dinsdag 3 juni 2025

Heksenprocessen binnen het hof van Gelre

Tussen 1550 en 1675 vonden er binnen het Hof van Gelre een serie heksenprocessen plaats waarbij van hekserij verdachte personen terecht moesten staan. Een heksenproces bestond uit drie stappen; de Waterproef, daarna foltering en vervolgens de brandstapel. 


Waterproef

Bij de waterproef werd de beschuldigde in het water gegooid. Een onschuldige zou direct zinken. Bleef men drijven dan was men een heks. De beklaagden werden met een touw vastgebonden zodat hij of zij uit het water getrokken kon worden. Dat ging echter niet altijd goed, soms verdronken mensen hierbij alsnog. Echter in dat geval was je dus niet behekst en kreeg je wel een christelijke begrafenis. 

Bleef je drijven (vaak door luchtbellen onder de kleding) dan was je een heks en begon men met de foltering zodat je zou bekennen dat je een heks was. Foltering door een scherprechter had als doel je te laten bekennen en niet om je te doden. Uiteraard werd er net zolang gefolterd tot je wel toegaf aan waarvan je werd beschuldigd. Maar ook hier ging het wel eens mis en vonden mensen de dood tijdens de folteringen. 

Het doden gebeurde bij voorkeur op de brandstapel omdat men geloofde dat daarbij ook de ziel van de heksen (en tovenaars) werden vernietigd. Als er een grote groep tegelijk op de brandstapel werd verbrand dan stikten ze vaak door inademing van de rook. Was het een brandstapel met maar één persoon dan begonnen de vlammen aan de benen en was het verschrikkelijk pijnlijk dood die wel uren kon duren.

Er hebben in Bredevoort enkele enkele heksenprocessen plaatsgevonden. In 1561 werd Salicke van Dornick als tovenaar terechtgesteld en kwam op de brandstapel aan zijn einde. Zijn zus Aleyd Koeters werd ook beschuldigd van hekserij. In 1561 beloofde ze beterschap en kreeg ze een boete. In 1586 werd ze opnieuw beschuldigd door haar stiefzoon. Tijdens de waterproef beleef ze tot drie keer drijven, zelfs toen ze met een staak door de scherprechter naar beneden werd geduwd. Na de waterproef werd ze gefolterd. Ze hingen haar aan een lader en bewerkten haar met een roede. Tijdens deze marteling brak ze haar nek. 

Op 19 september 1610 werd Jenneken ter Honck levend verbrand. Na verhoor onder zware folteringen bekend zij een heks te zijn en noemt daarbij enkele namen van anderen. Ze smeekt om dood door het zwaard, tevergeefs. De volgende dag wordt Gertken op 't Goir beschuldigd van tovenarij. Ze bekend ook schuldig tijdens de folteringen en noemt de namen van Myth Timpers, Jar Simon en Willem ten Oistendorp met wie ze samen rond een vuur te hebben gedanst terwijl de mannen op de trom sloegen. En zo worden er één voor één meer mensen beschuldigd. Brend Swenen bekend samen met Willem ten Oistendorp dat de tovenarij bij ze is aangeboren. Ze worden levend verbrand op 25 september 1610. Johan Boegen volgt als laatste. Uiteindelijk worden er negen mensen van tovenarij beschuldigd in Bredevoort en veroordeeld tot de brandstapel. Opvallend is dat zes van de negen beschuldigden, mannen zijn. Meestal waren de veroordeelden vrouwen. Zij worden allen genoemd op de website nationaal heksenmonument.

Eén van de laatste heksenprocessen in Bredevoort en misschien wel van Nederland was van Mary Hoernemans in 1675. Mary doorstond de waterproef en liep met opgeheven hoofd weer naar huis. 

In 1605 vond in 's Heerenberg een heksenproces plaats. Degene op de beklaagdenbank was Mechteld ten Ham, een weduwe uit 's Heerenbergh. Mechteld probeerde een rustig leven te leiden en mensen in haar omgeving te helpen met gezondheidsadviezen, kruiden en uitspraken over de toekomst. Dit leidde tot beschuldiging van hekserij. Mechteld probeerde zichzelf te zuiveren van alle blaam. Ze was er van overtuigd dat door middel van een eerlijk proces bewezen zouden worden dat ze geen heks was. Verschillende mensen om haar heen gaven haar het advies naar de Heksenwaag in Oudewater te gaan om zich te laten wegen. Na de weging kreeg men dan een certificaat dat men geen heks kon zijn. De weegschaal sloeg namelijk altijd uit. Heksen konden vliegen en wogen dus niets. Als de weegschaal uitsloeg kom je dus geen heks zijn. Mechteld sloeg deze adviezen in de wind en eiste een proces. Op een boerenkar werd Mechteld vanuit 's Heerenberg naar het dorpje Azewijn gereden waar zijn in de Laak werd geworpen waarna ze bleef drijven. Mechteld werd opgesloten in de gevangenis onder de toren van het kasteel Huis Bergh. Met zijn martelwerktuigen moest de scherprechter haar tot een bekentenis dwingen, wat uiteindelijke lukte. Op 25 juli 1605 ontstak de scherprechter de brandstapel waar Mechteld op was vastgebonden. Ze stierf een afgrijselijke dood.


Beeld van Mechteld ten Ham in 's Heerenbergh

In 's Heerenbergh wordt Mechteld ten Ham nog elk jaar herdacht tijdens het "Mechteld ten Ham weekend". Dit jaar in het weekend van 29 tot 31 augustus 2025. Het is een cultuur-historisch weekend dat in teken staat van de "Heks" Mechteld. De geschiedenis wordt dit weekend weer tot leven gebracht en je waant je terug in de 17e eeuw. 


Mijn voorouder Wolterus Jansen was honderd jaar na de veroordeling van Mechteld ten Ham "Meester Scherprechter" van het kasteel Huis Bergh. Hij is niet degene die de brandstapel heeft aangestoken maar zijn overgrootvader mogelijk wel. Meer dan 300 jaren voor Wolterus Jansen hebben zijn vader, grootvader, overgrootvader enz. dit ambt ook uitgeoefend. Ik weet alleen niet waar ze hebben gewerkt, maar de kans is dus aanwezig dat mijn voorouders degene waren die de straffen moesten uitvoeren tijdens deze afschuwelijke heksenprocessen, waarbij de beschuldigden natuurlijk nooit een echte kans kregen. 

Mijn voorvader Jan Henrick Coenen was in deze periode ook scherprechter, maar dan in Bredevoort. Even als zijn zoon Christian, tevens mijn voorouder. De familie Coenen was een scherprechters geslacht die ook minstens vier generaties scherprechters hebben voortgebracht. Zij zijn ook verwant aan de andere twee scherprechters families waar ik van afstam. Al met al is er een kans dat er minstens één voorouder betrokken was bij deze verschrikkelijke heksenprocessen die binnen het Hof van Gelre in de 16e en 17e eeuw hebben plaatsgevonden. 

maandag 26 mei 2025

Corstiaen Sijbrantse van Adrichem en Ariaantje Cornelisse de Roest

In 1675 trouwde de 28 jarige Corstiaen Sijbrantse van Adrichem met de tien jaar jongere Grietje Dirx Verschoor. Het stel kreeg een zoon; Dirk, genoemd naar Grietjes vader Dirx Pietersz Verschoor. Hierna volgde nog een dochter met de naam Neeltge. 

