van het N.A.S. waar besproken en besloten zal worden voor of tegen aansluiting bij de R.V. I. niet te doen houden. Tegen een dergelijk advies nu meen ik ten sterkste stelling ie moeten nemen. C. Postmus noemt het houden van dit congres geld weggooien.


Ik zou echter aan Postmus wel eens willen vragen: is het laatst gehouden congres van de Federatie van Textielarbeiders dan geen geld weggooien geweest, daar het belangrijkste punt van dit congres n.l. is het verhoogen van het financiëele weerstandsvermogen der Federatie vierkant van de baan geknikkerd is? Zijn Postmus geen congressen en algemeene vergaderingen bekend (behalve congres Arnhem) waar het warmpjes toeging? Thans nu de arbeiders georganiseerd in de Onafhankelijke Vakbeweging zich Internationaal uitspreken op hunne congressen over de aansluiting bij de R.V.I. komt men met hier met een advies om geen congres te houden. Ik meende echter vernomen te hebben, dat nog een zeer belangrijk punt op dit congres ter sprake komt, nl. de gewijzigde beginselverklaring van het N.A.S. Is dit voor de leden van het N.A.S.dan ook niet van groot belang?  Er komen dus niet één maar twee zeer belangrijke punten ter sprake. Het bestuur der afdeling Enschede van bovengenoemde Federatie gaf op hare ledenvergadering hetzelfde advies als Postmus in de Arbeid. Het wist echter niet dat ook de wijziging der beginselverklaring aan de orde zou komen. Postmus zeide persoonlijk tegen mij, vergeten te hebben dit aan de afdeling mede te deelen, hetgeen door mij thans zeer in twijfel wordt getrokken, daar beide adviezen van één en dezelfde gedachte doortrokken waren. Ik heb ook vernomen dat het N.A.S.besluit voorstander is van dit te houden congres, hetgeen naar de organisatorische opvatting ook niet anders kan. Postmus weet even goed als ik, dat het vóór en tegen uitspreken in "de Arbeid" lang niet van zooveel waanzin is als een congres; trouwens het zou ook wel de eerste maal zijn dat het N.A.S. over een zoo belangrijke bespreking geen congres hield.
Ten slotte dit waarde Postmus. Ik stel als lid en secretaris van het P.A.S. evenveel vertouwen in mannen als Kitsz, Bouman en Dissel, voorstanders van de R.V.I, als gij in Lansink Jr., die tegenstander is. De oorzaak van uw artikel ligt alleen in het fanatisme dat in u schuilt. Mannen als C. Postmus zijn bij mij niets anders dan zoekers naar tegenstellingen, die halsstarrig vasthouden aan hun oud bekrompen standpunt, en die toch ten slotte door de werkelijkheid om vergeloopen zullen worden. 

H. v. ADRICHEM, Enschede, 2 Nov. '21.

En dan wordt het ineens stil rond om Hendrik. Het eerste artikel kom ik pas weer tegen in Maart 1928. Het gezin is inmiddels van vooraan aan de Getfertweg verhuisd naar het achterste deel van de straat, naar nummer 229.


Hendrik schrijft een ingezonden brief aan de Tubantia

Geachte Redacteur, 
Beleefd verzoek ik u om opname van het volgende; bij voorbaat mijn oprechten dank. Zoals voor eenige weken in bet blad „Tubantia" is bekend gemaakt, is hier opgericht een Dahlia Vereeniging "Enschede-Lonneker". Alhoewel toen de vereeniging nog niet een vast verband had, kan ik thans mededeelen dat wij vanaf 1 Maart in werking getreden is. Nu bereiken ons van verschillende zijden vragen, wat feitelijk de bedoeling is van deze vereniging. Om nu aan al die vragen te voldoen, mijnheer de redacteur, verzoek ik u beleefd een kleine plaatsruimte in uw blad.  
1. De oprichting heeft ten doel, om al de Dahlia-liefhebbers gelegenheid te geven zich in deze Vereeniging te organiseeren, om zoodoende het kweeken van de Dahlia te bevorderen. 
2. Als adviseur heeft zij benoemd den heer G. Somberg, die tot taak heeft de leden van advies te dienen en in alles dezen behulpzaam te zijn voor het kweeken enz. van de Dahlia. 
3. De vereeniging schaft zich telken jare eenige nieuwe soorten aan, die verder gekweekt worden door den adviseur in diens kweekerij aan den Cromhófsbleekweg. 
4. Ieder jaar wordt er een tentoonstelling gehouden, waar alleen de leden en particulieren mogen inzenden. (Dus geen kweekers, die er hun bestaan in hebben.) Voor de mooiste inzendingen zullen eenige prijzen beschikbaar gesteld worden, 
5. De leden hebben tot taak het kweeken onderling te bevorderen, door onder elkander telken jare één of meer knollen te ruilen. 
Dat deze oprichting wel in goede aarde gevallen is, bewijst wel het bezoek van eenige leden der Twentscbe Tuinbouw Commissie. Wij zeggen langs dezen weg onzen hartelijken dank voor de belangrijke medewerking, die deze heeren ons hebben toegezegd, zoo wij die mochten noodig hebben. De vereeniging telt reeds 30 leden. Moge dit ingezonden stuk zijn nut hebben en vele Dahlia-liefhebbers er toe brengen als lid toe te treden. Het doel van onze vereeniging is iets schoons en het verheft den mensch. Nogmaals, mijnheer de redacteur, beleefd dank voor de verleende plaatsruimte. 

Namens de Dahlia-Vereeniging Enscbede-Lonneker: 
H. VAN ADRICHEM, Secretaris. 
Getfertweg 229

Dat is wel even heel wat anders! Van opkomen voor de zwakkeren in de samenleving naar het kweken van Dahlia's. In augustus verschijnt volgende advertentie in de krant.



Dahlia's kweken is een serieuze bedoening voor Hendrik, zijn tuin staat vol met de grote bloemen. 
En niet alleen de tuin heeft vruchtbare grond. Hendrik's vrouw Mina blijkt ook nog vruchtbaarder dan gedacht. In het voorjaar van 1930 is ze opnieuw zwanger, ze is dan 36 jaar oud. 
Hun oudste dochter Aleida is dan 19, de jongste Mientje 13 jaar oud. 
De kleine Johannes wordt op 16 januari 1931 geboren. Ze noemen hem Hans.

Hendrik en de kleine Hans tussen de Dahlia's



8 september 1930
Te 2 uur Zaterdag-namiddag opende de voorzitter, de heer Van Adrichem de tentoonstelling met een welkom aan de afgevaardigden van zusterverenigingen en bezoekers. Hij bracht dan de droeve gebeurtenis ter sprake, den heer G. Somberg, den adviseur der vereeniging, overkomen; betuigde zijn innige deelneming met het door hem geleden groote verlies en wenschte hem uit aller naam kracht naar kruis. Vervolgens deelde hij mede, hoe de ingezonden bloemen, waarbij extra mooie soorten waren, door de 30 inzenders, allen arbeiders, na hun werktijd voor de tentoonstelling waren gekweekt en dat de inzendingen vergeleken bij die van het vorige jaar 20 pet. waren gestegen. Dank bracht hij aan de heeren Roelofsen en Hiensch voor de extra-inzendingen ter opluistering. De heer Schuttevaer, Rijkslandbouwconsulent, als vertegenwoordiger 'van den Minister, constateerde de aanwezigheid van een schitterende collectie en sprak zijn blijdschap uit over de wijze, waarop hier door amateurs als verpoozing van hun dagelijkschen arbeid, de beste sierplant van den tuin, de dahlia, in velerlei variëteit en kleur werd gekweekt. Hieruit spreekt de liefde voor de bloem, die bereikbaar is voor iedereen. Hij verwachtte het volgende jaar weer wat nieuwe soorten, wenschte de vereeniging geluk met 'haar succes en sprak zijn hoop uit voor het slagen der tentoonstelling. De heer Eveleens, directeur der plantsoenen alhier, sprak namens het gemeentebestuur van Enschede. B. en W. konden wegens andere bezigheden niet aanwezig zijn. Niettemin — aldus spreker — leeft het gemeentebestuur met u mede. Mede door uw streven wordt liefde aangekweekt voor alles, wat groeit en bloeit, welk streven tevens tot gevolg heeft, dat de planten en bloemen langs de openbare wegen meer worden gewaardeerd en niet beschadigd. Hij noemde den opzet van de tentoonstelling uitstekend, die naar hij hoopte veel succes mocht hebben. De heer Dix, voorzitter van de Dahliavereeniging feliciteerde de afdeeling met de welgeslaagde tentoonstelling en wenschte de vereeniging alle succes. Hij verklaarde zich ten zeerst verrast door de kwaliteit der tentoongestelde bloemen, welke in onze tuinen tot laat in den herfst kleur en leven brengen. Hij verwachtte, dat de vereeniging Enschede-Lonneker zal voortgaan met haar streven tot bevordering van de dahliacultuur. De heer Roelofsen stemde volkomen in met de gesproken woorden van lof ten opzichte van de volksbloem bij uitnemendheid en sprak, namens de Tuinbouwvereeniging Twenthe de verwachting uit, dat de heer Van Adrichem met zijn staf het excelsior zullen betrachten. Het slotwoord was aan den voorzitter, den heer Van Adrichem, die dank bracht aan de gemeentebesturen van Enschede en Lonneker en aan de ingezetenen dezer gemeenten, die door het beschikbaarstellen van medailles en kunstvoor­werpen het slagen der tentoonstelling mogelijk maakten. 
Hier volgen de voornaamste toegekende prijzen: zilveren wisselbeker voor bet hoogst aantal punten van de geheele tentoonstelling, de heer G. v, d. Broek; de wisselbeker voor het hoogst aantal punten voor de gemengde groepen, de heer A. J. Vlake. De hoofdprijzen in klasse A, B, C, D, E en F (bloemen in vazen) werden toegekend resp. aan de heeren P. Veen, A. J. Vlake, J. Rensink, G. v. d. Broek, L. ter Horst, en H. van Adrichem. 
Aparte klasse decoratief B. Hüve; idem cactus L. ter Horst; idem pompoenen A. J. Vlake; voor bloemenmanden L. ter Horst en voor bouquetten J. Rensink. 
Eereprijzen werden toegekend: voor de mooiste Koning Albert aan L. ter Horst, voor idem Jhr. v. Zitters aan H. Roordink, voor idem Ambassedor en idem Elinor v. d. Veer aan P. Guit; voor de mooiste Amum Ra 2 eereprijzen aan P. Veen en een eereprijs voor Correct; verder aan H. v. Adrichem een eereprijs voor de Goldene Sonne, Frau Oberbürgermeister Brach en Corry aan A. J. Vlake voor Andreas Hofer; aan Luchtmeijer voor Adler en aan E. Wisselo voor Daga.


