woensdag 20 december 2023

Arbeidseinsatz in Kiel

Mijn opa, Johannes (Johan) Cornelis ten Barge was 25 jaar toen hij tijdens de tweede wereldoorlog te werk gesteld werd in Duitsland. Hij kreeg net als vele andere mannen een oproep voor de arbeitseisatz en moest zich melden. In de zomer van 1942 werd hij met vele andere jonge mannen vanuit Winterswijk en vele andere plaatsen in Nederland op de trein gezet richting Kiel, Duitsland. Eerste halte was in Bentheim waar de mannen zich moesten melden. 

Johannes Cornelis ten Barge

Mijn opa Johan kwam in lager Flintbek terecht, tien kilometer buiten Kiel. Een klein kamp waar plaats was voor zo'n 500 personen. Het lager bestond uit o.a. elf houten woonbarakken die bestonden uit drie kamers waar elk achtien personen konden slapen in negen stapelbedden. In het midden van elke barak stonden een grote kachel en twee houten tafels met houten banken en een paar kasten. Het merendeel van de mannen die in Flintbek zaten bestonden uit Nederlanders samen met enkele Belgen. 

Barakken te Flintbek

Mijn opa moest aan het werk bij DWK (Deutsche Werken Kiel) op de scheepswerf, vermoedelijk als lasser. Het bedrijf was een van de vele scheepswerven in Kiel die in groot tempo schepen maakten voor de oorlogsstrijd. Na 1944 maakte DKW voornamelijk secties voor onderzeeërs van het type XXI. In Hamburg en Weser werden de onderzeeërs vervolgens in elkaar gezet. 

Vanuit het lager Flintbek liepen de dwangarbeiders elke dag naar het station om met de trein naar Kiel te worden vervoerd. Een wandeling van een kwartier. Waarna je in Kiel vanuit de haven met een bootje naar de scheepswerf werd gebracht. 

Aangezien de Nederlanders en Belgen als mede "Germanen" niet echt als vijand werden gezien waren de lagers niet omheind en konden ze het kamp gewoon in en uit. Zo mocht je op bezoek bij familie en kennissen in andere lagers in de buurt. Ook werden er regelmatig variété avonden georganiseerd uiteraard met toestemming van de lagerführer. In 1943 hadden de mannen het weekend nog vrij, dat zou later veranderen. 

Plattegrond van de Barak door P. van Eekelen

Eten moest je ophalen in de kantine, waar je in een lange rij moest wachten. Het eten nam je mee terug naar je barak waarna je het zo snel mogelijk op at zodat je nog kon proberen of je nog een tweede keer in de rij kon gaan staan in de hoop dat er nog wat eten was. Het eten in het lager was in het begin niet slecht maar werd slechter naarmate de oorlog vorderde. Koolraap en koolsoep stonden bijna standaard op het menu volgens een van de voormalige dwangarbeiders, Petrus van Eekelen, destijds 20 jaar. Hij zat tegelijkertijd als mijn opa in het lager. In een brief die hij in 1993 schreef over zijn tijd in Flintbek verteld hij over zijn twee jaar in het kamp. "Nadat we onze kast hadden ingepakt, moesten we nog het bed opmaken. Deze bestond uit een matras en een deken. De matras was een blauw-wit gestreepte hoes die je moest vullen met stroken papier, en daar hebben we twee jaar op geslapen."

In de winter was het in de barakken erg koud ondanks de kachel. De kolen waren op rantsoen en 's avonds kropen de mannen zo dicht mogelijk bij de kachel. Ook hadden de mannen last van een luizenplaag, zo hardnekkig dat uiteindelijke iedereen ontluisd moest worden en overgebracht moesten worden naar een ander kamp zodat de barakken ook behandeld konden worden. Maar dat hielp maar voor korte duur door het gebrek aan hygiëne. 

Bron: http://zwangsarbeiter-s-h.de/

Het saamhorigheidsgevoel was erg belangrijk in de kleine barakken. Samen probeerden ze de moed er in te houden al werd het steeds lastiger naarmate de oorlog langer duurde. Ook het in ongewisse zitten over je thuisfront was zwaar. Er werd wel post gestuurd naar huis, maar niet alles kwam aan en het duurde erg lang voor er bericht of pakketten terug kwam. Ook werd er gecensureerd, over de voortdurende angst voor luchtaanvallen kon je niet vertellen. Het bleef een oppervlakkige correspondentie. 

Onderstaande foto heeft mijn opa naar huis gestuurd. Een deel van de mannen uit zijn barak staan op de foto. Er was eigenlijk alleen contact met de achttien mannen in de kamer onderling. Daar woonde je twee jaar lang mee in één kamer. De mannen uit de andere kamers en barakken kenden elkaar eigenlijk niet. Bron: https://www.akens.org/akens/texte/info/28/37.html



Bovenstaande foto is gemaakt voor de barak in Flintbek. Volgens mijn opa staan v.l.n.r. op de foto; Johan ten Barge (Winterswijk), Piet Last (Kampen), Hendrik Harbers (Winterswijk), Jan Lagerwerf (Oud-Beierland), Karst Vaatjes (Rotterdam).

tekst op de kaart, geschreven door mijn opa

De foto moet voor mei 1943 zijn genomen. Bij een Amerikaanse luchtaanval op de werf op 14 mei 1943 raakt Jan Lagerwerf gewond aan o.a. zijn borst. Hij overlijd aan de gevolgen van het bombardement op 39 jarige leeftijd. 

DWK werd voor driekwart verwoest op 14-5-1942. Op de achtergrond de restanten van de Kruiser Admiraal Hipper

Kiel heeft het in de tweede wereldoorlog zwaar te verduren gehad door de bombardementen van de geallieerden. Er vielen meer dan 500.000 brandbommen, 900 luchtmijnen 40.000 springbommen. In Kiel werd gewerkt aan de bouw van schepen en onderzeeërs voor de oorlogsstrijd en was daardoor een doelwit voor de bombardementen van de geallieerden. 
Bij het bombardement op 14 mei 1943 vielen er 500 slachtoffers waaronder enkele (Nederlandse) dwangarbeiders. Jan Lagerwerf, die bij mijn opa op de foto staat was helaas een van de slachtoffers. In totaal zaten er zo'n 2500 dwangarbeiders in en rondom Kiel gevestigd. 