Corstiaen Sijbrantse van Adrichem was één van de acht kinderen van Sijbrant Huijbrechtsz van Adrichem en Maertge van Noorden. Hij was maar liefst de vijfde zoon met de naam Corstiaen. Er werd een al eerder een Corstiaen geboren in het gezin in 1639, 1641, 1642 en 1644. Mijn voorouder Corstiaen, geboren in 1646 blijft eindelijk leven. Al zijn voorgaande naamgenoten overleden tenminste voor hun derde jaar, de meesten haalden het eerste levensjaar niet eens. Er werd nog een oudere zus, Heiltje geboren die wel de volwassen leeftijd zou bereiken en zou trouwen met Jacob Thomasse Vervoort. 

Na Corstiaen volgden er nog de broertjes Cornelis en Pieter. Cornelis zou uiteindelijk ook trouwen met eene Grietje Gerrits Verschoor. Van broertje Pieter is mij verder niets bekend. Verschoor is een naam die veel voorkomt in de omgeving van Corstiaen. Het zullen verre familieleden van elkaar zijn, directe verwantschap is er volgens mij niet. 

Christiaen was scheepstimmerman. Vanaf 1671, hij is dan vijfentwintig, kom ik dat beroep voor het eerst bij hem tegen. Op 5 mei 1674 kocht Corstiaen een huis in West IJsselmonde. Hij laat een schuldbekentenis opmaken aan de erfgenamen van Heijndrick Mathijsz, een overleden scheepsmaker. Corstiaen koopt zijn huis en bijbehorende scheepstimmerwerf gelegen aan het westeinde van het dorp. Zijn schuld was een bedrag van zeshonderdendrieëndertig gulden. Op 6 juli 1675 leent hij driehonderdenzestien gulden van Hendrik Jans Verschoor. Waarschijnlijk om investeringen te doen aan zijn scheepswerf. 

Scheepshelling

Op de website van het streekarchief van IJsselmonde vond ik dat er in de 17e eeuw zeker twee scheepsbouwers in het dorp aan het werk waren. Waarschijnlijk was Corstiaen hier er één van. Hij is goed in zijn werk en mag zich op een gegeven moment zelfs "meester-scheepmaecker" noemen. Om je meester scheepmaker te mogen noemen moest je lid zijn van een gilde. Om lid te kunnen worden van een gilde moest je een leerstuk laten zien aan het bestuur van de gilde als een soort proefwerk. Werd dit aanvaard dan kom je in dienst treden als leerling, wilde je een stap verder komen dan maakte je een moeilijkere stuk. Het zwaarste examen was het meesterstuk. Pas als je dit had gehaald dan was je meester scheepmaker. Hierna werd een groot feest gegeven om dit te vieren met de gehele gilde. Pas als meester mocht je je als zelfstandige vestigen.

In de 18e eeuw was het aantal scheepswerven in IJsselmonde gegroeid naar zes. Gemiddeld bouwden de werven één schuit per werf per jaar. Er werden voornamelijk twee typen zeilschepen gebouwd; de dam- en poonschuiten, bestemd voor het vervoer en goederen en vee over de binnenwateren. Veelal werd het beroep en/of de scheepswerven doorgegeven aan de (klein)kinderen. 

Poonschuit

Ook zoon Dirk wordt scheepmaker. In 1714 levert Dirk voor driehonderdenvijftien gulden een schuit. Afgesproken wordt dat het schip in drie jaarlijkse termijnen van honderdvijf gulden wordt afbetaald. Ik tel minstens tien bijlbrieven van hem. Zelfs zijn vrouw Neeltje de Goede wordt in 1753 genoemd als scheepmaakster na het overlijden van Dirk in 1737. Ze levert een nieuwe poonschuit aan Hendrik van Prooijen voor zeshonderdentweeënveertig gulden, te betalen in zeven jaren. In 1755 levert ze, hier genoemd als "scheepstimmeresse" voor zevenhonderdenvijftig gulden een poonschuit aan Cont Jansz, te betalen in zes termijnen van honderd gulden en een zevende termijn van honderdvijftig gulden. En in 1756 een damschuit voor elfhonderd gulden. In 1757 overlijd Neeltje op vierenzeventig jarige leeftijd en dan nemen zoons Willem en Cornelis het roer op de scheepswerf over. Zou ze echt tot op haar drieënzeventigste zelf schepen hebben gebouwd? Ik krijg meteen een beeld van een hele stoere oude vrouw met wie niet te spotten valt. 

Minstens zevenendertig bijlbrieven van de meester scheepmakers Willem Cornelis en Corstiaan van Adrichem telde ik. Een bijlbrieven was een soort geboortebewijs van een schip. Bij elke oplevering van een schip werd er zo'n bijlbrief opgemaakt waarin stond dat de schuit naar volle tevredenheid van de opdrachtgever door deze werd aanvaard. Verder stonden het type schip, de afmetingen, de uitrusting, de resterende koopppenningen en de betalingsregeling in de brief vermeld evenals de werf die verantwoordelijk was voor de bouw. 

Van Corstiaen vind ik maar één bijlbrief, maar wel een aantal schuldbekentenissen aan hem. Zoals voor een bedrag van driehonderdenachtentwintig gulden voor een schip dat hij gebouwd en verkocht heeft op 27 juli 1676. 

Ook Jacob Willemsz, van beroep schipper, is samen met zijn vader als borg nog vijfhonderdvijftig  gulden schuldig aan Corstiaen. Het restant van de koopsom van een nieuwe kromstevenschuit die Corstiaen in opdracht van vader en zoon heeft gebouwd. 

Met zijn bedrijf gaat het Corstiaen, naar het lijkt, wel voor de wind. Zijn privé leven is een ander verhaal. Zo rond 1681 komt zijn vrouw Grietje te overlijden, slechts vijfentwintig jaar oud. Corstiaen blijft achter met zijn kinderen Dirk en Neeltge. 

Als je je wilde vestigen in een andere woonplaats dan had je in de 17e eeuw een zogenaamde akte van indemniteit nodig. Dit was een officiële verklaring van de diaconie of het gerecht van de plaats van herkomst van nieuwe ingezetenen dat deze de eventueel noodzakelijke bijdragen in de kosten van levensonderhoud van hen zouden betalen. Vanaf het eind van de 17e eeuw gingen Nederlandse plaatsen hier om vragen als iemand zich daar wilde vestigen vanwege de groeiende armoede in deze periode. Op 26 mei 1681, precies 299 jaar voor mijn geboorte werd deze akte van indemniteit voor Corstiaen en zijn zoon Dirk en dochter Neeltge opgemaakt. De familie van zijn overleden vrouw zijn de getuigen.  Corstiaen werd geboren in Overschie maar woonde al zeker vanaf 1674 in IJsselmonde. Waarom moest hij een nieuwe akte laten opmaken? Wilde hij zich misschien vestigen in een andere woonplaats met zijn kinderen na het overlijden van zijn vrouw Grietje? Dat gebeurd in elk geval niet, hij bleef in IJsselmonde wonen.

Zicht op IJsselmonde

In een notariële akte van 16 oktober 1681 wordt bij de Weesmeester van Oost-IJsselmonde een akte van uitkoop vastgelegd. Hierin staat dat Corstiaen Sijbrantse van Adrichem, de weduwnaar van Grietje Dircx Verschoor, zijn zoon Dirk Corstiaense van Adrichem, die op dat moment vijf jaar is, tot zijn twintigste levensjaar moet onderhouden en hem dan zijn moederlijk goed van vierhonderdvijfenzestig gulden moet geven. 