Het gezin verhuisde in 1931 van de Getfertstraat 229 naar het pasgebouwde Tuindorp Broekheurne. Mogelijk moest het huis worden gesloopt vanwege de bouw van de brug aan de Getfertsingel.
Ze kwamen te wonen aan de Vlierstraat 47. Het lag wat verder van het centrum van Enschede af, maar het weidse uitzicht over de weilanden moet prachtig zijn geweest. 


Net voordat het gezin verhuisde was er in september nog de inmiddels jaarlijks terugkerende Dahlia tentoonstelling; 
Zaterdagmiddag werd de Tentoonstelling der Dahliavereeniging Enschede—Lonneker in het Café Lippinkhof officieel geopend. De Voorzitter der vereeniging, de heer H. van Adrichem heette de aanwezigen hartelijk welkom. Het speet spreker dat de gemeentebesturen van Enschede en Lonneker niet vertegenwoordigd waren. De Dahliavereeniging mag trotsch zijn op het door haar verkregen resultaat. De openingsrede werd uitgesproken door den assistent-Rijkstuinbouwconsulent, Ingenieur Honing, die zijn bewondering uitsprak over wat deze tentoonstelling te aanschouwen gaf. De heer Kaastra sprak namens de Twentsche Tuinbouwvereeniging, afdeeling van de Kon. Ned. Mij. voor Tuinbouw en Plantkunde. Hierna werd de mooie tentoonstelling in oogenschouw genomen. Ze heeft zich beide dagen in veel bezoek mogen verheugen. 

Uiteraard viel Hendrik zelf ook weer in de punten.  

De tuin aan de Vlierstraat was natuurlijk nog een net opgeleverde zandvlakte. Dahlia's groeiden er in elk geval nog niet. Maar Hendrik zou Hendrik niet zijn als hij niet al snel weer een plekje in een ander bestuur zou krijgen. Nu richtte hij met een aantal anderen een buurtvereniging op in het Tuindorp Broekheurne. 

Café Hammink, Broekheurneweg/Haaksbergerstraat

April 1932
Ditmaal probeerde Hendrik een speeltuin op te zetten voor de kinderen in het Tuindorp. Op 25 juni 1932 werd het verzoek van de buurtvereniging Broekheurne om verbetering van wegen en aanleg van een speelplaats wegens gebrek aan geld afgewezen. Maar de speeltuin is er, al dan niet met behulp van Hendrik, toch gekomen aan de Jasmijnstraat.

In het boek "Verhalen uit Enschede Zuid' las ik de herinneringen van de toen 94 jarige Gerrit Bakker. Deze man heeft bijna heel zijn leven in Tuindorp gewoond en heeft geholpen met het oprichten van een speeltuin. "Om kinderen veilig te kunnen laten spelen, kwam de buurtvereniging met het plan een speeltuin voor hen aan te leggen. De buurt heeft samen een speeltuin kunnen maken voor alle kinderen in Tuindorp. Met veel enthousiasme denkt Gerrit nog vaak terug aan deze mooie tijd. "Wij zorgden zelf voor dat de speeltuin in goede staat bleef zodat de kinderen altijd een veilige plek had om met zijn allen te spelen. Ik zat zelf in de speeltuincommissie en heb twee keer meegeholpen met het bouwen van een nieuwe speeltuin." De speeltuin was overigens niet alleen voor kinderen bedoeld, ook voor ouders was het een uitkomst. "We konden de kinderen gerust een paar uur achterlaten in de speeltuin. Er was altijd wel een ouder of oppasser die een oogje in het zeil hield." 

"De buurtvereniging van Tuindorp vervulde een belangrijke rol binnen de gemeenschap. Deze vereniging wist iedereen te vinden en iedereen was ook welkom. Alle vrijwilligers die zich volledig hadden ingezet voor de buurtvereniging waren woonachtig in Tuindorp, waardoor ze precies wisten wat er speelde in de buurt en waarop ze konden inspelen met activiteiten."

"In de zomermaanden was het altijd druk in Tuindorp en leefde iedereen op straat. Zo werden er verschillende activiteiten georganiseerd door onder andere de buurtvereniging. Samen voetballen in de weilanden tussen de koeien leek de normaalste zaak van de wereld. ... In de wintermaanden keek de buurt vooral uit naar het schaatsen. Als er ijs lag was heel tuindorp wel te vinden op de ijsbaan..... De buurt organiseerde alle activiteiten om samen te doen, dit versterkte de saamhorigheid tussen de bewoners waardoor het alleen maar gezelliger werd in Tuindorp." aldus Gerrit Bakker.

Hans Tietjens die ook in het boek voorkomt beschreef de ijsbaan als volgt; "Een groot weiland werd verdiept en onder water gezet door een houten schot in de naastgelegen beek te plaatsen zodat het beekwater het weiland opliep en daar kon bevriezen. Als het ijs uiteindelijk dik genoeg was, werd de schaatsbaan opengesteld. Een houten schuur diende als kassa. De ijsbaan was behoorlijk groot en midden in stond een rij masten met lampen waardoor er 's avonds ook geschaatst kon worden."
Wat moet dat een geweldige tijd geweest zijn voor mijn opa en zijn zussen. 

"Twentsch dagblad Tubantia en Enschedesche courant". Enschede, 31-08-1932
KINDERFEEST. De Buurtvereeniging Tuindorp en Broekheurnerweg heeft haar eerste jaarlijksche Kinderfeest gehouden. Tegen twee uur kwamen de kinderen op het terrein aan de Vlierstraat bij elkaar met hun versierde fietsen en karretjes, en ging het in optocht den Broekheurnerweg af, begeleid door de muziek van „Kunst aan ’t Volk".

Na den optocht werden de kinderen rijkelijk onthaald op melk en chocolade, terwijl verschillende kinderspelen werden uitgevoerd. Des avonds werd voor de ouders een gezellige bijeenkomst gehouden in ’t café Hammink. Alles bijeen genomen, kan bovengenoemde Buurtvereeniging op een goed geslaagd buurtfeest terugzien.

Hans van Adrichem met zijn versierde karretje tijdens het feest aan de Vlierstraat

SPEELTUINVEREENIGING TUINDORP EN BROEKHEURNERWEG. Een goed geslaagd kinderfeest. Vanwege de Speeltuinvereeniging Tuindorp en Broekheurnerweg had Zaterdag een kinderfeest plaats op de weide aan de Vlierstraat. Dit feest, georganiseerd door een commissie, gekozen door de leden, slaagde in alle opzichten. Na een optocht met versierde wagens, fietsen enz., voorafgegaan door een muziekcorps, ging het naar de weide, welke door ’n eerepoort en vele vlaggen een feestelijk aanzien had gekregen. De voorzitter der feestcommissie hield een toespraak, waarna om 3 uur de kinderspelen begonnen, hardloopen, stoelendans enz. Het spreekt vanzelf, dat er rijkelijk getracteerd werd. Om zes uur werd aan ieder kind een cadeautje uitgereikt en om half zeven begon een gecostumeerde en zeer amusante voetbalwedstrijd. ’s Avonds om half negen had er een fakkeloptocht plaats, welke circa half tien bij café Hammink aan den Broekheurnerweg werd ontbonden. Daar werd het woord gevoerd door den voorzitter der feestcommissie, die dank bracht aan zijn medeleden, aan het muziekcorps en aan allen die hadden medegewerkt. De heer Hammink had voor de leden een feestavond georganiseerd en velen hebben eenige aangename uren doorgebracht.    