Na het bombardement van mei 1943 was driekwart van de werf verwoest. 
In het boek "Als ik dat geweten had" van Jaap de Vlieger las ik over de bijna dagelijkse bombardementen op Kiel en omgeving. Ook de lagers worden regelmatig gebombardeerd. Uren zaten de mannen soms in de schuilkelders. Omdat de scheepswerven grotendeels verwoest werden en werken bijna onmogelijk was geworden, werden de dwangarbeiders veel ingezet om puin te ruimen, doden te bergen en de straten begaanbaar te maken in Kiel. 
Uiteindelijk viel er niet zo veel meer te bombarderen in Kiel. Zo'n 80% van de stad is na de oorlog verwoest. Het laatste bombardement was op 3 mei 1945


Op 5 mei 1945, werd Kiel bezet door de Engelsen en eindigt de dwangarbeid voor mijn opa. In het eerder genoemde boek "Als ik dat had geweten" van Jaap de Vlieger staat dat de dwangarbeiders niet meteen naar huis mochten. Pas na drie weken kregen ze toestemming om naar huis terug te keren. Een reis die zo'n vijf dagen duurde, ter voet, per auto en per trein. 
Bij aankomst in Nederland moesten de mannen nog ontluisd en medisch onderzocht worden. Niet alle dwangarbeiders kregen een warm welkom bij terugkeer. Ook hadden vele psychische klachten door de angst voor de nazi's, de dreigende bombardementen en de onzekerheid over het thuisfront. 

In 1946 is mijn opa van Winterswijk naar Enschede verhuisd waar hij uiteindelijk mijn oma heeft ontmoet. 


Het barakkenkamp in Flintbek werd geleid door lagerführer Heinrich Möller, uit Flintbek afkomstig.  Mijn opa raakte bevriend met Heinrich en heeft altijd contact gehouden met de kampleider. Hij kan geen slechte vent zijn geweest. Mijn opa is samen met mijn oma in elk geval één keer naar Kiel terug geweest waar hij ook een bezoek heeft gebracht aan Heinrich Möller en zijn vrouw Anne-Marie. Aan onderstaande foto's te zien is het een hele gezellige ontmoeting geweest. 

Opa en Oma in Kiel bij de fam. Möller




Mijn oma en Heinrich Möller

Heinrich Möller en zijn vrouw zijn zelfs nog op de bruiloft van mijn ouders geweest. Op de foto die na de ceremonie in het stadhuis is gemaakt staan ze als tweede vreemden tussen de ouders, broers en zussen van de bruid en bruidegom. Lang heb ik niet geweten wie die twee mensen op de foto waren. 

Misschien heeft mijn opa ze voor de bruiloft uitgenodigd (mijn ouders in elk geval niet) en hoewel het niet de bedoeling was, zijn ze de hele dag gast geweest op de bruiloft. Heel bijzonder, de lagerführer van je vader op je bruiloft... Mijn ouders hebben met mijn geboorte zelfs nog een felicitatiekaart van ze gehad. 


Helaas overleed mijn opa vier weken na mijn geboorte op 63 jarige leeftijd en heeft hij mij nooit zelf kunnen vertellen hoe het voor hem was in Kiel. Onlangs is de Collectie Arbeidseinsatz gedigitaliseerd en zo heb ik met behulp van boeken en de brieven van Petrus van Eekelen zo goed mogelijk geprobeerd die periode uit het leven van mijn opa te reconstrueren. Het moet een periode zijn geweest die zijn sporen heeft nagelaten in het leven van mijn opa.

maandag 27 november 2023

Verlanglijst

Het is bijna december, een tijd waarin de cadeaus je om de oren vliegen. Ook ik heb een verlanglijstje, alleen dan niet met cadeaus maar een verlanglijst wat betreft mijn stamboomonderzoek. Er zijn een aantal dingen die ik maar niet kan vinden tot mijn grote frustratie. Dingen die ik zo graag wil weten, ik heb ze hieronder genoteerd. Mocht iemand dit lezen en informatie voor me hebben dan hoop ik dat ze zich bij mij melden, dat zou dan een prachtig december cadeau zijn! 