De tegenpartij die de akte op laat maken zijn de broers van Grietje; Jan Dirx Verschoor en Pieter Dirx Verschoor, zij zijn de ooms van de kleine Dirk maar tevens zijn voogden. Corstiaen behoudt het huis en erf, gelegen in het dorp IJsselmonde, en alle roerende goederen. Hij neemt ook alle verder lasten voor zijn rekening. Wie en waarom er nou uitgekocht wordt is mij niet helemaal duidelijk. Het lijkt me toch logisch dat een vader voor zijn vijfjarige zoon zorgt? Is het huis oorspronkelijk van zijn overleden vrouw Grietje en haar familie geweest? Corstiaen komt zijn plichten wel na blijkt onderaan de akte. Op 29 december 1694 heeft hij de genoemde vierhonderdvijfenzestig gulden aan zijn zoon Dirk betaald. Dochter Neeltge wordt nergens genoemd.

Op 26 april 1682 trouwden in IJsselmonde de inmiddels zesendertigjarige jarige Corstiaen met de ongeveer tweeëndertig jarige Ariaantje Cornelisse de Roest nadat ze eerder op 11 april 1682 in ondertrouw zijn gegaan. Ik vind Ariaantje met haar tweeëndertig jaar best oud om voor het eerst in het huwelijk te treden, maar ik heb geen ander huwelijk of reden hiervoor kunnen vinden.

Ariaantje is één van de tenminste vier kinderen van Cornelis Claasz de Roest en Aerjaentje Arijensdr. Allebei uit IJsselmonde afkomstig. Vader Cornelis de Roest was van beroep "dekker" en het gezin bezat een huis aan het westeinde van IJsselmonde tezamen met wat landerijen. Ook hadden ze enkele landerijen in Nieuw Reyerwaard onder Ridderkerk. Het gezin was niet onbemiddeld, ik vind meerdere notariële akten van Cornelis de Roest en zijn familieleden. O.a. de koop van een huis met boomgaard die hij van zijn vader Claes Andriesz Decker overneemt. 

Ariaantje Cornelisse de Roest kreeg bij haar huwelijk met Corstiaen meteen de zorg over een kleine kleuter erbij. Ik denk dat dochter Neeltge dochter tussen mei 1681 en oktober 1681 is overleden. Na mei 1681 wordt ze nergens meer genoemd. Veertien maanden na hun huwelijk werd in het gezin zusje Marijtje geboren. En op 13 juni 1685 kwam daar broertje Sijbrant bij. Vernoemd naar de vader van Corstiaen; Sijbrant Huijbrechtsz van Adrichem, geboren te Overschie, gehuwd met Maertge Christiaensdr van Noorden uit Vlaardingen waar naar eerste dochter Marijtje naar vernoemd is. Over Sijbrant schreef ik HIER al eerder. 

In 1688 wordt Corstiaen aangeslagen voor de 200e penning van Oost-IJsselmonde voor een gegoedheid van zevenhonderdenvijftig gulden. De 200e Penning was een vermogensbelasting. De aangeslagene moest van elke tweehonderd penningen die hij bezat één penning opbrengen als belasting. Dit komt neer op een half procent van het vermogen. Hieronder vielen huizen, landerijen, schepen, handelsvoorraden, meubels, juwelen enz. Op 24 september 1688 verklaard Corstiaen dat hij geen duizend gulden heeft en word hierna uit het kohier geschrapt. Zevenhonderdenvijftig gulden in de 17e eeuw staat gelijk aan een vermogen van 75.000 euro in deze tijd. 

De schuld van zeshonderddrieëndertig gulden voor de koop van zijn huis en scheepstimmerwerf voldeed Corstiaen op 9 februari 1691. En op 5 december 1695 loste hij de schuld van driehonderdzestien gulden aan Hendrik Jans Verschoor, die hij in 1675 van hem had geleend, af. 

Over dochter Marijtje heb ik niks meer kunnen vinden. Ik denk dat het gezin van Corstiaen en Ariaantje alleen bestond uit de halfbroers Dirk en Sijbrant, die mogelijk allebei bij hem op de scheepstimmerwerf werkten. 

Corstiaen was ook schepen van IJsselmonde (lid van het stadsbestuur, vergelijkbaar met wethouder) en vanaf 1708 diacon. Een diacon is binnen de protestantse kerk een persoon die verantwoordelijk is voor de diaconie, een organistaie die zich inzet voor de zorg en hulp voor anderen. Hij wordt vaak genoemd als comparant bij meerdere notariële akten. Hij is een man die onderwijs heeft genoten, hij kan lezen en schrijven, zo laat zijn krachtige handtekening zien. 


Handtekening Corstiaen Sijbrants van Adrichem

Ariaantje Cornelis de Roest overleed in augustus 1712. Ze werd begraven op 9 augustus 1712 in IJsselmonde. Ariaantje was toen ongeveer tweeënzestig jaar oud. Corstiaen overleed in april 1717 op een leeftijd van eenenzeventig jaar. Hij werd begraven op 26 april 1717 in IJsselmonde. Zijn oudste zoon Dirk deed de aangifte van zijn overlijden. Of de scheepswerf na de dood van kleinzoons Willem en Cornelis weet ik niet, ze sterven beiden op hoge leeftijd maar ongehuwd en kinderloos. 

dinsdag 6 mei 2025

Bekende nakomelingen

Ik schreef al eerder over bekende familieleden van voorouders, maar vandaag draai ik het eens andersom. Ditmaal is het thema "bekende nakomelingen". 

Albert Peters Mossel en Eva Hendricks is een echtpaar dat heel veel bekende nazaten heeft voortgebracht. Albert en Eva zijn gehuwd op 13 november 1735 in Emmeloord op het eiland Schokland. Eva was toen ongeveer vierentwintig jaar oud, Albert zevenentwintig jaar. Het echtpaar kreeg zeven kinderen. Albert is de eerste die de achternaam "Mossel" is gaan gebruiken. Geen van hun kinderen of kleinkinderen zou de ontruiming van hun geliefde eiland meemaken. 

"Mossels" tekening van M.J. van Adrichem

Bij de ontruiming van het eiland Schokland in 1859 vertrok de bevolking die toen uit ca. 650 personen bestond naar verschillende plaatsen. Mijn voorouder Cornelis Evertsz Mossel vertrok al ruim voor de ontruiming naar Vollenhove. Mijn andere Schokker voorouders vertrokken allemaal naar Kampen, waar het overgrote deel van de bevolking van Schokland uiteindelijk naar toe is vertrokken (ca. 400 personen). Ook Vollenhove (126 personen), Volendam (zeven gezinnen, 54 personen) en Urk waren in trek. De katholieken vetrokken naar Volendam-Edam, Vollenhove en Kampen. De protestanten vertrokken naar Urk. Een enkeling vertrok naar Blokzijl of naar Twente om in de textielindustrie te gaan werken. 

Haven Emmeloord

Vorig jaar was er in het Volendams museum een expositie over de Schokker roots van veel bekende personen uit Volendam. Dit naar aanleiding van het verschijnen van het boek van Eva Vriend "Het eiland van Anna". Ik ben helaas zelf niet naar de tentoonstelling geweest, maar ik heb wel kunnen vinden dat erg veel bekende Volendammers dezelfde voorouders delen als ik; bovengenoemd echtpaar Albert Mossel en Eva Hendricks. Ook Anna Diender uit het boek "Het eiland van Anna" is een nazaat van dit echtpaar. 

De zangers Paul de Munnik, Nick Schilder, Jan Dulles, Simon Keizer, zangeressen Annie Schilder en Maribel, presentator Kees Tol en ikzelf delen allemaal dezelfde voorouders. Met een aantal deel ik ook nog andere voorouders, want net zoals op Schokland werd er ook in Volendam bijna alleen maar onderling getrouwd en zijn veel voorouders ook onderling aan elkaar verwant. Zie onderstaande afbeeldingen. Ik had niet gedacht aan zoveel Volendammers verwant te zijn. 