Kort na dit feest verschijnen de eerste artikelen op politiek gebied van Hendrik weer in de krant. Dit maal is Hendrik lid geworden van de V.V.S.U. "Vereniging Vrienden van de Sovjet-Unie" 

In de jaren 30 het het westen te kampen met een zware economische depressie met als gevolg grote sociale tegenstellingen en de opkomst van radicale politieke bewegingen. De overheden wisten deze ontwikkelingen geen halt toe te roepen. De belangstelling en sympathie voor de Sovjet-Unie nam in deze periode flink toe omdat dankzij het communisme de Sovjet-Unie immuun leek voor deze kwalen. Ook in Nederland nam de sympathie voor de Sovjet-Unie toe. De V.V.S.U. probeerde deze sovjetsympathisanten samen te brengen. Er leek geen eind te komen aan het succes van de Sovjet-Unie en de V.V.S.U. vroeg zich af of dit model ook toegepast kon worden in Nederland. De Sovjet-Unie was echter niet overal populair en het land raakte in een isolement. De vriendschapsorganisatie's werden opgericht om ze hier van te bevrijden. Hun doel was de steun voor de Sovjet-Unie te bundelen en het anticommunisme te neutraliseren. 
In 1931 werd de V.V.S.U. opgericht en Hendrik zal zich kort hierna aangesloten hebben. De bekende Enschedese communist Gerard van het Reve (vader van de schrijver) was in deze periode secretaris van deze vereniging. Gerard van het Reve, die drie jaar jonger was dan Hendrik, was vanaf zijn 17e al lid van de sociaal democratische partij Twente. 
In 1932 had de V.V.S.U. 7000 leden, In 1933 was dit aantal al gegroeid tot 22.000 leden. De kosten voor een lidmaatschap waren 0.25 cent per jaar. Er werden gezellige avonden georganiseerd waar Sovjetfilms en -muziek werden gedraaid. Lezingen werden er gehouden. Ze gaven een eigen tijdschrift uit; "Feiten uit de Sovjet-Unie" genaamd (later Rusland van heden). Ook werden er reizen naar de Sovjet-Unie georganiseerd. 

Op 5 november 1932 vertrok Hendrik naar de Sovjet-Unie om de omstandigheden daar te bekijken. Een arbeidersdelegatie van vier personen uit Enschede werd gekozen om met een groep van circa 270 personen deze enorme reis per trein te ondernemen. De reis ging via Berlijn, waar op het moment van aankomst een enorme verkeersstaking aan de gang was. Hier zagen ze met eigen ogen de armoede en ellende waar Duitsland op dat moment in verkeerde. 
Via Polen, Letland en Litouwen kwam het gezelschap aan bij de Russische grens waar ze  verwelkomd door kinderen die de "Internationale" voor ze zongen. 
Het gezelschap reisde hierna door naar Moskou. De volgende dag waren ze aanwezig bij de 15e gedenkdag van de Oktoberrevolutie op het Rode plein. Vanaf de tribune zagen ze een demonstratie groter dan ze zich ooit hadden kunnen bedenken. Ze zagen hoe de soldaten van het Rode leger (850.000 man), de militie en de arbeiders uit de fabrieken als één, gewapend, defileerden in eindeloze rijen van 140 man over het rode plein. Deze parade duurde maar liefst vier uur. 

defilé rode plein
Ze bezochten Autofabriek "Stalin", waar ze twee dagen lang het bedrijf leerde kennen en textielfabriek "de Roode Roos". Ook bezochten ze in het Donetz-gebied (nu in de Oekraïne) de hoogoven-bedrijven in Makiefka en een machinefabriek in Gorlovka. 

Dnjepostroi Stuwdam
Indrukwekkend waren de enorm imposante stuwdam Dnjepostroi met zijn electriciteitscentrale. Ze bezochten in Charkov de tractoren-fabriek en de arbeiderswoningen die in deze plaats werden gebouwd voor de arbeiders uit de fabrieken. Volgens de delegatie waren de huizen niet zo goed als in Nederland, maar was het toch een enorme verbetering. Ook bezochten ze een commune voor verwaarloosde kinderen en een plek waar veel politieke gevangenen werkten. 
Ze konden overal spreken met de arbeiders en werden uitgenodigd tot gemeenschappelijke maaltijden. 

(Lees de reisverslagen van Hendrik en zijn delegatie HIER, HIER, HIER en HIER)


In een tijd waarin er nog niet op vakantie werd gegaan moet deze reis een enorme indruk hebben gemaakt op de delegatie. Hendrik vertelde dan ook vaak op bijeenkomsten en vergaderingen in heel het land over zijn reis naar Rusland en wat hij er allemaal gezien had. 



"De tribune"; 10-03-1933 UIT DE V.V.S.U.
ARNHEM. — A.s. Maandag 13 Maart spreekt kameraad van Adrichem uit Lonneker over zijn verblijf in de Sowjet-Unie. Vooraf is een demonstratie-optocht, die om half-acht op het Johannaplein wordt opgesteld.


Hendrik was er maar druk mee. Er werden lange dagen gemaakt op de fabriek. Al gebeurde er ook wel eens iets waardoor het stil kwam te liggen, helaas met financiële gevolgen. Zo was er op 27 december 1933 een ontploffing in de fabriek van Wisselink Textiel aan de Bleekweg waar Hendrik en zoon Freek werkten. Toen men in de transformatorruimte de transformator in wilde schakelen ontstond er kortsluiting waardoor de oliedampen die zich ontwikkeld hadden vlam vatten. Hierdoor ontstond een hevige explosie. Deuren sprongen open en er werd een gat in het dak geslagen. Een arbeider raakte gewond. De schade was zo aanzienlijk dat het werk weken moest worden stop gezet, waardoor Hendrik en Freek niet konden werken en dus ook geen loon kregen.

Staand v.l.n.r. Jan Janssen, Aleida Janssen-van Adrichem, Freek van Adrichem
Zittend v.l.n.r. Wilhelmina van Adrichem-Hekke, Johannes van Adrichem, Heinrich van Adrichem

Op 27 augustus 1933 werd op een terrein aan de Tolhuislaan bij Den Dolder een landdag gehouden van de V.V.S.U. die door 800 personen werd bezocht. De afdelingen uit Amsterdam, Rotterdam, Arnhem, Enschede en Hilversum waren onder andere aanwezig. Er waren muziekkorpsen uit Arnhem en Enschede en er werd grammofoonmuziek door versterkers uitgezonden. Na een rondgang op het terrein waarbij de stoet is gefilmd nam de voorzitter L. van den Horst het woord.  Er spraken enkele afgevaardigden waaronder Hendrik van Adrichem. Hendrik die op dat moment lid was van het N.A.S. verheerlijkte de Sovjet-Unie en bestreed de leugens over Rusland van de S.D.A.P. en spoorde aan zich te scharen onder de vlag van de sikkel en den hamer. Het opvoeren van een tweetal toneelstukjes werd door de burgemeester geweigerd. Dit is alles werd keurig opgetekend door een geheim agent en in een document aan de centrale inlichtingen dienst te 's Gravenhage. "Geheim" staat er groot op de voorpagina.


"de Tribune" 28-8-1933 
De Landdag van de V.V.S.U.
"Beter hadden wij het niet kunnen treffen. Het weer, dat zich in het begin van de vorige week slecht het aanzien, heeft zich zoo hersteld, dat de laatste dagen voor den landdag men gerust kan zeggen, dat er gedurende den geheelen zomer niet zulke fraaie dagen waren als Zaterdag en Zondag.
Velen waren daarom al Zaterdag naar den Dolder getrokken om dezen landdag mede te maken. Op het prachtige terrein waren talrijke ruime tenten opgeslagen, waarin de deelnemers op aangenamen wijze kónden kampeeren. De groote stroom bezoekers kwam natuurlijk eerst Zondag. En toen zich op het terrein de deelnemers in een stoet opstelden om op het witte doek vereeuwigd te worden, waren er zeker twee duizend betoogers aanwezig.
Om ruim elf uur opende kameraad v.d. Horst de landdag. Hij zette kort uiteen, wat het doel was van deze landdag n.l. om op de regeering druk uit te oefenen om de Sovjet-Unie te erkennen. Hij deelde onder luide protesten mede, dat B. en W. van Zeist geweigerd hebben om de opvoering van agitprop scènes toe te staan. Een voor een dergelijk dorp ongekende politiemacht (wij zagen de zonderlingste autoriteiten, die voor ons stadsmenschen, totaal onbekend zijn) was op de been om de orde te bewaren en om toe te zien, dat aan de bevelen van B. en W. werd voldaan. 
Na v.d. Horst hield een jeugdkameraad een rede waarin hij opwekte tot deelname aan het a.s. wereldjeugdcongres te Parijs. Onder enorme geestdrift nam een vertegenwoordiger van het S.J.V. het woord, hij gaf een korte uiteenzetting van het ontstaan van dit verbond.......
..... In plaats van Langendijk die verhinderd was schetste kameraad van Adrichem uit Enschede die vroeger als arbeidersdelegeerde een reis naar de Sovjet-Unie had gemaakt de politieke beteekenis van de Sovjet-Unie voor de geheele wereld..... 
......Vooral de jeugd heeft aan deze landdag in versterkte mate deelgenomen. Dat door de goede werken van de afdeling Enschede vooral ook katholieke arbeiders in den strijd voor erkenning van de Sovjet-Unie zijn betrokken stemt tot grote tevredenheid......"

 Lees het volledige artikel HIER en meer artikelen over deze dag HIER

Plattegrond van het terrein
Het kamp werd op zaterdags om vier uur in de middag geopend. De volgende ochtend om 11 uur zou de dag beginnen. De toegangsprijs was f 0,25 cent per persoon. De kosten van het kamperen bedroegen f 1,- per persoon, inclusief vier broodmaaltijden, zonder broodmaaltijden f 0,50. Het kamperen met eigen tent en verzorging koste f 0,35. In deze prijzen zat de toegangsprijs voor de landdag inbegrepen. Vanuit verschillende plaatsen werden fietstochten georganiseerd om samen naar het terrein af te reizen. 
De reizen per spoor werden per gezelschap gemaakt, waarvoor men zich van te voren op moest geven. Hendrik zal waarschijnlijk op deze manier naar het terrein zijn afgereisd. Van te voren werd aan gekondigd dat er op deze dag gefilmd zou worden. 