  1. Ik probeer er achter te komen wie de vader was van Johannes van Adrichem (1793-1863) en zijn tweelingbroer Wijnandus Josephus (1793-1794). Bij Johannes' inschrijving in het Franse leger geeft hij als achternaam Buchet, de achternaam van zijn doopgetuige Wijnandus Jospehus Buchet. Ik heb mijn vaders Y-DNA laten testen en de meeste matches dragen de achternaam Munro. Is de Schotse Andrew Munro, een in Rotterdam woonachtige stadsarchitect de vader? Qua datum en leeftijd kan het, hij is mijn meest waarschijnlijke kandidaat tot nu toe.
  2. Er achter komen waar Joseph Fietjero (Vitjeroo, Fietjeroo, Fitiero, Fitjero, Tetjero, Fitsero, Fitero of een van de andere spellingsvarianten) oorspronkelijk vandaan komt. Hij kwam als soldaat uit het tweede bataljon van Colonel de Schepper, voor het laatst gelegerd in Harlingen, aan in Leeuwarden waar hij trouwde met Catharina Ombach. Dit is de eerste vermelding die ik van hem kan vinden. Zijn stamboek is helaas niet meer te vinden. Hij kon niet schrijven dus zijn achternaam is waarschijnlijk fonetisch. Komt het van het Franse Figerou? Dat lijkt me naar lang onderzoek het meest aannemelijk. Joseph bleef woonachtig in Leeuwarden maar mogelijk wel als soldaat want hij overleed in Haarlem in 1805 aan de Pleuris, 48 jaar oud. 
  3. De sterfdatum en -plaats van Frederik van Adrichem (geb. 6-11-1887, Enschede). Hij was de oom van mijn opa, die ook naar hem vernoemd is. In 1917 vind ik nog een bericht in de krant dat hij bij de Landstorm zit, hij is dan 30 jaar oud, daarna ontbreekt elk spoor. Geen huwelijk, geen kinderen, geen overlijden. Mogelijk overleed hij in Duitsland maar ook van een evt. verhuizing kan ik niks vinden. Hij lijkt in het niets te zijn verdwenen. 
  4. Een foto van Johannes Antonius Mölders en zijn vrouw Anna Christina Frenken. Zij zijn mijn betovergrootouders en de enige betovergrootouders waarvan ik geen foto heb kunnen vinden. Ze stierven in 1948 en 1934 in Lichtenvoorde en Winterswijk, maar woonden daarvoor in Bredevoort. Daar moeten toch foto's van zijn? Ook van hun dochter Johanna Antonia Mölders heb ik maar twee foto's. Ik ben zo benieuwd hoe ze er uit zagen omdat ik volgens mij het meest lijk op die kant van de familie. 
  5. Er achter komen of Johannes Houter daadwerkelijk geboren is in Bern, Zwitserland. Ook hij was soldaat. Mijn voormoeder Johanna Elisabeth Houter werd geboren in Veere. Maar een huwelijk van haar ouders heb ik niet kunnen vinden. De DTB boeken van voor 1788 zijn in de WOII verloren gegaan. Een volgende zoon, Johan David Houter werd geboren in Geertruidenberg (van hem ook geen spoor meer te vinden) waarbij vermeld staat "alhier in garnizoen". Als getuige staat vermeld Rosina Houter (moeder, zus?) en Johan David Boller. De zes kinderen daarna werden allen geboren in Rotterdam. Bij zijn overlijden in 1820 in Rotterdam wordt vermeld dat zijn geboorteplaats Bern is. Is dit Bern, Zwitserland? Ik kan hem in geen enkel Stamboek vinden (deze zijn ook niet compleet), alle mogelijke naamvarianten geprobeerd. Ook kan ik geen regiment vinden die op alle juiste (geboorte)plaatsen op de juiste (geboorte)data is geweest. Misschien toch maar eens naar Bern afreizen om te kijken of ik daar in het archief iets kan vinden.
  6. Ik zou graag een foto vinden van mijn oudmoeder Hendrikje Vitjeroo, mijn favoriete voorouder. Volgens de beschrijvingen moet het een klein opdondertje zijn geweest (1,40 m) die heel wat voor haar kiezen heeft gekregen in haar leven. Op haar 23e zwierf ze al bedelend door Nederland. Haar man (33 jaar) en dochter (8 mnd) stierven jong in de Ommerschans. Daar heeft ze met tussenposes 30 jaar gezeten en is daar opnieuw getrouwd en heeft er vier kinderen gekregen. Kinderen die niet allemaal op het rechte pad bleven. Haar jongste zoon werd er voor straf naar Nederlands-Indië gestuurd, stichtte daar een gezin en kwam nooit meer terug, hij overleed in Bandoeng. Haar tweede man overleed op 59 jarige leeftijd. Haar oudste zoon vertrok een maand na het overlijden van zijn vader vrijwillig naar Nederlands-Indië en moest na het plegen van diefstal weer terug en kwam in de gevangenis in Leiden terecht.  De oudste dochter overleed op 35 jarige leeftijd. Ze woonde in Leeuwarden, Hoorn, Amsterdam, Rotterdam, Rheine (Dld), in het armenhuis in Almelo, mogelijk ook in Enschede, Hellendoorn, de Maatschappij van Weldadigheid in  de Ommerschans, Avereest en Veenhuizen waarna ze tenslotte stierf in Hilversum. Een grotendeels zwervend leven vol ellende en armoede steeds maar weer op zoek naar werk en geld voor haar en haar gezin om in leven te blijven. Ze overleed in 1913 in Hilversum, 89 jaar oud, inwonend bij een andere oudere alleenstaande dame. Ik heb bewondering voor haar en haar doorzettingsvermogen om toch door te gaan, een kranig klein mensje stel ik me zo voor. De kans is klein dat er ooit een foto van haar is gemaakt en dat die dan ook nog bij mij terecht komt, maar een mens mag toch blijven hopen! 
  7. Is mijn stamgrootouder Adriaen Claesz van Adrichem (geboren ca. 1410 in Vlaardingen) ook daadwerkelijk een afstammeling van de familie van Adrichem die afstamt van het Huis van Brederode en van Teylingen? De missing link tussen beide families is ondanks pogingen van diverse verre familieleden nog nooit gevonden. 
  8. Zijn mijn voorouders Wolter Jansen (overleden 1736, Gendringen) en Albert Jansen (overleden 1748, Stadtlohn), beide afkomstig uit een familie van scherprechters verwant aan elkaar? Wolter geeft in 1708 aan dat zijn voorouders al meer dan 300 jaar het ambt van beul uitoefenen. Gendringen en Stadtlohn zijn beide grensdorpen en liggen nog geen 50 kilometer van elkaar vandaan. Het is niet ondenkbaar dat ze uit dezelfde beulsdynastie komen, er werd namelijk amper buiten de familie getrouwd en ook qua beroep had je weinig keuze dan beul of vilder te worden. 
  9. Wat is er gebeurd met de kinderen van Tanneke Helleput nadat ze verdronken is in de oude haven in Rotterdam op 30 jarige leeftijd? Wat deed ze überhaupt in Rotterdam terwijl ze in het Zeeuwse Hulst woonachtig was? En wat is er met Pieter gebeurd? Ook hij is nergens terug te vinden...
  10. Was mijn stamovergrootvader Erasmus Sijbrants Molenaar ook echt Molenaar? Hij was zoon van de Noorse Sijbrants Dircks en de Zweedse Engeltie Barents, geboren in de in die tijd bruisende immigranten stad Amsterdam. Hij woonde in Rotterdam toen hij als bosschieter vertrok met de V.O.C. naar Batavia waar hij op 49 jarige leeftijd overleed. Zijn vader Sijbrant was varensgezel en vier van zijn zeven kinderen dragen al ca. 150 jaar voordat achternamen werden ingevoerd door Napoleon, de achternaam Molenaar (Meulenaer of Mulder). Of was vader Sijbrant zelf de meester op een molen?
  11. Wanneer is mijn overgrootvader Herman Jozef de Vries (geboren 5-9-1899, Gronau (dld)) overleden? De gegevens van zijn overlijden zijn nog niet openbaar en in de familie heeft nog niemand mij het antwoord kunnen geven.
  12. Wat is er met mijn voorouder Antonius Jansen (9-5-1799, Stadtlohn (Dld)) die in 1847 naar Philadelphia, Amerika is vertrokken gebeurd? Hij is wel aangekomen in Amerika, maar vanaf daar ontbreekt elk spoor. Ook zijn kinderen hebben hem nooit meer gezien en wisten bij het aangaan van hun huwelijken niet wanneer hun vader was overleden. 
De verlanglijst was langer maar mede dankzij enkele van mijn lezers en verre verwanten hier heb ik toch ook al wat van die lijst kunnen oplossen. Wij weet kan ik ooit nog wat van bovenstaande lijstje afstrepen!
  1. Mijn betovergrootouders Johannes van Adrichem en Judith Langkamp kregen een gezicht dankzij foto's die ik van verschillende familieleden kreeg! 
  2. Ik vond de sterfdatum van Trijntje Kuipers. Ze is verwant doordat ze getrouwd was met de broer van een van mijn voorouders. De vrouw had een bijzonder leven en ik vond haar interessant genoeg om over te schrijven. Jaren heb ik gezocht naar haar met uiteindelijk per toeval de zo lang gezochte sterfdatum gevonden.
  3. Ik vond de Indische tak van de familie van Adrichem! Nog levende nazaten nog niet, maar dat ik nu weet hoe ze er uit zagen vind ik al fantastisch! 