Met Europees Kampioen kogelstoten Jessica Schilder deel ik ook voorouders. Voetballer Joey Veerman, Kees Kwakman, en Geraldine Kemper schijnen tevens Schokker voorouders te hebben, al heb ik niet kunnen vinden of we ook verre familie zijn. 



Van het zangtalent van de bekende Volendamse zangers en zangeressen heb ik helaas niets meegekregen...

donderdag 1 mei 2025

Johannes van Adrichem, Slag bij Kulm

Slag bij Klum

Johannes van Adrichem, de Waterloo-veteraan. Ik schreef al eerder of hem; Hier, Hier en Hier. 

Achterneef Harold Pot schreef ook al eens een gastblog over zijn militaire carriëre. Harold was het ook die tijdens de zomervakantie van mij en mijn man in 2023, me er op wees dat onze gezamenlijke voorouder Johannes bij de slag bij Kulm had gevochten en dat wij er met onze camper vlak in de buurt waren. Om een of andere reden wist ik niet meer dat hij daar gevochten had. Kulm lag op de route en natuurlijk kon ik de gelegenheid niet voorbij laten gaan om de gedenkplek van de slag bij Kulm te bezoeken. Ik kom nou eenmaal niet elke dag in Tsjechië. 

De slag bij Kulm speelde zich af voor de slag bij Waterloo. Johannes was nog maar net in dienst en ingedeeld bij het 27ème Régiment d’Infanterie de Ligne, toen hij deel nam met het Franse leger van Napoleon bij de slag bij Dresden. Voor meer informatie over die slag kun je hier de blog van Harold lezen. 

Drie dagen na de slag bij Dresden, op 30 augustus staat het 27e regiment bij Kulm. Het plaatsje Kulm, nu Chlumec u Chabarovic. Het is een slag met grote verliezen voor het leger van Napoleon. Aan Franse kan zijn er ongeveer 5000 doden en gewonden en tussen de 7000 en 15.000 Franse soldaten worden krijgsgevangen gemaakt. Johannes weet de dans te ontwijken. Op 13 september wordt Johannes overgeplaatst van het 27e regiment naar het 1er Compagnie, 1er Bataillon, 72ème Régiment d’Infanterie de Ligne.

Napoleon hoopt op een winterstop, maar hij heeft het mis. Op 3 januari 1814 raakt Johannes in de omgeving van Colmar gewond aan zijn linkerbeen en wordt gevangen genomen door de kozakken. Op 9 januari wordt hij uit gevangenschap ontslagen waarna hij het Franse leger verlaat en in dienst gaat bij het net ontstane Nederlandse leger. Met dit Nederlandse leger komt hij in 1815 tegenover Napoleon te staan bij de slag bij Waterloo. Een slag waar Johannes actief aan zal mee strijden en waar hij ook voor onderscheiden wordt. Het bewijs hiervoor is te vinden in het depot van het rijksmuseum in Amsterdam. Ik hoop het ooit met eigen ogen te kunnen zien. 

Helaas was het monument in Klum ter nagedachtenis aan de slag afgesloten vanwege herstelwerkzaamheden en konden we het alleen van een afstand aanschouwen. De foto's geschoten door het hekwerk. Mijn Tsjechisch was ook niet toereikend om de informatieborden over de slag te lezen. Ik begreep wel dat slag herdacht is in het dorp in 2013, tweehonderd jaar na de slag. 

Jammer dat we het monument niet beter bekijken konden en we niet konden lezen wat er op de borden stond. Wel bijzonder om weer op een plek te zijn waar je voorouder heeft gevochten. De aftanden tussen de plaatsen waar hij geweest is, is enorm. Onvoorstelbaar dat ze dat allemaal te voet hebben afgelegd. 



zaterdag 26 april 2025

Dirck Philipsz van Adrichem


Dirck Philipsz van Adrichem wordt in de periode tussen het einde van de middeleeuwen en het begin van de gouden eeuw geboren, zo rond 1555, vermoedelijk in Delftshaven. Hij is een zoon van Philip Claesz van Adrichem en Maritgen Claesdr. Hij heeft nog een broertje Claes en nog een jongere zusje Ariaantje. Delftshaven is ontstaan toen in 1389 de Delftshavense Schie werd gegraven om de stad Delft een verbinding met de Maas te geven. Rondom de sluis ontstond het havenstadje. Zo rond 1555 was dankzij de haringvisserij en de walvisvaart Delftshaven uitgegroeid tot een welvarend stadje met zo'n duizend inwoners. 

Delftshaven

Dirck trouwt met een onbekende vrouw zo rond zijn twintigste jaar en krijgt drie kinderen; dochter Maertge, zoon Philip en mijn voorouder Huijbrecht Dircksz van Adrichem. Over zijn gezinsleven is weinig bekend. Zijn werkzame leven geeft echter een beter beeld van Dirck als persoon.  

Van 1590 tot 1595 was Dirck Leproosmeester te Delftshaven. Een Leproosmeester is de bestuurder van het Leprooshuis, ook wel Lazarushuis of Proveniershuis genoemd. Melaatsheid, Lepra en Lazerij zijn verschillende namen voor dezelfde aandoening. Lepralijders werden in de 16e eeuw beschouwd als een gevaar voor anderen en mochten daarom niet deelnemen aan het dagelijks leven. Leprozen moesten als herkenningsteken een grote schelp, een zogenaamde lazarusklap op de borst en een zwarte hoed met een witte band er om dragen. Met kleppers moest hij anderen waarschuwen voor besmettingsgevaar van zijn persoon. Om in een Leprooshuis te komen moest je in het bezit zijn van een zogenaamde vuilbrief, hiermee mocht je bedelen om in je onderhoud te kunnen voorzien. Zo'n vuilbrief kon je alleen in Haarlem krijgen. De Sint Jakobskapel aldaar was de enige plek waar potentiële patiënten door schouwmeesters beoordeeld konden worden. Tegenwoordig is Lepra met antibiotica in een paar maanden te genezen. In de 16e eeuw betekende zo'n vuilbrief een levenslange verstoting. Het Leprozenhuis stond altijd buiten de stadsmuren vanwege de mogelijke besmettelijkheid van de ziekte. Tussen Delft en Rotterdam heeft er in de 16e eeuw een Leprozenhuis gestaan waarvan Dirck dus vijf jaar lang bestuurder was. 

In 1589 en 1590 was Dirck de Heilige Geestmeester van Delftshaven. De Heilige Geestmeester werd ook wel de "Vader van de Armen" genoemd. Het was geen kerkelijke functie zoals de naam doet vermoeden. De Heilige Geestmeester werd ieder jaar aangesteld door de bestuurders van een stad of dorp. Voor deze functie kwamen alleen grondbezitters in aanmerking. De Heilige Geestmeesters (er waren er altijd twee) maakten deel uit van het kerkelijk armenbestuur en van het dorpsbestuur en betrokken bij beslissingen over belangrijke dorpsaangelegenheden. Ze hielden toezicht op de inkomsten en uitgaven van de armenkas, de overdracht van goederen toebehorend aan het armenbestuur, het bijhouden van het armenregister. Dirck hield bijvoorbeeld toezicht op o.a. het uitdelen van brood aan de armen. 

Ook was Dirck Stadsrentmeester. De stadsrentmeester was onderdeel van het stadsbestuur en hield toezicht op de in- en uitgaven van het bestuur en bracht verslag uit aan de burgermeester. Tevens was Dirck schout van Schoonderloo. 

Schoonderloo was een, inmiddels verdwenen, ambacht tussen Delftshaven en Rotterdam. Niet veel meer dan een polder met wat huizen en aan de zuidkant grenzend aan Delftshaven. Schoonderloo betekend "mooi uitzicht" en dit slaat waarschijnlijk op het mooie uitzicht op de rivier de Maas. Net als Delftshaven is Schoonderloo uiteindelijk opgegaan in Rotterdam. 