Op de site van de beeldbank van het Amsterdams archief zijn enkele foto's te vinden van de Landdag van 1936 in Amersfoort. 
Weet iemand waar ik de gefilmde beelden van de Landdag van 1933 in Den Dolder kan vinden, dan hoor ik dat graag! 


In 1933 werd Hendrik secretaris van de V.V.S.U. afdeling Enschede. Lidmaatschap van de V.V.S.U. kon grote maatschappelijke gevolgen hebben en het was voor ambtenaren verboden om lid te worden van de partij. Veel al schreven de leden dan ook anoniem over onder een synoniem. Zo schreef de eerder genoemde Gerard van het Reve vaak onder de naam Vanter. Ik las eerder zijn boek "Mijn rode jaren. Herinneringen van een ex-bolsjewiek" in de hoop meer aanwijzingen te weten te komen over het socialistische milieu in Enschede waarin Hendrik zich bevond. Ik heb me vaak afgevraagd of Hendrik en Gerard van het Reve elkaar hebben gekend voordat Gerard naar Amsterdam vertrok. Ze hadden de zelfde leeftijd, woonden beiden in Enschede, waren beiden secretaris van de V.V.S.U. en spraken vaak in het openbaar over hun idealen. 
Het bewijs dat ze elkaar, wellicht niet heel goed, kenden vond ik in het volgende kranten artikel uit de Tubantia van April 1933. 


Gerard van het Reve Sr.
Op http://resources.huygens.knaw.nl/ staan rapporten van de Centrale Inlichtingen Dienst (C.I.D.) waaruit blijkt dat zowel Gerard als Hendrik in het hoofdbestuur van de V.V.S.U. zaten. Gerard was de politiek secretaris in Amsterdam, Hendrik was de secretaris in Enschede. Ook waren beiden aanwezig op de landdag van de V.V.S.U. in Den Dolder in 1933.

oktober 1933
Vanaf oktober 1933 lees je in de artikelen meer en meer over het fascisme dat steeds meer in opkomst is. Ook Hendrik krijgt er mee te maken (lees HIER). Zoals ik al eerder aangaf, kon lidmaatschap van de V.V.S.U. grote maatschappelijke gevolgen.


"De Tribune" 10-1-1934

Een fascistische textielfabrikant. 
En een laffe aanval van een Federatie-bestuurder

De textielfabrikant te Enschede heeft aan de leden van de Federatie van Textielarbeiders in zijn bedrijf werkzaam, laten weten, „dat zij voor de Federatie moesten bedanken, anders werden zij ontslagen". Naar men ons mededeelde was één en ander een gevolg van een kloppartij die op een provocatie van de fascisten heeft plaats gehad. Naar men ons echter verzekerde heeft!; niemand van de kameraden, werkzaam bij Wisselink, ook maar iets met die kloppartij te maken. Dat doet voor Wisselink echter niets ter zake, hij is fascist en zijn wil is wet. Het behoeft natuurlijk geen betoog, dat wij onvoorwaardelijk aan de kant van de kameraden van de Federatie staan en te allen tijde bereid zijn om hen te helpen den strijd in dit bedrijf tegen het fascistisch optreden van deze bloedhond te organiseeren. 
Wat wij minder fair vinden, is dat de Federatieleider Pieperiet, zijn aanvallen niet richt op den fascist Wisselink, doch op kameraad Van Adrichem, van wien hij zegt, dat deze de schuld van een en ander is. Wij zijn zoo langzamerhand gewoon geraakt aan de lasterlijke politiek van d.e N.A.S.-leiders, maar dit keer gaat het toch wel wat ver. Wij kennen kameraad van Adrichem als een eerlijk rondborstig partijloos arbeider, die veler sympathie heeft. Wij dagen de Federatiebestuurder Pieperiet uit, om zijn beschuldiging aan het adres van kameraad van Adrichem waar te maken. Doet hij dit niet, dan stellen wij vast, dat hij een intrigant en lasteraar is!

Naar wij nader vernemen, hebben de arbeiders voor de Federatie bedankt! Zoo gaat het, als men in plaats van de strijd in het bedrijf te organiseeren, de aandacht van dit noodzakelijke werk afleidt, door lasterpraatjes tegen anderen!   

De kloppartij waarbij het hier over gaat is volgens mij het volgende; 

Ik heb geen idee wat Hendrik er mee te maken heeft gehad en ook kan ik de beschuldiging van Pieteriet aan het adres van mijn overgrootvader niet terug vinden. Wel weet ik dat het daarna in de kranten heel erg stil wordt rondom Hendrik.



De druk op Hendrik is zo opgevoerd door zijn werkgever dat hij zich gedwongen voelde om met zijn bezigheden te stoppen.
Niet alleen hij werkte bij Wisselink Textiel, ook zijn zoon Freek had daar inmiddels een baantje gevonden. Communisten en andere oproerkraaiers werden uit de textielfabrieken geweerd. Er bestond een zogenaamde zwarte lijst waar op alle lastige inwoners van de Enschedese bevolking stonden. Wie op die lijst stond kon nergens meer werk vinden. En twee inkomens konden ze in deze zware tijd niet missen.
In 1932 werden al een dertigtal communisten uit de textielarbeidersbond gezet en in 1934 met Hendrik nog enkelen uit Enschede. Daarna werd er niet meer tegen communisten opgetreden simpelweg omdat er nu geen communisten meer in de textielarbeidersbond zaten.

Hendrik en zijn gezin verhuisden van de Vlierstraat naar een nieuwe woning aan de Goudenregenstraat in Enschede. Waar Hendrik in zijn vrije tijd weer vol op Dahlia's kweekte.

Hendrik tussen zijn Dahlia's
In de eerder genoemde rapporten van de C.I.D. (zie HIER) blijkt dat Hendrik al gedurende lange tijd in de gaten werd gehouden. Al vanaf 1924 komt Hendrik voor op een geheim rapport. Hierin staat een naamlijst van "Nederlandse revolutionairen". In de rapport wordt verzocht om zoveel mogelijk gegevens en foto's van de personen op de lijst te verzamelen. Eveneens als verhuizingen en veranderingen in bestuursfunctie's. Ook Hendrik staat op deze lijst. 


Ook op de lijsten van 1930, 1935 en 1939 wordt hij genoemd



Al ruim voor de oorlog laat Baron Van der Feltz al een lijst met links extremisten opstellen zonder dat er sprake is van een wetsovertreding of veroordeling. Ze werden alleen op grond van hun gedachtengoed gekwalificeerd als misdadigers. Tussen 1925 en 1934 was Hendrik Alexander Seyffardt chef van de Centrale Inlichtingendienst. Seyffardt was een fervent aanhanger van Hitler en werd in 1937 lid van de NSB. Hij was een fervente communistenhater en ging verder met de aanleg van lijsten waarop links-extremistisch geachte personen vermeld stonden. Hoewel de CID deze lijsten na de Duitse inval in Nederland had moeten vernietigen, bleef die van 1939 bewaard. Er stonden ruim 6400 personen op waaronder de helft communisten. Het was een uiterst handig hulpmiddel voor de nazi’s bij het oppakken diegene die door de CID als staatsgevaarlijk werden bestempeld. Medewerkers van de geheime dienst gaven de namen door van te vermoorden communisten door aan de nazi-Sicherheitsdienst.

Ook Hendrik was volgens de lijst staatsgevaarlijk, toch is mij niets bekend over de eventuele gevolgen daarvan. Naar mijn weten is hij in de tweede wereldoorlog nooit verhoord of heeft hij vast gezeten zoals velen op de lijst wel is overkomen. Ongeveer 2000 communisten kwamen in de oorlog om het leven. Duitse communisten werden al vanaf 1933 vervolgd en in concentratiekampen gestopt. Hoe kon het dat Hendrik er zo mee is weggekomen? Is hij net op tijd, al dan niet gedwongen, uit de federatie gestapt? Heeft het geholpen dat hij in Duitsland is geboren en zijn vrouw half Duitse was? Ik heb werkelijk geen flauw idee. 

Op 4 december 1943 vind ik nog een advertentie in de krant. Hendrik verkoopt zijn fototoestel. 


Op 10 oktober 1943 werd Enschede opgeschrikt door een vergissingsbombardement. De wijken Zwik, Pathmos en Hogeland werden zwaar getroffen. Heinrich's jongste dochter die op dat moment zwanger was woonde op het Pathmos en verloor alles wat ze op dat moment hadden, op één ding na, de wandklok. Die hing nog steeds aan de muur. 
Bij gebrek aan woningen trok het jonge gezin bij Hendrik in zijn vrouw in. Verkochten ze daarom het fototoestel? Tweeëntwintig gulden lijkt me toch een behoorlijke som geld. 
Het kindje werd een aantal maanden erna gezond geboren en woont nog steeds op dat adres. De oudste dochter Aleida woonde in het huis ernaast en zelfs mijn opa en oma woonden na de oorlog vanwege de woningnood een tijdje bij zijn ouders in. Mijn oom en misschien zelfs wel mijn vader zijn er geboren. 