zondag 22 oktober 2023

Het Indisch paspoortarchief

 

Onlangs werden de gegevens openbaar uit het Indisch Paspoortarchief. In het Indisch paspoortarchief zijn de aanvragen te vinden van inwoners van Nederlands-Indië die na de soevereiniteitsoverdracht het land wouden/moesten verlaten. Deze inwoners moesten een Nederlands paspoort hebben, hadden ze dat niet dan moesten ze deze aanvragen. De aanvragen van 1950-1959 zijn nu openbaar gemaakt. Helaas alleen de voorkant van het document en niet de achterkant waar privacygevoelige informatie op staat. 

Tot mijn grote geluk vond ik ook een aantal aanvragen van de Indische tak van de familie van Adrichem waarover ik HIER en HIER al eens schreef. Een tijd terug kreeg ik van iemand een foto toegestuurd waar vermoedelijk Paulina Tessensohn-van Adrichem op stond. Dat vond ik al een fantastische vondst.

Mogelijk Paulina van Adrichem
Nu vond ik ook nog eens de foto's van twee van drie zonen van Hendrik Wijnandus van Adrichem en zijn inlandse vrouw Estie. 

De oudste zoon is Hendrik. Hij kwam met het stoomschip "Waterman" op 19 januari 1958 naar Nederland. Volgens mijn gegevens is hij nooit getrouwd geweest. Zijn overlijdensdatum heb ik nog niet kunnen vinden. 
Opvallend vind ik dat hij de geboortedatum van zijn moeder niet weet. Haar geboortejaar en geboorteplaats zijn voor mij nieuwe informatie. Hendrik geeft aan dat zijn moeder is overleden.

S.S. Waterman

Johanna van Adrichem was de oudste dochter, van haar heb ik geen aanvraag kunnen vinden. Ik weet wel dat ze in 1980 is overleden in Den Bosch. Mogelijk is ze twee keer getrouwd geweest. Ik vond een vermelding van een verloving in 1927 in de krant met Harry Meelhuysen. Een huwelijk heb ik niet kunnen vinden. 


In haar overlijdensadvertentie staat vermeld dat ze weduwe is van L.A. Michael. Ook daar kan ik geen huwelijk of verdere gegevens over de mannen of eventuele kinderen vinden. 
Johanna is op 4 november 1962 genaturaliseerd. 


Het derde kind is Arie van Adrichem. Over hem weet ik eigenlijk niks behalve een geboortedatum. Ik heb gevonden dat hij tot 1935 in een suikerfabriek heeft gewerkt maar van een eventueel verblijf in Nederland, kinderen of een huwelijk of zijn overlijden heb ik niks kunnen vinden. Mogelijk is hij nooit naar Nederland gekomen. 

Het vierde kind is Johan. Johan kwam op 18 april 1958 met de MS "Sydney" naar Nederland. 
(hier bij moeder Estie zelfs geen geboortejaar, maar wel woonplaats bekend, hier leeft ze dus weer?!)

Johan trouwde mogelijk met Berta Wilhelmina Bresser, de weduwe van Gerard van Thiel. 
Een bewijs van een huwelijk heb ik niet kunnen vinden, wel een verloving in 1953. Maar in 1958 komt Johan als ongetrouwde man naar Nederland volgens de gegevens in het archief.

Zowel Johan van Adrichem als Bertha Wilhelmina Bresser overleden in Dodewaard. Op hun beide grafstenen word geen partner genoemd.  Ook van Johan heb ik geen kinderen kunnen vinden.

Van wie ik wel kinderen heb kunnen vinden is van de jongste dochter Paulina van Adrichem. 
Hier ook geen geboorte datum van moeder bekend en ook de geboorteplaats is anders dan de broers aangeven. Moeder Estie is hier ook nog in leven.