Dirck was in het bezit van twee huizen in Delftshaven, kon lezen, schrijven en rekenen en beklede belangrijke functies in het stadsbestuur van Delftshaven. Geen onbemiddelde man dus. 

"Acten betreffende het voormalig ambacht Schoonderloo bij Rotterdam"

23-7-1589: Dirck Phillipsz. van Adrichem, schout van Schoenreloe, Dirck Jansz. en Govert Jansz., schepenen aldaar, oorkonden dat Jochum Tack, schout van Oisterhout, aan zijn schoonzuster Maritken Duyst overdraagt 17 morgen buitenland dat zijn vrouw uit de nalatenschap van haar ouders heeft, belast ten behoeve van de abdij van Egmond met 12 stuivers per jaar voor het recht van tiendheffing, een en ander volgens het voorlopige koopcontract in 1587 tot stand gekomen door bemiddeling van meester Cornelis Duyst, Jacob

Duyst Jacobsz. en Jan van de Kerckhoff. Bezegeld door de schout.

22-8-1594: Dirck Phillipsz. van Adrichem, schout van Schoenreloe, Gerrit Meesz. Foy en Gerrit Claesz. Tollenaer, schepenen aldaar, oorkonden dat meester Cornelis Duyst van Voorhout en Dirck Duyst van Voorhout Heyndricxsz. als voogden van Kostiaen Quirijnsz.Borsselaer en van Susanna Quirijnsdochter, samen met Magdalena Borsselaer, gehuwd met Jan Pau Jacobsz.. Karel Quyrijnsz. en Erckyen Quiryns overdragen aan Jannitgen Jacobs, gehuwd met Jan van den Kerckhove, als erfgename van haar moeder Maria Duyst, 6 morgen roede land aldaar ten westen van Delfshaven, tussen de hoge dijk en de nieuwe binnendijk. Bezegeld door de schout.

zegel van Dirck Philipsz. van Adrichem 

Dirck leefde in Deltfshaven gedurende een roerige tijd. 

In 1566 woedt rond Delft en omstreken de Beeldenstorm. In 1568 is het begin van de Tachtigjarige oorlog. In 1572 plunderen eerst de Watergeuzen Delftshaven nadat ze vijf dagen daarvoor Den Briel hadden ingenomen. Een week later volgden de Spanjaarden die Delftshaven in de as legden.

Aan het einde van het Beleg van Leiden in 1574 werden de polders rond Delftshaven onder water gezet doordat het leger van prins Willem van Oranje de dijken rondom doorstaken. 

In 1577 wordt Piet Heyn geboren in Delftshaven. Dirck zal hem vast gekend hebben, maar hij heeft niet meegemaakt dat hij een groot zeeheld zou worden.

In 1591 werd een groot deel van Delftshaven opnieuw vernield door een grote brand. Vele huizen waren van hout en het vuur sloeg snel over. Daarna werd door Delft verplicht tot het bouwen van stenen huizen. 

In 1602 wordt het gebied getroffen door de gevreesde Pest. In diverse archieven zijn akten te vinden waaruit ik opmaak dat Dirck in 1602 is overleden, circa 48 jaar oud. Misschien wel aan de pest. 

Schepenbrief, waarbij de curator over de boedel van Dirck Philipsz. van Adrichem, in leven Stadsrentmeester op Delfshaven, aan Burgemeesters en Regeerders der stad Delft opdraagt een huis en erf, staande en gelegen op Delfshaven op de Timmerwerf, op de wijze als de doorgestoken waarbrief d.d. 8 okt. 1602 inhoudt. 

Transportakte Voorburg, 13-4-1602: Johan van Soutelande, procureur voor de ene helft Jacob Andriesz, gesubstitueerd secretaris van Delft als curator van de boedel van Dirck Phillipsz (van Adrichem), in zijn leven stads rentmeester te Delffshaven, en Adriaen Adamsz Kerckhove als medevoogd van de kinderen van dezelve Dirck Phillipsz gewonnen bij Adriana van Soutelande voor de ander helft. Partijen verkopen voor f 2.650,- aan Jasper Jacobsz [van Haestregt], tegenwoordig wonende op de woning van Alckemade, een woning en landen met een huis en 7 morgen land als onderpand. Locatie: Oosteinde zuidzijde; O: Crijn Danielsz; Z: Vliet; W: Aeltgen Jansdr (moeder van de koper), weduwe van Gerrit Dircxz; N: Heerweg


Datum decreet;  1602-11-05

Namen eigenaren Jan van Soutelande,procureur Hof van Holland;Jacob Andriesz,plaatsvervangend secretaris van Delft als curator van de boedel van Dirck Philipsz van Adrichem, in zijn leven rentmeester van Delft; Adriaen Adamsz van Kerckhove, als voogd van de kinderen van Dirck Philipsz (van Adrichem) en Adriana van Soutelande

Namen kopers Jasper Jacobsz, op de woning van Alckemade te Voorburg

Onroerend- en roerend goed Voorburg, woning met ca. 7 morgen land (Z. de Vliet, N. heerweg)

Uit de tekst maak ik op dat "Adriana van Soutelande" de moeder is van zijn kinderen, maar ik kan het ook verkeerd lezen. Over Adriana heb ik echter niets kunnen vinden. 



dinsdag 22 april 2025

Johanna Catharina de Roo-Vitjeroo

Ik schreef al eens eerder iets over Johanna Catharina Vitjeroo, een zus van mijn betovergrootvader Johannes van Adrichem, maar ik vind dat ze ook wel een eigen post verdiend, ondanks dat ik niet zo veel over haar weet. 

Ommerschans

Johanna Catharina Vitjeroo's geboorte begint al bijzonder. 

Haar moeder Hendrikje Vitjeroo, geboren in Leeuwarden, bruine haren, blauwe ogen, rond gezicht, slechts 1,42 m lang, trouwde op achtentwintigjarige leeftijd met de in Hoorn geboren Jacobus de Haan. 

Hendrikje was hoogzwanger tijdens de voltrekking van het huwelijk. Drie weken later werd dochter Trijntje geboren. Op 7 februari 1852 wordt het gezin opgepakt vanwege bedelarij en veertien dagen vastgezet. Op 22 februari 1852 werden ze opgezonden naar de Koloniën van Weldadigheid en kwam terecht in de Ommerschans. Hier werden de mannen van de vrouwen en kinderen gescheiden en moesten slapen op aparte zalen. Slechts zes dagen later, op 28 februari 1852 komt de kleine Trijntje te overlijden, nog geen acht maanden oud. Ze werd begraven, net als duizenden anderen in een naamloos graf bij de Ommerschans. Op 9 maart 1852 worden Hendrikje en Jacobus opgezonden naar Veenhuizen, hun dochtertje blijft achter in de koude grond van de Ommerschans. 

Anderhalf jaar later, in november 1854, overlijd ook Jacobus de Haan op drieëndertig jarige leeftijd, Hendrikje als weduwe alleen achterlatend. 

Hier begint het verhaal bijzonder te worden want op 3 augustus 1855 wordt Johanna Catharina geboren in de Ommerschans. Dat is bijna negen maand na de dood van haar moeder Hendrikje's echtgenoot Jacobus. Nog bijzonderder is dat de geboorte van Johanna Catharina niet wordt aangegeven bij de burgerlijke stand. 