Hendrik en Mina in de keuken aan de Goudenregenstraat
De oorlog was amper twee maanden afgelopen en nu Hendrik de hete adem van de fascisten niet meer in zijn nek voelt duikt Hendrik meteen weer op in de krant. Er werd weer een nieuwe vereniging opgericht, ditmaal de "Vrienden van de Waarheid". En Heinrich werd opnieuw tot voorzitter gekozen.


In 1947 verschijnt dit bericht in de Tubantia. Hendrik is dan 58 jaar oud.


Daarna heb ik in de online kranten op Delpher niets meer over hem gevonden. 

Hij werd nog wel genoemd in het boek "De vrees voor wat niet kwam" door G.C.J. Kuys.
Het stuk luidt als volgt;  "Het hoogtepunt van alle op Rusland gerichte activiteit waren natuurlijk de reizen naar Rusland die de VVSU regelmatig organiseerde. Een groep arbeiders, waaronder de Enschedese wever Hendrik van Adrichem en de touwbaas Gerhard Bruggert, was al in 1932 in Rusland gaan kijken in de textielfabriek de Rode Roos. De wevers hadden het niet veel bijzonders gevonden. Zij stelden er vast dat de lonen er nogal aan de lage kant waren en er nog op vrij achterlijke manier werd gewerkt. Toen de Russen hen verzekerden, 'dat er spoedig een groote loonsverhooging over de gansche linie zou koomen" waren zij echter volledig tevredengesteld. " 

Hendrik en Jan

Heel veel meer over de rest van hendrik's leven kan ik niet vertellen. Hendrik en Mina kregen 10 kleinkinderen. Vooral met oudste kleinzoon Jan, die naast ze woonden en die maar een paar jaar jonger was dan Hendrik's zoon Hans bracht hij veel tijd door. 

Hans en Jan
Hendrik bleef bezig in zijn tuin, vierde regelmatig een feestje, zijn trouwdag, ging dagjes weg naar Hilversum of naar het Buursermeertje met zijn familie. 


Hoe de Hendrik als vader is geweest weet ik niet. Ik kan het mijn opa niet meer vragen. Hendrik komt op mij over als een strenge man. Freek en Hendrik kregen uiteindelijk ruzie en spraken elkaar niet meer. Mijn vader kon me dan ook weinig over zijn opa vertellen.

Hendrik en Mina in hun tuin
Na bijna 50 jaar huwelijk werd Hendrik op 14 augustus 1964, de verjaardag van zijn vader, doodziek zijn huis uitgedragen op weg naar de ambulance. De laatste woorden van Mina aan haar man waren "Dag, Hennek". Hij overleed nog diezelfde dag in het ziekenhuis in Enschede. 

Hendrik wilde net zoals F. Domela Nieuwenhuis gecremeerd worden, net zoals de meeste socialisten. 
Omdat cremeren in die tijd al wel was gelegaliseerd maar nog niet gelijkgesteld was aan begraven, waren er op dat moment nog maar twee crematoria in Nederland. 
Hendrik moest voor zijn laatste reis helemaal naar Dieren voor worden gebracht. 

Zoals ook zijn leven was geweest, ging ook zijn crematie niet zonder slag of stoot. 
Pas in 1968 werd cremeren gelijkgesteld aan begraven, waardoor voor Hendrik een tweede lijkschouwing (om zeker te zijn dat er geen sporen van een misdrijf werden gewist) en een codicil nodig. Ondanks dat ze al jaren geen contact meer hadden moest ook mijn opa moest hiervoor tekenen. En kon eindelijk Hendrik's laatste wens in vervulling gaan.

Nadat Hendrik en Mina's oudste dochter Aleida op 16 april 1966 op 54 jarige leeftijd overleed hoefde het leven voor Mina ook niet meer. Ze overleed één dag na haar 72e verjaardag, op 28 mei 1966. Ook zij werd gecremeerd in Dieren.

woensdag 2 oktober 2019

Johannes van Adrichem; Medaille de Sainte-Hélène

Onlangs kreeg ik van een medewerkster van het Rijksmuseum te Amsterdam een mailtje met de vraag of ik meer wist over ene mevrouw A.N. van Adrichem uit Zutphen. 
Deze dame schonk in 1938 een medaille aan het Rijksmuseum en de medewerkster deed onderzoek naar deze medaille en kwam via deze site bij mij terecht. 

Het gaat om de Medaille de Sainte-Hélène, uitgereikt in 1858 aan Johannes van Adrichem (1793-1863) wegens zijn verdiensten in het Franse leger. 
Ze probeerde er achter te komen wat de relatie van deze mevrouw van Adrichem met Johannes van Adrichem is geweest. 




Natuurlijk was ik dolenthousiast na dit mailtje, want ik wist niet van het bestaan van deze medaille. 
Ik ben uiteraard meteen aan het zoeken gegaan en zoals ik direct al vermoedde is de medaille een schenking geweest van Anna Wilhelmina van Adrichem (A.W. niet A.N.). 
Over haar en haar zus schreef ik HIER al eerder. 
Ze was de jongste dochter van Aart van Adrichem. Hij was het enige kind dat Johannes van Adrichem met zijn tweede vrouw Catharina van Haarlem kreeg. Zijn verhaal vind je HIER

Anna Wilhelmina was hulp in de huishouding en (huis)naaister, geboren te Amsterdam. Ze heeft verschillende woonplaatsen gehad maar is uiteindelijk in 1964 in Zutphen overleden. 
Ze woonde volgens de telefoongids van Zutphen in 1938 aan de Coehoornsingel wat exact klopt met de gegevens die het Rijksmuseum ook had. 
Zowel Anna Wilhelmina als haar oudere zus Catharina Antje zijn kinderloos gebleven en dat is waarschijnlijk ook de reden dat de medaille en de toebehoren in 1938 geschonken zijn aan het Rijksmuseum. Anna Wilhelmina was toen 62 jaar.  
Kennelijk was er toen geen contact met haar neef Johannes van Adrichem (Enschede) of haar nicht Gerhardina van Adrichem (Groningen).
Zij waren op dat moment de enige twee nog levende directe familieleden. 

De medaille die Johannes van Adrichem in 1858 kreeg is aan hem uitgereikt door de 'Grande Chancellerie de l'ordre Impérial de la Légion'. (De kanselier van het Legioen van Eer) 
De medaille zit in het bijbehorende doosje en er horen drie documenten bij die op naam staan van Johannes waarin staat dat hij gemachtigd is om deze medaille te dragen. 

Uiteraard heb ik meteen gevraagd of ik de medaille kon komen bekijken maar helaas bevindt deze zich in het depot en staat er voor komend jaar een grote depotverhuizing op staat waardoor alles in verhuisdozen zit en niet te zien zijn. Dat is best balen.... het lijkt me erg bijzonder om iets te zien wat 165 jaar geleden van je voorouder is geweest.


In 1858 kreeg Johannes, hij was toen 61 jaar, de Sint Helena medaille uitgereikt. 44 Jaar nadat hij in het leger van Napoleon vocht. Deze oude veteranen werden "Grognards" (oude mopperaars) genoemd. Ze mopperden blijkbaar nogal veel op Napoleon, maar waren hem wel trouw.

Maar liefst 405.000 medailles werden er uitgereikt aan de nog levende veteranen die tussen 1795 en 1815 voor napoleon hebben gevochten. Er was wel haast bij vanwege de hoge leeftijd van de veteranen.
Deze medaille ging vergezeld van een genummerde en op naam gestelde oorkonde met in het midden een tekening van de medaille. 

De rang en de eenheid waar hij in gediend heeft staan ook op de oorkonde vermeld. De oorkonde is ondertekend door de Kanselier van de Keizerlijke orde van het Legioen van Eer. 


De medaille werd gepresenteerd in een kartonnen doos. 
De medaille zelf is brons, omgeven door een dikke lauwerkrans met daarboven een keizerlijke kroon en opgehangen aan een groen lint met vijf rode strepen. In Nederland werd de medaille trouwens niet gedragen, de Franse tijd was voor de Nederlanders een tijd van bezetting en tirannie. 


Op de site stehelene.org vind je 206 foto's van veteranen uit Napoleon's "Grande Armee". 
Onder hen is ook de Nederlander Gerrit Adriaans Boomgaard. Hij was de eerste Nederlander die internationaal als oudste mens ter wereld erkend werd en naar alle waarschijnlijkheid was Boomgaard de laatst overlevende veteraan uit de Napoleontische tijd. Hij overleed in 1899 en werd 110 jaar oud.


Ik vind de foto's prachtig. Allemaal oude, verweerde maar trotse en statige mannen. 
Er zitten ook een paar mannen bij waarvan onbekend zijn wie ze zijn, ik mag graag fantaseren dat Johannes er ook bij zit... 