Paulina trouwde met Nicolaas Dirk Tessensohn.
Volgens een krantenartikel vertrokken Paulina en Nicolaas samen met twee kinderen in 1934 al naar Nederland. Waarschijnlijk zijn later weer naar Nederlands-Indië gegaan wat ik kom Nicolaas nog een keer aan in 1941 in Nederlands-Indië. Wanneer ze definitief naar Nederland zijn gekomen kan ik niet opmaken uit de gegevens uit het paspoortarchief.



aankomst in Den Haag
Ik vond in het paspoortarchief maar gegevens van één zoon. Deze zoon is geboren in 1933, het andere kind uit bovenstaande krantenartikel is dan waarschijnlijk een ouder kind. Paulina en Nicolaas trouwden in 1928 dus dat is heel aannemelijk. 
Paul Imeldus Deolatus Tessensohn. Paul was ten tijde van de aanvraag een jongeman van 21 jaar jong en had zich net verloofd. 
Zijn verloofde bevond zich nog in Drogheda, Ierland toen Paul verongelukte op 29 november 1954 op zee. Het schip waar hij als tweede machinist werkte verging tijdens een zware storm. Hierbij kwamen alle twaalf de bemanningsleden om. Het schip "Carpo" was met 639 ton Antraciet op weg van Swansea naar Amsterdam toen het in moeilijkheden kwam. Ze hadden mogelijk gered kunnen worden door een Liberiaanse tanker "Casino" die in de buurt was, maar weigerde hulp te verlenen. De kranten stond bol van berichten over de ramp en de nalatigheid van de Duitse kapitein van de "Casino". Het merendeel van de 35 koppige bemanning van de "Casino" keerde zich na de ramp tegen de kapitein. Ze vonden dat de kapitein meer had kunnen doen om de bemanning van de "Carpo" te kunnen redden. In de dagen na de ramp kwamen er melding binnen van aangespoelde lichamen en zo werden uiteindelijk alle twaalf opvarenden geborgen en geïdentificeerd.

Paul werd op 17 december 1954 begraven in Den Haag. 
Gegevens over het tweede kind die in het eerdere krantenbericht werd genoemd heb ik niet kunnen vinden.

Nicolaas Dirk Tessensohn overleed in 1970 in Den Haag. Paulina als weduwe achterlatend. Haar sterfdatum heb ik nog niet kunnen vinden. 

Zijn er geen verdere nazaten meer? Is ook deze tak van de familie van Adrichem uitgestorven? Ik raak steeds meer ontmoedigd dat ik nog nazaten ga vinden. De enige aanwijzingen zijn het genoemde tweede kind in het krantenbericht van 1938 en het feit dat in op Johan van Adrichem's grafsteen staat;

 "Hier rust in Jezus, 
onze lieve zorgzame vrind, oom en broer. 
Johan van Adrichem geb. 
3-12-1906 Overl. 3-2-1971."

Daar maak ik toch uit op dat een van de kinderen van Hendrik en Estie een kind heeft gekregen die in 1971 nog in leven was. 

 Moeder Estie blijft ook een raadsel. Ik hoop dat ze in Nederlands-Indië is achtergebleven bij zoon Arie en ze niet alleen is gebleven terwijl al haar kinderen naar Nederland zijn vertrokken. Ze heeft haar kinderen in elk geval nooit weer gezien. Mogelijk overleed ze in 1958. Dan zou ze een jaar of 84 zijn geworden als het geboortejaar 1874 klopt. Haar man Hendrik overleed al in 1912 aan Cholera. Hij werd maar 51 jaar. 


Stukje bij stukje puzzel in de levens van deze Indische tak bij elkaar. Ik blijf hopen dat er nazaten zijn, zo niet dan hoop ik dat ik ze met deze blogs weer een beetje tot leven weet te brengen zodat ze niet vergeten worden. Hopelijk opnieuw wordt vervolgd!

Oom Johannes en neef Johan. Ik zie toch wel enige gelijkenis. 

maandag 21 november 2022

Adriaen Claasz van Adrichem

Rond 1470 werd in Delfgauw Nicolaes geboren, roepnaam Claes, vernoemd naar zijn opa van vaderskant. Hij was een zoon van Adriaen Claesz en Aeghjen van Crooswijk.

Claes, bouwman van beroep trouwde met Belij Claesdr. Vermoedelijk overleed Belij al jong, mogelijk tijdens de zwangerschap of bevalling. Claes hertrouwde met Machteld Claes Vranckendr van den Bergh. Samen kregen ze vier kinderen. Zonen Philips, Elias en Adriaen en dochter Belij. De achternaam van Adrichem werd toen nog niet gebruikt. Ik stam af van de oudste zoon, Philips.


Adriaen is de jongste zoon, zijn naam ben je misschien in het verhaal over Hugo de Groot al eens tegen gekomen. Deze Adriaen is de pater familias van een invloedrijke familie in Delft. Adriaen werd op 31 mei 1503 geboren in Delft. Hij trouwt met Baertgen Corsse van Vliet op 25 juni 1527 in Delft. Adriaen is dan 24 jaar, Baertgen nog maar 15 jaar. Het stel krijgt maar liefst elf kinderen, waarvan er vier al op jonge leeftijd komen te overlijden.


Delft 1536

In 1536, het stel had toen drie kinderen, was er een grote stadsbrand in Delft. De meeste huizen, die van hout waren, brandden af. Driekwart van de stad werd verwoest. Het gehele gemeentearchief ging in de vlammen op, waardoor er weinig gegevens zijn van voor 1536. Ook Adriaen en zijn gezin zullen slachtoffer zijn geweest van de brand en waarschijnlijk dakloos zijn geworden. Na de brand werd de stad weer opgebouwd, dit keer met huizen van steen.

Delft was rond 1550 dé brouwerij hoofdstad van Nederland. Op het hoogtepunt stonden er meer dan 200 brouwerijen in de stad. In 1554 werd in totaal 77 miljoen liter bier gebrouwen in Delft. Het merendeel was bestemd voor de export. Bier was in die tijd de eerste levensbehoefte van de mens. Drinkwater zoals wij dat kennen was er niet en oppervlakte water was sterk verontreinigd. Wijn was te duur en veel mensen konden niet tegen koemelk. Pas in de 17e eeuw met de oprichting van de VOC gingen mensen koffie, thee en cacao drinken. Voor die tijd werd er voornamelijk bier gedronken, ook door kinderen.