Veenhuizen

De geboorte van Johanna Catharina staat echter wel vermeld in het "Handboek der bedelaarsgestichten" van de Ommerschans. Op 3 november 1857 trouwt moeder Hendrikje op vierendertig jarige leeftijd met de achtendertig jarige, eveneens kolonist, Johannes Huibert van Adrichem. Johannes Huibert wil bij dit huwelijk de dan anderhalf jaar oude Johanna Catharina erkennen als zijn dochter, maar dan blijkt dat haar geboorte nooit is aangegeven bij de burgerlijke stand. En dat is een probleem. 

Het duurt ruim een jaar voordat het via de rechtbank in Deventer is geregeld dat Johanna Catharina's geboorte wordt aangegeven, en Johannes van Adrichem haar als zijn dochter krijgt erkend. Maar de achternaam "van Adrichem" krijgt ze niet en ook niet de achternaam "de Haan" wie me echter de meest aannemelijke vader lijkt. Pas op 30 november 1858 krijgt Johanna Catharina de achternaam van haar moeder; "Vitjeroo". 

Maar wie is dan de biologische vader? Het kan de eerste echtgenoot Jacobus de Haan nog zijn, maar dan is hij vlak na de bevruchting overleden. Het kan het resultaat zijn van een vluchtige, misschien niet helemaal vrijwillige relatie. Of is toch Johannes Huibert van Adrichem de vader en was er al sprake van een relatie ten tijde of direct na het overlijden van de eerste echtgenoot Jacobus? DNA testen lijken me de enige mogelijkheid om hier nog achter te komen mochten nabestaanden dat willen.

Intussen heeft Johanna Catharina een broertje gekregen, een zoon geboren uit het huwelijk van Hendrikje en Johannes Huibert van Adrichem. De naam van de pasgeboren baby wordt Johannes. Er volgen uiteindelijk ook nog een broertje Hendrik Wijnandus Arie die ook in de Ommerschans wordt geboren en in Veenhuizen krijgt de zevenjarige Johanna Catharina er nog een zusje bij, haar naam is Gerhardina, roepnaam Geerdjen.

Het gezin doet het goed op de Ommerschans, wordt na goede arbeid ontslagen om vervolgens weer in armoede te vervallen. En om na het vragen om een aalmoes aan de veldwachter vervolgens weer met het hele gezin opgezonden te worden naar de Koloniën van Weldadigheid. Johanna Catharina is achttien jaar als ze uiteindelijk voor de laatste keer de kolonie verlaat met haar ouders, broers en zusje. 

Het gezin gaat wonen in Hellendoorn om te werken in de textiel. Daarna verhuist het hele gezin naar Hilversum waar Johanna Catharina haar toekomstige man ontmoet. Ze trouwt op 1 juni 1876 met de in Leiden geboren Abraham de Roo. Johanna Catharina is op dat moment weefster en Abraham wever. Mogelijk hebben ze elkaar in de fabriek leren kennen, al staat Abraham ten tijde van het huwelijk nog wel ingeschreven als inwoner van Leiden en niet als inwoner van Hilversum. Het huwelijk wordt in Leiden ook aangekondigd. In 1877 wordt de eerste zoon geboren van Johanna en Abraham, zijn naam is Stephanus Johannes de Roo. 

Johanna Catharina's (stief)vader Johannes Huibert van Adrichem overlijd in 1878 op negenenvijftig jarige leeftijd in Hilversum. Moeder Hendrikje blijft alleen achter met de jongste twee kinderen; Hendrik, op dat moment negentien jaar oud en Gerhardina, veertien jaar oud. 

Op 9 mei 1879 overlijd het eerste kindje van Johanna Catharina en Abraham, de tweejarige Stephanus Johannes in Hilversum, maar het gezin staat op dat moment geregistreerd als inwoners van Haarlem, zijn overlijden is ook in Haarlem geregistreerd. Mogelijk waren ze op bezoek bij moeder Hendrikje die in Hilversum woonde op dat moment.

Abraham en Johanna Catharina wagen een grote stap en gaan met z'n tweeën in Duitsland op zoek naar werk in de textielindustrie. Mogelijk is er in Nederland niet voldoende werk meer voor ze. De reis duurt nu tweeënhalf uur met de auto over de snelweg, toendertijd een afstand van minstens vierenveertig uur lopen. Mogelijk hebben ze ook deels met een kar of trein afgelegd, maar in elk geval het was een flinke afstand in die tijd, een reis van meerdere dagen.

Ze komen terecht in Ochtrup, waar Johanna Catharina op 8 juli 1880 weer van een zoon bevalt, ook hij krijgt de naam Stephanus Johannes de Roo. Op 24 maart 1883 komt in het Duitse Eschendorf opnieuw een zoon ter wereld. Zijn naam is Johann Martin Hubert de Roo. En in het eveneens Duitse Rheine wordt de laatste zoon Wilhelm Friedrich de Roo op 24 april 1885 geboren. 

Johanna Catharina's moeder Hendrikje woont tijdelijk in Rheine bij het gezin van haar dochter en schoonzoon. Ook Johanna Catharina's broer Johannes van Adrichem en zijn vrouw Judith Langkamp woont voor een tijd met zijn gezin in Rheine. Waarschijnlijk werken ze allemaal in de textielindustrie. Mogelijk dat er hier meer werk in de textielindustrie. De familie van Adrichem is duidelijk een familie zonder vaste roots. Het gezin en alle kinderen met hun gezinnen trekken makkelijk van de ene naar de andere plek op zoek naar een beter leven. Van Ommen en Veenhuizen via Hilversum, Hellendoorn, Groningen, Nederlands-Indië, Rheine, Eschendorf, Ochtrup en alle andere plaatsen waar ze geprobeerd hebben om zich te vestigen om uiteindelijk in Enschede terecht te komen.  

Voor Johanna Catharina komt het echter nooit zo ver. De jonge moeder overlijd op 29 september 1890 in Rheine. Ze werd maar vijfendertig jaar oud. Oudste zoon Stephanus Johannes is dan negen jaar oud, Johann Martin Hubert is zeven jaar oud, de jongste zoon Wilhelm Friedrich is nog maar vijf jaar oud. Abraham blijft alleen achter, vierendertig jaar oud en een weduwnaar met drie jonge zonen. Johanna Catharina's moeder Hendrikje Vitjeroo zal vermoedelijk de zorg van de kinderen op zich hebben genomen, zij is dan nog woonachtig in Rheine. Hendrikje is dan zevenenzestig jaar oud en haar gevorderde leeftijd zal het zorgen er niet makkelijker op hebben gemaakt. 

In 1901 woont moeder Hendrikje Vitjeroo echter weer in Hilversum. Geen idee waarom ze in haar eentje weer die kant op is gegaan, er is niets of niemand meer van haar gezin die op dat moment nog in Hilversum woont. Zoon Johannes woont in Nordhorn, dochter Gerhardina waarschijnlijk ook, zoon Hendrik zit zelfs helemaal in Nederlands-Indië. Hendrikje woont aan de Bodemanstraat 33 samen met ene Geertruida de Wit. 

Ik heb geen tweede huwelijk van de achtergebleven echtgenoot Abraham gevonden. Het moeten zware jaren voor Abraham zijn geweest, lange werkdagen en ook nog de kinderen alleen opvoeden. En dan gebeurd het ergst denkbare; vader Abraham overlijd op 16 november 1896 in Eschendorf, slechts veertig jaar oud. De zoons zijn dan zestien, dertien en elf jaar oud. De kinderen werkten mogelijk zelf ook al in de textielfabriek, niet ongewoon in die tijd. 

Johanna Catharina's oudste broer Johannes van Adrichem wordt voogd van de drie jongens. Ik heb echter niet kunnen vinden of de jongens bij hun oom Johannes van Adrichem en tante Judith Langkamp en hun nog groeiende gezin zijn gaan wonen of dat ze mogelijk in een weeshuis o.i.d. terecht zijn gekomen, al was de oudste zoon er misschien al wel te oud voor. 