Wie weet is dit 'm wel ;-) 

Grappig detail is dat Johannes op 8 januari 1814 nadat hij uit Russische krijgsgevangenschap kwam, door het Franse leger vanwege een gewond linkerbeen werd ontslagen, weer naar Nederland vertrok en daar in Nederlandse dienst ging. 
Op 18 juni 1815 vocht Johannes, ditmaal tégen Napoleon tijdens de slag van Waterloo en bracht hem met de 3e divisie waar hij bij dienden, onder leiding van Chassé, de genade slag toe waardoor Napoleon de slag bij Waterloo verloor.  
Als Napoleon dat had geweten, had hij hem vast die medaille niet gedaan!


dinsdag 2 juli 2019

Y-DNA test; Op zoek naar de onbekende voorouder


In navolging van de autosomaal DNA test die ik en mijn vader vorig jaar hebben gedaan, heb ik mijn vader het afgelopen jaar ook laten testen op zijn Y-DNA. Om de ontbrekende vader aan de kant van de van Adrichem's te vinden kan alleen een mannelijk van Adrichem zich laten testen. Het Y-DNA wordt namelijk alleen doorgegeven van vader op zoon. Mijn broer heeft het dus wel, maar ik niet. Vrouwen geven mitochondriaal DNA door aan hun dochters en weer niet aan hun zonen.

Om er achter te komen wie nou de onbekende vader van Johannes van Adrichem is moest ik mijn broer of mijn vader laten testen. Het stond al een tijdje op mijn wensen lijstje om mijn vader hier op te laten testen, maar deze testen zijn erg duur. Op Black Friday was er 50% korting op de test en heb ik toch maar mijn slag geslagen. Na enkele weken kwam eindelijk de uitslag. Omdat ik nogal nieuw ben op het gebied van DNA onderzoek snap ik er vrij weinig van. Het enige wat mij wel opviel is dat van de 16 DNA matches die mijn vader heeft er 15 uit Schotland komen en 11 daarvan hebben de achternaam Munro.

Ik ben gaan zoeken naar de achternaam Munro in Rotterdam en dat bleken er niet veel te zijn. Er is eigenlijk maar één man die in aanmerking komt als de onbekende vader. Maar het mooie is dat deze man in zijn tijd een bekende Rotterdammer was, en daardoor heb ik vrij veel over hem kunnen vinden.
Bord van Andrew Munro met familiewapen, vervaardigd in China
Andrew Munro is de naam van deze man. Andrew (of Andries op z'n Nederlands) werd geboren op 11 november 1762 in Breda als vierde kind van de Schotse soldaat Donald Munro en Florence Ross. Jannet was het oudste kind, geboren in 1751 in Engeland. Alexander was het tweede kind, hij zag in Doornik, België het levenslicht in 1754. Hierna volgde in 1757 Margaretha, zij werd geboren in Nijmegen.
Vader Donald had een broer, ook Andrew genaamd die kolonel was van de brigade waarin Donald diende.
Vader Donald en moeder Florance moeten op jonge leeftijd zijn overleden want Andrew werd op 3 oktober 1773, hij was toen 11 jaar, door de Schotse gemeente bij het gereformeerd Burgerweeshuis aan de Goudsche Wagenstraat te Rotterdam ter opname aangeboden. Zijn broer en zussen waren op dat moment al volwassen, maar konden waarschijnlijk niet in het levensonderhoud van het jongere broertje voorzien.
Zover ik heb kunnen vinden waren de omstandigheden is het weeshuis goed. (op de site van Engelfriet staat een mooie beschrijving van het weeshuis)
Ingang van het Burgerweeshuis
Goudsche Wagenstraat met link de lange gevel van het weeshuis
Andrew blonk al gauw in alles uit. Hij volgde onderwijs aan Mathematisch College en de tekenschool. Hij zou tot aan zijn trouwen in het weeshuis blijven wonen. In 1792 behaalde Munro zijn landmetersadmissie. In 1793 volgde hij zijn leermeester op als fabrieks-landmeter van het Hoogheemraadschap Schieland. Andrew gaf ook nog, uit eigen beweging, gratis lessen aan het Mathematisch college van 1795 tot 1797 om het in verval geraakte college te behouden voor zijn ondergang, wat overigens niet is gelukt. Een van zijn taken als fabriekslandmeter was het maken van een nieuwe plattegrond van Rotterdam. Deze verscheen in 1800 en werd geprezen door de grote nauwkeurigheid waar deze mee was gemaakt.

Deel van de in 1800 uitgebrachte kaart van A. Munro
De vrouw waarmee Andrew in 1787 trouwde was de uit Rotterdam afkomstige Dorothea Eckhardt. Het stel kreeg samen zes kinderen, waarvan er drie meteen na de geboorte stierven. Andrew was goed in wat hij deed en op 27 september 1802 werd Andrew benoemd tot Stadsbouwmeester van Rotterdam, hij was toen 40 jaar oud. Zijn carriere ging voor de wind. Andrew ontwierp de (toen) nieuwe Zeevischmarkt, hij vernieuwde de Korenbeurs en verbouwde de Stads-doele tot gerechtsgebouw. 

Het gerechtsgebouw
Ook zorgde hij voor het rapport voor de restauratie van de St. Laurenstoren. Hij was toen al wat op leeftijd en kon dat werk niet meer eigen ogen opnemen en niet meer zo goed advies geven.

St. Laurenskerk
Op 27 juni 1821 besloten de burgemeester en de fabrieksmeesters hem "om de langdurige diensten door hem aan de stad bewezen, de verzwakking van zijn gezigt en de tevens vermeerdere werkzaamheden, die de meenigvuldigen bestedingen van notable reparatiën en vernieuwingen van stadsgebouwen thands vorderen" toe te staan hulp te nemen voor schrijf- en tekenwerk. Andrew's werk was sinds 1802 een stuk zwaarder geworden. Het voormalige dorp Cool werd bij Rotterdam getrokken, de havens moesten worden uitgediept. Ook was hij als opzichter van Feyenoord aangesteld (het gebied, niet de voetbalclub) 😉

de door Munro ontworpen Beursbrug
In 1827 was Andrew op. Op 26 April verleende de raad hem eervol ontslag op met een pensioen van 2000 gulden met vrije woning in een stadshuisje aan de Overschiesche Straatweg, waar hij als opziener van Feyenoord gehandhaafd bleef.
Op 27 juni 1827 woonde Andrew de laatste vergadering van de commissie van fabricage bij. De hele commissie was gekomen om na bijna 25 jaar trouwe dienst afscheid te nemen van de bouwmeester.   Ook van de titel Bouwmeester werd in 1827 afgedaan, voortaan heette de chef de fabricage, "stadsarchitect".
Sociëteit Amicitia. Gebouwd in 1804 naar ontwerp van Andrew Munro

Andrew's gezondheid ging daarna achteruit. Op 11 november 1833 gaf David Dunlop, lid van de Kerkeraad van de Schotse kerk te Rotterdam, namens zijn zieke vriend Andrew Munro een schenking als aandenken aan deze Schotse gemeente. Het geschenk bestond uit een door Munro zelf ontworpen zilveren doopbekken met deksel. Op het doopbekken is gegraveerd; "In testimony of gratitude and respect, this Baptismal-basin is presented tot the Scottish National Church of Rotterdam, by Andrew Munro, Architect of this City, from 1802 to 1827".
De enige foto die ik van de doopvont kon vinden
Op het doopvont staat ook het wapen van de familie Munro met op de deksel de tekst "Dread God" en op een om het wapen geslingerd lint "The Arms of the Ancient Family of Munro of Fowlis" te lezen staat.
Het wapenschild van de Munro Clan met op de achtergrond de ruit behorende bij de familie
Bij het bombardement van |Rotterdam in 1940 werd het gebouw van de Schotse kerk verwoest. De zilveren doopvont hebben ze wel kunnen reden en schijnt nog steeds gebruikt te worden.

Anderhalf jaar na deze schenking stierf Andrew op 4 juli 1835 in Rotterdam aan een slijmberoerte.



Zijn vrouw Dorothea was al gestorven in 1816. En ook zijn jongste dochter Maria stierf had hij al begraven in 1832, op 31 jarige leeftijd. Andrew overleefde ook zijn zoon Andrew Jr, die niet alleen dezelfde naam droeg, maar ook het zelfde beroep had als zijn vader. Hij stierf in 1834, slecht 34 jaar oud.

Andrew liet niet alleen prachtige landkaarten en gebouwen na, maar misschien ook wel een stukje DNA in mij. 
Want hoe past mijn oud grootmoeder Anna van Adrichem, de ongehuwde moeder van Johannes in dit plaatje? 
Ik zal er waarschijnlijk nooit achter komen hoe dit precies zit, en ook is het echt niet zeker dat Andrew Munro de biologische vader is van Johannes van Adrichem, maar ik stel me zo voor dat Anna die twee jaar ouder was dan Andrew wel eens het dienstmeisje van het gezin Munro kan zijn geweest. 
Misschien hadden de twee een affaire, misschien is de conceptie niet helemaal vrijwillig geweest. Feit is dat ze bij elkaar om de hoek woonden toen ze jong waren en van dezelfde leeftijd waren. Andrew kreeg kinderen in 1788, 1792, 1795, 1799 en 1800. Johannes en zijn tweelingbroer Wijnandus zijn geboren in 1793. Wat mij betreft past dit precies in het plaatje.