Delft was vanwege zijn ligging en goed bevaarbare kanalen een ideale plek voor de import van graan en de export van bier. Drie keer per week krioelde de grachten dan ook van de kooplieden, graanhandelaren en brouwers die hun waar aan de man probeerde te brengen.



De meeste brouwerijen bevonden zich aan de doorgaande grachten, De Oude Delft, De Nieuwe Delft en de Koornmarkt. In 1600 was het de rijkste buurt van de stad. De erven liepen in die tijd nog van gracht tot gracht. In het voorhuis werd gewoond, in het pakhuis aan de achterkant werd bier gebrouwen. Ook nu nog zijn de oude pakhuizen ter herkennen aan de grote kelderluiken aan de straatkant waar de vaten bier naar binnen en buiten werden gerold.


Brouwerij “Het Dubbele Cruijs” was de enige die destijds te boek stond als gevestigd aan de oostzijde van de Oude Delft (nr. 50-52). Als ‘voorhuis’ van de brouwerij werd genoemd het pand Koornmarkt 65, schuin erachter. Het pand werd na de stadsbrand van 1536 gebouwd op een kelder die nog van voor de stadsbrand stamt. Het was een grote brouwerij, in 1600 telde het acht vuurhaarden, drie eesten (verwarmde roosters om geweekt en gekiemd graan op te drogen) en twee brouwketels. De brouwerij bestond toen uit een aantal panden die samen de brouwerij “het Dubbele Cruijs” vormden. (Koornmarkt 65 tot 71). In 1565 was Koornmarkt 67 (nu het museum Paul Tetar van Elven) pal achter de Oude Delft 48 de hoofdvestiging van de brouwerij, inclusief een rosmolen.

Het Dubbele Cruijs

Adriaen was een rijke graankoopman en was in elk geval in 1557 eigenaar van brouwerij “het Dubbele Cruijs”. Hij en zijn gezin bewoonden het voorhuis, het bier werd gebrouwen in het andere pand. De grote brouwers zoals Adriaen, verdienden veel geld. Ze behoorden tot de elite van de stad. Het verschafte ze veel macht waardoor ze vaak een plaats in het stadsbestuur in namen. Doordat er veel brouwers in het stadsbestuur zaten konden ze er zelf op toezien dat het water in de grachten niet verontreinigd raakten wat de kwaliteit van het bier ten goede kwam. Adriaen werkte zich ook op in het stadsbestuur en werd schepen en van 1550 tot 1553 was hij zelfs een van de vier burgermeester van Delft. In 1560 was Delft, na Amsterdam, de grootste stad van Holland met 14.000 inwoners. Een baan met aanzien dus.

Adriaen overleed 2 maart 1560 in Delft op 56 jarige leeftijd. Hij werd begraven in de oude Kerk te Delft. Na 1600 verdwenen de brouwerijen langzaam uit Delft vanwege de afgenomen vraag naar bier. Men dronk nu ook koffie en thee. Wanneer de brouwerij in andere handen is overgegaan weet ik niet, maar de brouwerij “het Dubbele Cruijs” heeft tot 1629 bestaan. Adriaen’s vrouw Baertgen woonde in 1565 niet meer in de brouwerij, maar in 1571 wel weer. Mogelijk heeft een van de kinderen het overgenomen.

Oude Delft 50-52

In het nationaal Archief in Den Haag ligt een familie archief van de familie van Adrichem met aantekeningen van Adriaen zelf. Het oud Hollands is misschien wat lastiger te lezen maar bied een schat aan informatie. Ik ben benieuwd of je je er door heen weet te worstelen.

Hier alvast een verklarende woordenlijst.

Pillegift = Het was in vroeger tijd gewoonte dat, wanneer een kind gedoopt werd, de zogenaamde doopheffers aan hun petekind een geschenk gaven.

Moey = tante

Orbiit = sterven

Op den XXV in junio anno XVc ende XXVII op synte Janspille hebbe ick ghetrout Baertghen Coers Jacopz. dochter van Naeldick op die Vliet ende ick was doen ter tijt oeut omtrent VII weken myn dan XXIIII jaeren ende Baertghen was out omtrent XV jaeren ende een halfwe.

Int jaer ons Heren XVc een ende doertich den IIII dach int januario, dat jaer ingaende op die jaersdach, doen woerde gheboren Claes Adriaensz. mijn eerste kynt smoerghens als die clock VI gheslegen was ende het was op een woensdach ende sijn peten waeren Machtelt Claes Adriaensz. weduwe sijn groetemoeder van sijn vaders weghen ende Philips Claesz. mijn broeder ende Adriaen Allertsz. op die Schie sijn oem van sijn moeders weghen; sijn groetemoeder ghaf tot sijn pilleghyft twie philipsgulden ende sijn oem Philips twie poent hoellants ende sijn oem Ariaen Allert twie rijnsgulden. Op den XXIIIIen dach in februario anno XVc ende XLII op synte Matijsdach, het jaer ingaende op jaersdach, doen stoerf Claes Adriaensz. op en saterdach, mijn eerste kynt, ende was out XII jaer ende VI weken ende eenen dach ende leyt begraven in de Oude Kerck.

Int jaer ons Heren XVc ende driendoertich, tjaer ingaende op die jaersdach, doen woerde gheboren Coersteiaen Adriaensz., mijn twiede kynt, op synte Valentijnsdach ende was op een vrijdach smoerghens voir vijf uren op den XIIII in februario ende sijn peeten sijn gheweest Claes Coernelisz. sijn oem van Delfgaeu ende gaf hem tot sijn pylleghyeft XXXII stuwers ende sijn oem Henrick Coerssen opt Wout ende ghaf hem tot sijn pilleghyft XXXII stuwers ende sijn moetgen Trijntghen Ariaen Allertsz. huysvrou ende gaf tot sijn pylleghyft XLII stuwers. Obiit tot Coelen den 20en junii anno 1585 wesende 52 jaer oudt.