Ik ga er van uit dat de jongens een paar jaar bij het gezin van oom Johannes van Adrichem zijn gaan wonen. Het gezin vertrekt rond de eeuwwisseling naar Enschede waar het gezin uiteindelijk definitief blijven wonen. Moeder Hendrikje blijft in Hilversum waar ze in 1913 in haar eentje op negentachtigjarige leeftijd in de Bakkerstraat overlijd.

Bakkerstraat Hilversum

De zoons van Abraham en Johanna Catharina blijven ook allemaal in Enschede wonen waar ze trouwen, kinderen krijgen en ook overlijden. Ik hoop ooit op contact met de nabestaanden van de familie de Roo. Ik ben zo benieuwd of ze weten hoe het leven van de drie zoons de Roo is verlopen na het jonge overlijden van hun ouders. Tot die tijd probeer ik verder te zoeken in de archieven naar de levens van de jongens in de hoop het plaatje van die verschrikkelijke tijd na het verlies van beide ouders compleet te krijgen.

Textielstad Enschede


dinsdag 11 maart 2025

Bekende familieleden deel II

Lang geleden, zo rond 2005, zag ik op TELEAC het programma "Verre verwanten". Een bekende Nederlander en een onbekende Nederlander kregen steeds verhalen te zien over hun voorouders en aan het eind van de aflevering kregen ze te horen wie hun voorouders waren. In het geval van de bekende Nederlander was het een onbekende Nederlander en de onbekende Nederlander stamde af van een bekende Nederlander.  Dit programma was de aanleiding voor mij om mijn stamboom uit te zoeken, nadat ik in aflevering drie de naam van Adrichem tegenkwam. 

De uiteindelijk bekende voorouder van de onbekende Nederlander bleek in die aflevering Maerten Harpertsz Tromp te zijn. 

Maerten Harperts Tromp

Maerten Harpertsz Tromp is geen bloedverwant, maar zijn schoondochter en ik delen dezelfde voorouder.

Maerten Harpertsz Tromp, de bekende zeevaarder, werd geboren in Brielle. Hij sneuvelde in 1653 bij de Slag ter Heijde en werd begraven in Delft. In de Oude kerk te Delft is zijn enorm grafmonument te vinden. 

Maerten trouwde drie keer en kreeg tien kinderen. Zijn oudste zoon was Harpert. 

Harpert werd in Rotterdam geboren in 1627, zijn moeder was Dignom Cornelisdr. de Haes. Zij overleed al op drieëndertig jarige leeftijd. Waarna hij hertrouwde, maar ook zijn tweede vrouw overleed op de jonge leeftijd van zesendertig jaar. Hij trouwde nogmaals en met zijn derde echtgenote kreeg Maerten nog eens zes kinderen waarvan er drie jong overleden.

Harpert Maertensz Tromp

Zoon Harpert trouwde met Magdalena Jacobsdr. van Adrichem. Harpert studeerde rechten in Leiden, waarna hij de titel Mr. mocht dragen. Hij was Heer van Voorburg, schepen van Delft, maar ook burgermeester van Delft in 1674, 1675, 1682 t/m 1688. Hij was kapitein in het leger, maar ook was hij kerkmeester van de Nieuwe en Oude kerk te Delft. Harpert overleed in Delft op 4 mei 1691. Hij werd begraven in de Oude kerk net als zijn vader. Hij had maar liefst achttien lijkdragers. 

Sara van der Graeff
Jacob Adriaensz van Adrichem

De uit Delft afkomstige Magdalena van Adrichem werd gedoopt op 18 juni 1639 en overleed in Delft op 17 november 1684. Haar ouders waren Meester Jacob Adriaens van Adrichem en Sara Jacobsdr. de Graeff. Jacob is een nazaat van de Delftse Burgermeestersfamilie van Adrichem waar ik al eerder over schreef. Jacob studeerde rechten in Leiden en mocht zich na zijn studie Meester in de rechten noemen. 

Magdalena van Adrichem trouwde met Dirk van Beresteyn, hij overleed echter binnen een jaar na hun huwelijk. Hierna trouwde Magdalena met Harpert Maartensz Tromp. Het echtpaar woonden aan de westzijde van de Oude Delft in "de Papegaay", maar het stel bezat meerdere huizen. Bij het overlijden van Harpert bevonden zich in die huizen samen ruim 350 schilderijen, ook een deel uit de nalatenschap van zijn vader. Het geeft wel aan dat een erg rijke familie was. 

Magdalena Jacobsdr. van Adrichem

Harpert en Magdalena kregen samen negen kinderen: 
  1. Sara Harperts Tromp; Zij werd gedoopt op 19 september 1655 in Delft. Ze trouwde met Casper van Kinschot en overleed op 18 april 1711 in Delft. 
  2. Dina  Harperts Tromp; Zij werd gedoopt op 6 oktober 1657 in Delft. Ze trouwde met Thomas Duijst van Beresteyn, Heer van Maurik. Ze is overleden op 31 oktober 1699, op 42 jarige leeftijd. 
  3. Maarten Harperts Tromp; gedoopt op 14 april 1659 te Delft. Hij trouwde Catharina Beijer. Met Maarten stierf het geslacht Tromp in mannelijke lijn uit.
  4. Jacob Harperts Tromp; gedoopt 8 maart 1661 in Delft. Hij stierf vier jaar later op 10 november 1665.
  5. Johanna Harperts Tromp; Gedoopt op 26 september 1662 in Delft.  Ze huwde Johan van Voorburg en stierf op 27 jarige leeftijd op 14 augustus 1690.
  6. Dirk Harperts Tromp; geboren op 13 september 1665 in Delft. Hij is op vijfjarige leeftijd overleden. 
  7. Margarteha Harperts Tromp; Zij is gedoopt op 9 juli 1668 in Delft. Ze trouwde met Nicolaas Kien. Margaretha overleed op 13 februari 1705 in Amsterdam. Zesendertig jaar oud.
  8. Alida Harperts Tromp; Alida werd gedoopt in Delft op 3 november 1671. Nadat haar zus Dina overleed, kreeg Alida een onwettig kind van haar zwager Thomas Duijst van Berensteyn. In die tijd mocht je niet trouwen met de zuster van je overleden vrouw,. Het kind, die de naam Paulus Gijsberti kreeg, was dus een bastaard en werd gedoopt in Amsterdam. Alida is overleden op vier april 1703 in Amsterdam op 31 jarige leeftijd. 
  9. Jacoba Harperts Tromp; gedoopt 9 juni 1677. Zij trouwde met Johan Willem Groelaert, heer van Surester en na zijn overlijden met Johan Hibelet. Jacoba overleed op 20 augustus 1762 in Den Bosch.





dinsdag 18 februari 2025

Christianus Crucius Adrichomius

Over de Delftse burgermeesters familie van Adrichem aan wie ik zijdelings verwant ben is er nog meer te vertellen. 

Ditmaal wederom over een zoon van de Delftse burgermeester, Adriaen Claesz van Adrichem en zijn vrouw Bartha Corssen van Vliet. Adriaen was naast burgermeester ook korenkoper en brouwer in brouwerij "'t Dubbele Cruijss" te Delft. Over zoon Claes en Adriaen schreef ik al eerder.