Een kaart van Andrew Munro
Ik vind het aannemelijk dat hij de vader kan zijn, maar omdat me dit niet lukt om in mijn eentje op te lossen heb ik me aangemeld bij het Munro DNA-project en krijg ik hulp van een nazaat van de Munro Clan
Deze man is, op basis van de plaats waar Andrew's vader Donald en zijn moeder Florance met elkaar trouwden, de plaats Nigg in Schotland, er voor 99% van overtuigd dat Andrew niet de vader is. 
En ook omdat de DNA matches van mijn vader op een andere tak van de Munro clan wijzen. 
Uitleg over DNA testen in het Nederlands is al lastig te begrijpen voor een leek, maar de mailtjes in het Engels zijn helemaal voor me!
Hij heeft zijn hulp aangeboden en is druk aan het uitzoeken van wie ik wel af kan stammen.
In zijn laatste mail sprak hij zelfs over een fout in de test en dat de enige Duitser die op het lijstje staat logischer is als vader.
Voorlopig hou ik het bij de Kop-in-het-zand-steek-techniek en blijf ik gewoon hopen dat hij het bij het verkeerde eind heeft en de slimme, getalenteerde Andrew Munro mijn voorvader is. Dat zou ik leuk vinden na al die landlopers en kolonisten waar de familie verder uit bestaat en Duitsers zitten er ook al genoeg in! 😊





dinsdag 19 maart 2019

Het testament van Sijbrant en Anna van Adrichem


Het is 3 augustus 1714. In Rotterdam komen twee jonge mensen bij de Notaris van Lieshout. Het zijn de 29 jarige Sijbrant Corstiaens van Adrichem en zijn 27 jarige vrouw Anna Cornelis van der Meer.
Het stel is 2,5 jaar getrouwd en ze hebben een zoon, Cornelis, die over twee dagen twee jaar oud zal worden en een dochter van negen maanden oud, Adriana genaamd.

Sijbrant is ziek en bedlegerig, en blijkbaar zo ziek dat hij niet weet of hij wel oud zal worden en daarom maken hij en zijn vrouw Anna, die nog wel `gesond van Lighame` is, hun testament op. Sijbrant en Anna wonen op dat moment in IJsselmonde, aan de Jongmansteeg waar Sijbrant geboren is. Anna komt uit Rotterdam. En woonde voor haar huwelijk aan de Rotte.


In dit testament verklaren Anna en Sijbrant dat de eerst stervende de langst levende tot enige erfgenaam maakt. Hoewel ik niet alles kan lezen of begrijp wat er in het testament staan, maak ik uit wat ik wel kan lezen op dat voor de kinderen van dit echtpaar of van de kinderen die een van de twee met een andere echtgenoot “met godes zegen” zal worden geboren alimentatie zal moeten worden betaald, zodat deze kinderen naar school kunnen gaan en een vak kunnen leren. Ze moeten een eerlijk ambacht of exercities kunnen leren. Als ik het goed heb begrepen krijgen deze kinderen een bedrag van 25 gulden vanaf hun geboorte tot aan hun dood of tot deze kinderen gaan trouwen.

Testament pagina 1

pagina 2
pagina 3


pagina 4


Ook worden er twee voogden benoemd in het geval beide ouders komen te overlijden. Dit zijn Dirk Corstiaan van Adrichem, de negen jaar oudere halfbroer van Sijbrant. En Cornelis Jans de Rooij.

Ik vind het een bijzonder testament. Er worden geen goederen in verdeeld naar ik heb kunnen lezen, maar het gaat puur om de toekomst van de kinderen. Ze vinden het blijkbaar erg belangrijk dat de kinderen naar school gaan en een vak kunnen leren. Dat zowel Anna als Sijbrant ook naar school zijn geweest blijkt wel uit hun handtekeningen. 


Waar bij de handtekening van één van de getuigen alleen een moeizame “Ik” staat zijn de handtekeningen van het echtpaar duidelijk aanwezig. Die van Anna is een beetje bibberig en onduidelijk, maar die van Sijbrant is krachtig en netjes.


Ik nam zomaar aan dat als je kon lezen in de 18e eeuw, je dan ook kon schrijven. Nadat ik me een beetje heb verdiept in het onderwijs van de 18e eeuw en het blijkt dat dat niet het geval is.

In de 18e eeuw was er niet zo veel keuze in scholen. De meeste kinderen gingen naar de Neder-Duitse school en als je dat niet kon betalen dan ging je naar de armenschool. De rijke kinderen gingen naar de Latijnse school. 

Ik denk dat zowel Sijbrant als zijn kinderen naar de Neder-Duitse school zijn geweest. Het gezin was niet arm. Anna en Sijbrant konden bij hun huwelijk de verplichte leges van zes gulden betalen en ze hadden ook genoeg geld om een testament op te laten maken.

Het onderwijs dat er werd gegeven werd vaak in het woonhuis van de meester gedaan. Als er al een kachel stond moesten de kinderen van huis turf meenemen om het daar warm te laten worden. Er waren geen tafels en waren die er wel dan deed je je schrijfwerk staand. Soms stonden er wel bankjes maar vaak was ook dit niet het geval. De kinderen hadden een soort houten schooltas. Dit was een kistje of laatje waar hun schoolbenodigdheden in zaten en die ze konden gebruiken als knietafeltje om op te schrijven en die na gebruik aan de muur konden worden gehangen.


Schooljaren waren er ook niet. Kinderen, soms al vanaf een jaar of twee, konden naar school worden gebracht wanneer het de ouders uitkwamen. Alle leerlingen zaten bij elkaar in één lokaal. En tot een jaar of tien zaten jongens en meisjes naast elkaar, daarna werden ze gescheiden van elkaar gehouden. Oudere kinderen hielpen de jongeren. Er waren geen klassen, dus kon je ook niet blijven zitten. Kinderen leerden hardop en de klassen waren groot en druk, dus het zal er erg lawaaierig zijn geweest. Tot een jaar of twaalf ging je naar school en daarna ging je werken om daar een vak te leren. Gemiddeld kregen kinderen een jaar of zes onderwijs.

De kinderen gingen zes dagen per week naar school en de lesdagen waren in de winter zo’n 2 á 3 uur per dag, in de zomer wat langer. In de middag hadden de kinderen twee uur pauze. Rond Kerst, Pasen en Pinksteren waren er vakanties en ook voor de jaarlijkse Kermis kreeg je vrij. 
De lesdagen begonnen en eindigden met een gebed. De lezen bestonden dan voornamelijk uit Godsdienst, lezen en schrijven.

De kinderen leerden eerst het alfabet spellen. Hier voor werd het Groot ABC boek gebruikt, ook wel bekend als de Hanenboekjes. Er was niet maar een alfabet om te leren. Net zoals nu was er een alfabet met kleine letters en een met hoofdletters, maar daarnaast bestond er ook nog het gotisch schrift. Er waren geen spelling regels. Of je woorden nu met CK of een KC een S of Z schreef, dat maakte niet zo veel uit.
Hanenboekje
Kon een kind spellen dan mochten ze spellend leren lezen. Bijv. R-O-O-S. Hadden de kinderen dit onder de knie dan mochten ze lezend lezen, dus ROOS. Pas als een kind dit vlot kon dan ze leren schrijven. Dit was meestal vanaf een jaar of acht.

Er werd geschreven met inkt en met een ganzenpen. Kinderen moesten ook mooi leren schrijven omdat je er later je geld mee kon verdienen, maar leren schrijven met een ganzenveer en inkt was een moeilijke techniek. Het schoolgeld wat de ouders moesten betalen steeg ook als de kinderen leerden schrijven, er moesten nu extra kosten betaald worden voor inkt, papier en de ganzenpennen. Potloden bestonden er in die tijd nog niet en leien werden over het algemeen gebruikt om op te rekenen als men dat vaak op school gaf, want dat was nog lang niet overal algemeen aanvaard.

Klaslokaal met houten schooltassen aan de muur

Als je ’s ochtends op school kwam dan kreeg je van de meester een opdracht. Twee keer per dag werd dit nagekeken werd je overhoord. Als je ongehoorzaam was werd je gestraft met een roede of plak.

Ook de vader van Sijbrant; Corstiaen Sijbrants van Adrichem kon lezen en schrijven. Ik vond zijn handtekening om meerdere notariële aktes waar hij als getuige optrad. 

Handtekening van Corstiaen Sijbrands van Adrichem, bijna 350 jaar geleden!
Deze Corstiaen, was Meester Scheepmaker. Een beroep van Sijbrant heb ik niet kunnen vinden, maar zowel zijn halfbroer Dirk en diens zonen waren scheepmaker of scheepstimmerman. 

Scheepstimmermannen aan het werk
Zou Sijbrant na zijn lagere school dit vak van zijn vader hebben geleerd? In de 18e eeuw waren in IJsselmonde de scheepstimmerwerven niet weg te denken. Er waren er maar liefst negen in dat kleine dorp. Sijbrants vader, Corstiaen, was Meester scheepmaker dus hij moet lid zijn geweest van de gilde van Scheepstimmerlieden en Mastenmakers.

IJsselmonde
Om lid te kunnen worden van een gilde moest een leerstuk laten zien aan het bestuur van de gilde. Een soort proefwerk om te laten zien dat je je vak verstond. Werd dit leerstuk aanvaard dat kon je in dienst treden als leerling. Om een stap verder te komen moest men een nog moeilijkere werkstuk maken, doorstond je dit dan werd je gezel.

Scheepstimmerwerf te Rotterdam

Het zwaarste examen moest je afleggen om meester te worden. Hiervoor moest je het zogenaamde meesterstuk maken. Was je hierin geslaagd en had je het entreegeld van de gilde betaald dan mocht je jezelf voortaan “Meester-Scheepmaecker” noemen. Het was de gewoonte dat elke nieuwe meester een groot feest gaf te ere van zijn titel. In Rotterdam werden dan vanaf de trappen van het stadhuis de wijzigingen van de keuren van de gilde afgeroepen waarbij het voltallige gilde verplicht aanwezig moest zijn.