Int jaer ons Heren XVc ende XXXV doen woerde gheboren Machtelt Adriaensdochter mijn doerde kynt ende is gheboren op den XXVII dach in julius ende was in der nacht ten twie uren twysschen die manedach ende dynxdach ende haer peten sijn gheweest Willem Koerssen haer oem ende gaf tot haer pilleghift XXXII stuwers ende Aeltghen Anthonis van Dick'en huysvrou ende gaf tot haer pilleghyft XXXII stuwers ende Aechgen Gheret Jacop Hovez. huysvrou haer moey ende gaf tot haer pylleghyft XXXII stuwers. Obiit haestich, wesende op haer woning bij Naeltwijck, den 30en augusti anno 1597, oudt wesende 62 jaer. 

Int jaer van XVc ende XXXVIII doen woerde gheboren Claes Adriaensz.mijn vierde kynt ende is gheboren op dat eerste uier in aprel snach[ts] ten eender uier twisschen die manedach ende soennedach ende sijn peten waren Gheret Jacop Hovez. sijn oem ende gaf tot sijn pilleghyft XXXII stuwers ende Jan Willemsz. van Doerp mijn neef in den Haghe ende gaf tot sijn pilleghyft twie  rijnsgulden ende Maertghen Claes Claesz. weduwe an Maeslantse sluys ende ghaf tot sijn pilleghyft XXI stuwers.

Int jaer van XVc ende XL doen woerde gheboren Adriana Adriaensdochter ende was mijn vijfde kynt ende is gheboren op den XXII in julius op een doenderdach smoerghens te ses uren ende het was op synte Marie Maddelenendach ende haer peten sijn gheweest Bely Claes Coernelisz. huysvrou haer moey ende gaf tot haer pilleghyft XXXI stuwers ende Maertghen Willem Fransz. dochter ende gaf tot haer pilleghyft XXV stuwers, Koers Willemsz. die soen van Willem Coersz. ende gaf tot haer pylleghyft XXVIII stuwers. Obiit tot Utrecht aprilis anno 1574,wesende 33 jaer oudt. 

Int jaer van XVc ende XLII den XII in junio doen woerde gheboren Martghen Adriaensdochter ende was mijn seste kynt ende is gheboren smoergens voir IX uren op synte Odulfusdach ende het was op een manedach ende haer peten sijn gheweest Adriaen Dierckdochter die huysvrou van Eliaes Claesz. ende gaf tot haer pielleghyft XXXIIII stuwers ende Coers Ariaen Allertsz. ende gaf tot haer pielleghyft XXXII stuwers ende Maertghen Tonisdochter <die huysvrou van> Dierck Jansz. Olyslaghers huysvrou ende gaf tot haer pilleghyft XLIIII stuwers. I

nt jaer van XVc ende XLV, tjaer ingaende op die jaersdach, op den II februario op vronlichmysdach smoerghens nae drie uren doen woerde gheboren Geertruyt Adriaensdochter ende was mijn sevende kynt ende haer peten sijn gheweest Ariaen Ariaen Allertsz. soen op die Schie ende ghaf tot haer pilleghyft XXXVIII stuwers ende Martghen Hughen die huysvrou van Anthonis Dierckz. ende gaf tot haer pielleghyft XLIIII stuwers ende Claertgen Coenssens in den Haghe die huysvrou van Jacop Wiellemsz. van Doerp ende gaf tot haer pielleghieft XLVIII stuwers. Obiit haestich, uuyt haer huys gegaen sijnde, worden onderwech sieck ende ginck in ten huyse van Tonis Cornelisz. laeckencoper, alwaer sij overleden es den 22en novembris anno 1600 tsavonts ontrent acht uuyeren, oudt wesende 56 jaer.

Op den XXXen januario anno XVc ende XLVII, tjaer ingaende op jaersdach, doen woerde gheboren Jacop Adriaensz. smoerghens een quartier nae ses uren ende was mijn achte kynt ende sijn peten sijn gheweest Anthonis Dierckz. van Dijck sijn oem ende gaf tot sijn pielleghyft XXXII stuwers ende Frans Mateeusz. brouwer ende ghaf tot sijn pielleghyeft VIII s VI g. vlaems ende Maertghen Willemdochter die dochter van Willem Coerssen van Naeldick ende gaf tot haer pilleghyft XXVIII stuwers.

Op den eersten julius anno XVc ende XLVIII doen woerde gheboren Machtelt Adriaensdochter tsavons te acht uren ende was op een soennedach ende het was dat leste quartier maents, die was ghenaemt nae mijn moeder saliger ghedachten ende haer peten waren Elias Claesz. mijn broeder ende Bely Claesdochter mijn suster ende Claesgen Hoellant Claesz. weduwe mijn moey. Dit voirs. kynt was besteet te Naeldick tot Ariaen Jansz. ende is aldaer ghestoerven ende begraven int graf van Machtelt Coers Jacopz. [doorgehaald: we] s.g. haer groetemoeder, doen out was drie weken ende was mijn IX kynt.

Op den XXIII april anno XVc ende vijftich op synte Jorysdach ende was op enen woensdach int eerste quartier maents doen woerde gheboren Machtelt Adriaensdochter savons ten thien uren ende was mijn thiende kynt ende is ghenaemt nae mijn moeder s. ge. ende sijn peten sijn gheweest Adriaen Arlewijnsz. ende gaf tot sijn pylleghyft drie philipsgulden styck van XXVII stuwers ende Machtelt Tonisdochter die huysvrou van Claes Claesz. Tou ende gaf tot sijn pielleghyft XLVI stuwers ende Janetgen Jansdochter die huysvrou van meyster Lambrecht Zuyerssen de brouwer ende ghaf tot haer pielleghyft twie philipsgulden styck tot XXVII stuwers. Dit voirs. kynt is besteet gheweest in de niewe proechi ende is ghestoerven ast out was VI weken ende leyt begraven in de Niewe Kerck.