Brouwerij ""t Dubbele Cruijss" te Delft

Dit keer is zoon Christiaen aan de beurt. Christiaen werd geboren in Delft op Valentijnsdag 14 februari 1533 in de brouwerij van zijn vader, "'t Dubbele Cruijss". Vader Adriaen Claesz van Adrichem schrijft in zijn familie aantekeningen over de geboorte van zijn zoon; 

Int jaer ons Heren XVc ende driendoertich, tjaer ingaende op die
jaersdach, doen woerde gheboren Coersteiaen Adriaensz., mijn twiede
kynt, op synte Valentijnsdach ende was op een vrijdach smoerghens
voir vijf uren op den XIIII in februario ende sijn peeten sijn
gheweest Claes Coernelisz. sijn oem van Delfgaeu ende gaf hem tot
sijn pylleghyeft XXXII stuwers ende sijn oem Henrick Coerssen opt
Wout ende ghaf hem tot sijn pilleghyft XXXII stuwers ende sijn
moetgen Trijntghen Ariaen Allertsz. huysvrou ende gaf tot sijn
pylleghyft XLII stuwers.
Obiit tot Coelen den 20en junii anno 1585 wesende 52 jaer oudt.

Christiaen was het tweede van de in totaal elf kinderen, van wie er een zusje, Machteld, maar één dag oud werd. De tweede zus, ook Machteld genoemd, overleed na zes weken. Er waren overigens nog twee dochters met de naam Machteld, zij werden resp. 62 en 79 jaar oud. Alle dochters werden vernoemd naar de moeder van Adriaen Claesz. van Adrichem, waarschijnlijk speelde zij een belangrijke rol in het leven van de familie. 

Toen Christiaen negen jaar was overleed zijn drie jaar oudere broer Claes op slechts twaalfjarige leeftijd. Claes werd begraven in de Oude kerk van Delft. Christiaen werd hiermee het oudste kind van het gezin. Vader Adriaen schreef hierover; 

Op den XXIIIIen dach in februario anno XVc ende XLII op synte
Matijsdach, het jaer ingaende op jaersdach, doen stoerf Claes
Adriaensz. op en saterdach, mijn eerste kynt, ende was out XII jaer
ende VI weken ende eenen dach ende leyt begraven in de Oude Kerck. 

Op 30 mei 1551 wordt de jongste zus Machteld van het gezin geboren. Als oudste broer, Christiaen is dan achttien, is hij getuige bij de doop van zijn zusje. Hij geeft zijn pasgeboren zusje een zogenaamde "pillegyft", een gewoonte in die tijd. Het is een geschenk van de doopheffers aan hun petekind. Kort daarop vertrek Christiaen naar de Universiteit van Leuven waar hij theologie gaat studeren.  

De neef van zijn moeder Baertge, Martinus Dorpius (Latijn voor Maarten van Dorp) was een beroemde theoloog. Mogelijk heeft Christiaen hier zijn interesse voor theologie vandaan. Martinius was hoogleraar aan de Universiteit van Leuven en bevriend met Desiderius Erasmus. Martinus Dorpius overleed echter in 1525, al voor de geboorte van Christaen. Erasmus schreef het grafschrift van Martinus Dorpius.

Universiteit van Leuven

De studenten theologie aan de universiteit van Leuven waren in de zestiende eeuw zowel theologen als (toekomstige) priesters. Er bestonden voor priesters in die tijd nog geen aparte seminaries. Halverwege de zestiende eeuw waren er zo'n vijfentwintig tot dertig studenten theologie op de universiteit. 

De studenten konden vier verschillende graden krijgen, vergelijkbaar met de Bachelor, Minor, Major en Master van nu. Voor de Baccalaureus Biblicus was de studietijd zo'n vijf jaar. De Baccalaureus Sententiarius, waarvan de studietijd één jaar was. Voor de Baccalaureus formatus stond ook één jaar studietijd en de Baccalaureus Licentiatus had een studietijd van ruim vier jaar, zodat de meeste studenten alleen de eerste drie graden haalden vanwege de zware tijdsinvenstering. Christiaen heeft waarschijnlijk alle graden behaald want hij doet ruim tien jaar over zijn studie. De eerste jaren volgden de studenten alleen de lessen. Na het Baccalaureus Biblicus dienden de studenten zelf ook commentaren te schrijven en mochten ze actiever aan de lessen deelnemen. 

Christiaens vader Adriaen overlijdt in 1560 en Christiaen wordt de eigenaar van twee morgen land (een morgen is net iets minder dan een hectare) in de Lier, dichtbij Naaldwijk, waar zijn moeder vandaan kwam.

Op 2 maart 1561, Christiaen was toen achtentwintig jaar oud, werd hij tot priester ingewijd. Hij gebruikte voortaan de Latinisering van zijn naam; Christianus Crucius Adrichomius. Waarbij Crusius komt van de brouwerij waar hij opgroeide, "t Dubbele Cruijss". 

"Christum sequere" was zijn lijfspreuk. Waarvan ik denk dat het zoiets als "Christus volgend" betekend. 

Sint Barbaraklooster te Delft

Op 15 augustus 1566 werd hij tot pater, rector en biechtvader geïnstalleerd van het Sint Barbaraklooster op de Oude Delft. In het begin van de 80 jarige oorlog, zo rond het najaar van 1572, wanneer de Geuzen Delft in nemen, vlucht Christiaen naar Utrecht. In die tijd overlijdt ook zijn moeder Baertgen in januari 1575, op drieënzestigjarige leeftijd. 

In 1578 vertrekt Christiaen naar Mechelen waar hij zijn eerste theologisch werk "Vita Jesu Christi ex quattuor Evangelisitis breviter contexta" uitbracht.


Tenslotte vertrekt Christiaen wederom. Rond 1580 gaat hij naar Keulen, waar hij rector van het Augustinessenklooster "Groot Nazareth" wordt. 

Dertig jaar lang deed Christiaen onderzoek naar de overblijfselen van het oude Jeruzalem en het Heilige Land, waar hij overigens zelf nooit is geweest. 

In 1585 kwam het eerste deel van zijn Topografie van Jeruzalem uit. (Zie deze link voor een deel van de topografie). Op de kaarten is ook het familiewapen van de familie van Adrichem te zien, de omhoog kruipende slang. 

Pas vijf jaar na zijn dood, in 1590, werd zijn tweede werk; "Theatrum terrae Sanctae et Biblicarum Historiarum" in zijn geheel uitgebracht door Georg Braun. Het boek geeft een beschrijving van Palestina en het oude Jeruzalem in twaalf topografische kaarten, en een chronologie van Adam tot de dood van Johannes de Apostel. De kaarten bevatten o.a. de locaties van historische gebeurtenissen uit de bijbel en is daarmee niet zozeer topografisch maar eerder spiritueel. 

Ruim dertig jaar heeft Christiaen talloze oude boeken en kaarten bestudeerd. De werken waarop hij zijn boek heeft gebaseerd, zijn inmiddels allemaal verloren gegaan, juist daarom is het werk na ruim vierhonderd jaar nog steeds zo belangrijk.

Zijn boek werd in vele Europese talen vertaald en herdrukt en is nog steeds in tal van nationale archieven en musea te vinden. De kaart van Jeruzalem hangt ook prominent aan de muur van de eetkamer van het prestigieuze vijf sterren hotel "King David" in Jeruzalem, met rechts in de bovenhoek van de kaart de naam en het familiewapen van de familie van Adrichem. Best bijzonder vind ik!

detail van een van de topografische kaarten van Christiaen

Op 20 juni 1585 overlijd Christiaen in Keulen waarna hij in de kloosterkerk wordt begraven. Hij is dan tweeënvijftig jaar oud. Een deel van zijn grafschrift luidt "in het dertiende jaar van zijn ballingschap om wille van het geloof ondergaan". 

Zijn boek staat inmiddels op mijn verlanglijstje, maar met prijzen van in de duizenden euro's moet ik er nog wel even voor sparen....


Meer informatie over Christiaen vind je HIER.