Stadhuis te Rotterdam


Als meester mocht je je als zelfstandige vestigen. Hij kon dan zijn eigen scheepstimmerwerf beginnen. Als meester mocht je van de gilde niet meer dan twee leerlingen aannemen. 
Meester Corstiaen van Adrichem had twee zonen. Ik vind het een logische gedachte dat zowel Dirk als Sijbrant zijn leerlingen zijn geweest. 
Leerlingen moesten in de regel leergeld betalen, loon ontvingen zij meestal niet. Het was dus het voordeligst om bij je vader in de leer te gaan. 
Vader Corstiaen, die in 1709 schepen van Oost-IJsselmonde was, overleed in 1717. Sijbrants moeder Ariaantje Roest overleed al in 1712. 


Zes jaar na het tekenen van het testament leeft Sijbrant echter nog steeds. Tussen de notariële aktes vind ik een schuldbekentenis. 
Sijbant leent in 1720 tweehonderd gulden van Aert Arents Visser. Ik kan niet uit de schuldbekentenis opmaken waarvoor hij dit bedrag heeft geleend. 
Sijbrant en Anna hebben dan inmiddels zes kinderen gekregen waarvan er dan nog drie in leven zijn. Is het uitbreidende gezin op zoek naar een groter huis? Of misschien wil Sijbrant wel een eigen bedrijf beginnen? Of zit het gezin in de financiële problemen?

Niet alleen het gezin van Sijbrant en Anna wordt steeds groter ook het gezin van zijn halfbroer Dirk en diens vrouw Neeltje neemt in grootte toe. 
Dit echtpaar krijgt maar liefst acht kinderen die allemaal in leven blijven. 
Ook Dirk en Neeltje stellen een testament op. Hierin staat een hele specifieke verdeling van de goederen, huizen, loodsen en de scheepswerf die het gezin bezit. Zo gaan er twee dekens, twee kussens en ander beddengoed naar de jongste dochter terwijl de scheepswerf gaat naar drie van de vijf zoons. En er worden flinke bedragen onder de acht kinderen verdeeld. Als voogd van de kinderen wordt oom Sijbrant benoemd.

Sijbrant en Anna krijgen nog eens twee kinderen.
Het gezin bestaat in 1725 dan uit;
Cornelis, 13 jaar oud.
Adriana, 12 jaar oud
Corstiaen, 5 jaar oud
Johannis, 3 jaar oud
Neeltje, 1 jaar oud.

Eerder hebben Sijbrant en Anna al zoon Korstiaen begraven die maar 26 dagen oud mocht worden, hier na kwam er nog een zoon met de naam Korstiaen die één jaar oud werd. De kleine Neeltie werd voor haar 5e jaar begraven. Het jongste zusje Neeltje werd naar haar vernoemd.

De zonen Cornelis en Johannis stappen in het huwelijksbootje en krijgen kinderen. Sijbrant en Anna worden grootouders. Maar dan gebeurd er weer iets wat het leven van het stel aardig op de kop zal hebben gezet. 
In 1752 overlijd Corstiaen, de 31e jarige zoon van Sijbrant en Anna. Het gezin woont dan al niet meer in IJsselmonde maar in Rotterdam, op de cingel onder Cool.

Coolsingel gezien vanaf de Delftse Poort
Corstiaen is ongehuwd en woont ook op de singel, vermoedelijk nog bij zijn ouders. 
Ook dochters Adriana en Neeltje blijven de rest van hun leven ongetrouwd. 
Vreemd is ook dat van de acht kinderen van halfbroer Dirk er ook vijf ongehuwd zullen blijven terwijl ze allemaal flink ouder dan zestig jaar oud zullen worden. Het is me een raadsel waarom…

Anna, huisvrouw van Sijbrant van Adrighem, is maar druk met alle nazaten die geboren worden. Maar liefst tien keer is ze getuige bij de doop van haar kleinkinderen. Tot Anna die in 1714 nog zo gesond van lighame was, op 20 december 1770 komt te overlijden. 
Anna, Annettie, Annigie of Annetje zoals ze ook genoemd werd, werd 86 jaar oud. 
Anna werd de volgende dag van haar huis aan de singel onder Cool, naar de Hillegersberg gebracht waar ze in de Hillegonda kerk werd begraven. 


In deze tijd werd er heel veel waarde gehecht aan het geloof. De kerk stond hier symbool voor en daarom werden de dierbaren in de 18e eeuw nog in de kerk begraven, en dan zo dicht mogelijk bij het altaar zodat de heiligheid daarvan zou afstralen op de overledene. Hoe dichterbij het altaar hoe duurder de tarieven voor het begraven. Ongedoopte kinderen mochten niet in gewijde grond liggen, evenals zelfmoordenaars. Zij moesten buiten de kerk begraven worden.

Graven in de kerk werden niet geruimd en de kerken raakte langzaam aan overvol. Het steeds opnieuw oplichten van de stenen veroorzaakte verzakkingen van de vloer waardoor in de kerken soms een indringende stank hing. (Hier komt de term ‘rijke stinkerd’ vandaan) 
Tegen het eind van de 18e eeuw kregen de mensen steeds meer inzicht in het belang van hygiëne en vond men het niet meer verantwoord om doden in de kerken te begraven.

Pas 59 jaar na het opmaken van zijn testament blaast Sijbrant zijn laatste adem uit in zijn huis aan de Coolsingel, op de respectabele leeftijd van 87 jaar.

De buren speelde tot in de 20e eeuw een belangrijke rol bij de voorbereiding en uitvoering van een begrafenis. Van de directe verwanten werd verwacht dar zij zich op de achtergrond hielden, anders zou er “zielewraak” dreigen. 
De buren losten de familie af tijdens het waken aan het sterfbed, soms nog tot aan de dag van de begrafenis. De buren zorgden ook voor het afleggen van de dode, waarbij de ogen en mond moesten worden gesloten en het doodshemd bij de overledene werd omgedaan en om de ledematen werd heen genaaid.

Een luik van het huis werd uit zijn hengsels gehaald en op de grond gezet, als merkteken dat dit een sterfhuis was. De rest van de luiken van het huis werden gesloten, de gordijnen gingen dicht, de spiegels in huis werden afgedekt en klokken werden stilgezet. Ook bij de naaste buren werd er een luik op de grond gezet als teken van rouw.

De aanzegger of aanspreker
De aanzegger ging rond om te vertellen dat er een sterfgeval was. De aanzeggers, meestal de naaste buren, gingen op pad met een lijst en klopten met een stok op de zelden gebruikte voordeur en wachtten totdat iedereen buiten was voordat ze hun zegje deden. Soms werden zelfs de huisdieren, het vee en de bijen op de hoogte gebracht dat de baas dood was.

De dorpstimmerman kreeg de opdracht een kist te maken. Nadat de overledene in de kist was gelegd kwam daarover een zwart rouwlaken van de diaconie. Dit kleed werd gemaakt van kostbare stof. Hoe rijker de stof, hoe duurder de huur er van was. De kosten van het kleed van Sijbrant waren één gulden. Dit was het goedkoopste kleed, was je armlastig dan werd je zonder kleed begraven. Er waren ook kleden van drie of zes gulden.
  
Op de dag van de begrafenis van Sijbrant was het buiten niet alleen koud, maar ook donker en betrokken. Een weerspiegeling van de stemming van de familie en de buren. 
Het uitdragen van de kist gebeurde ook door de buren. Hierbij zorgden ze er voor dat de voeten van de overledene het eerst naar buiten gingen. 
Daarna werd de kist op een wagen met paarden ervoor gezet. Op het platteland namen de in een zwarte mantel gekleedde vrouwelijke familieleden op de wagen plaats. Onder de burgerij was het een gewoonte dat alleen de mannen mee gingen om de dode te begraven.


De stoet met familie en buren vertrok zo van de Coolsingel, via een zogenaamde lijkweg naar de Hillegondakerk te Hillegersberg. Tegenwoordig een voettocht van een uur. 

Zodra de stoet in het zicht kwam van de kerk werden de klokken geluid. Sijbrant werd net als zijn vrouw begraven in de kerk. De totale kosten van de begrafenis bedroegen  f5,10 gulden volgens zijn vermelding in de begraafboeken. 
De kist werd neergelaten in een gat in de vloer van de kerk waarna deze weer werd toegedekt en de predikant sprak een lijkreden uit. Een grafsteen met inscriptie zoals we die nu kennen kregen ze niet.

Na de begrafenis keerde men terug naar het sterfhuis voor een rouwmaal. Dit was het laatste deel van de ceremonie voor de omstanders. "Uitvaart is zuipvaart" luid een oud gezegde. 
Je kunt je voorstellen dat het er veel gegeten, gedronken en gelachen werd. Na dit rouwmaal kwam het gewone leven weer op zijn beloop. 

Voor de kinderen van Sijbrant brak er een tijd van rouw aan. Voor ouders, kinderen en echtgenoten was dit een tijd van één jaar en zes weken. Voor broers en zussen een half jaar, voor ooms en tantes drie maanden en voor neven en nichten zes weken. 
Mannen droegen in de rouwtijd een zwarte jas, vest en hoed. Ook vrouwen verschenen in het zwart. Na de zware rouw bestond er ook nog een periode van halfrouw en lichte rouw, die tot een jaar of langer kon duren.

De Hillegondakerk waar Sijbrant in 1773 begraven werd, bestaat nog steeds. Misschien liggen Sijbrant en Anna er nog steeds...