Op den XXXen dach in mey anno XVc ende eenenvijftich op een saterdach tsavons te VII uren int leste quartier maents doen woerde gheboren Machtelt Adriaensd. ende was mijn elfde kynt ende is ghenaemt nae mijn moeder saligher memorie ende sijn pethen sijn gheweest Aechghen Gheret Jacop Hovez. huysvrou ende ghaf tot haer pilleghyft [niet ingevuld] ende Trijntghen Ariaen Allertsdochter ende ghaf tot sijn pilleghyft [niet ingevuld] ende Coersteiaen Adriaensz. mijn soen ende ghaf tot haer pilleghyft [niet ingevuld].

Oude kerk en Oude Delft

En nog als laatste, aantekeningen van zijn zoon over het overlijden van zijn vader Adriaen en zijn moeder Baertgen.

Den 2en maert anno 1560 nae tgemeen scriven is mijn vader Adriaen Claesz. s. in den Heer gerust, [in margine: 56 jaer], ende leyt begraeven in de Oude Kerck in Sint Joriskoer, alwaer twee graeven besien de anderen leggen, bij mijn moeder van de kerckmeesters gecoft. Den 8en januarii anno 1575 nae tgemeen scriven is mijn moeder Baertgen Corssendr. s. in den Heer gerust, [in margine: 62 jaer], ende leyt begraeven in de Oude Kerck in Sint Joriskoer besien mijn vader s. int tweede graff.

Knap als je het tot het eind hebt doorgelezen!

De familie van Adrichem had in de 16e en 17e eeuw behoorlijk wat invloed in Delft. Het regentenpatriciaat bestond vooral uit de volgende families: Van der Burch, Van der Dussen, Van Der Meer en dus de familie Van Adrichem. De kinderen van Adriaen trouwden veelal met afstammelingen van de andere heersende families. Daardoor bleef het regentenpatriciaat van Delft een hechte kliek van verwante families. De burgemeesters konden, door hun grote invloed, familie of bevriende relaties goede posities toespelen, om zo zelf steun te verwerven en in het zadel te blijven zitten. Volgende keer zal ik wat meer vertellen over een zoon van Adriaen die ook minstens zo succesvol was als zijn vader. 

zaterdag 19 november 2022

Reijers Jacob Ruiten

Je zou misschien verwachten dat al mijn voorouders die van Schokland afkomstig waren vissers waren. De meeste waren dat ook inderdaad. Met uitzondering van de familie Ruiten, daar is een visser in de familie een uitzondering. De eerste Ruiten die naar het eiland kwam was een timmerman. En diens zoon Jacob ook. Reijer Jacobs Ruiten, werd echter een arbeider op het eiland. 


Reijer was het jongste van acht kinderen van bovengenoemde Jacob Christiaensz Ruiten en Trijntje Reijers Kale. Reijer werd vernoemd naar zijn opa Reijer Jacobs Kale. 

Op 29-5-1773 werden Trijntje Reijers Kale en haar vader Reijer Jacobs Kale ontboden door dominee Van Nes en de ouderling Willem Klaasen. De predikant vroeg haar waarom zij de openbare predikatie en de bijzondere woensdagse catechisatie al enige tijd niet meer bijwoonde, en in plaats daar van naar de Roomse kerk in Emmeloord ging. Trijntje antwoordde hierop dat zij niets tegen de gereformeerde leer had, maar dat zij geloofde in de Roomse leer. Op de vraag of zij, zo het gerucht ging, Paaps wilde worden, gaf Trijntje een bevestigend antwoord. Hierop werd haar "de verregaande onzinnigheid en onverantwoordelijkheid" van haar handelwijze onder ogen gebracht, en is zij "op het aller ernstigste en bewegelijkste vermaant af te staan van zulk een ongeregtigheit, en vermaant met een zware boetevaardigheit weder te keren tot den schoot en leere der kerke, Die zij aanvankelik tegen de wil van haren ouden vader, en tegen voorgaande vermaaningen schandelijk verlaten had, onder de kragtigste bedreiging, indien zij zich niet bekeerde van Gods tijdelijk en eeuwig oordeel’". Geen vrijheid van godsdienst voor Trijntje dus. Een maand later verdronk haar vader in de Noordzee. Zouden de bijgelovige Schokkers dit ook zien als een straf des Gods? 

Reijer Jacobs Ruiten trouwde toen hij 19 jaar was met zijn volle nicht Trijntje Willems Kleusien. Pastoor Doorenweerd schreef hierover in zijn dagboek " Ter gelegenheid dat ik bij den aanvang dezes jaars 1807 om eene dispensatie aan zijne Amplit. N.M. Pas voor Raijer Ruiten en zijnè volle nigte Trijn Willems Klusje schrijven moeste, deed ik er de volgende brief in onze taal, van den 8 jan. gedagtekend bij". Trijntje overleed negen maanden na de bruiloft. Slechts 22 jaar oud. 

Anderhalf jaar later trouwde Reijer met Gerritje Alberts Kok. Het gezin bestaande uit 6 personen, woonde in 1825 op de Middelbuurt in Schokland op huisnummer. 35. Zij hebben ook gewoond op Ens 41 .In 1832 waren zij eigenaar van een huis op Ens, sectie B, kadasternummer 39, groot 16 vierkante el.

Middelbuurt (Ens)

Op 16 mei 1820 spookte het weer eens hevig op de Zuiderzee. De schipper Theodorus Brink uit Meppel en zijn knecht raakten die dag bij Schokland, ten noord-oosten van de buurt Emmeloord, door de storm in de problemen. Hun schip bleek lek te zijn en kon met pompen nauwelijks meer boven water gehouden worden. Zij gooiden in doodsangst het anker uit en hesen een “noodschouw” in de mast. Met dat laatste werd waarschijnlijk bedoeld dat ze een vlag “in sjouw” hesen, een gedeeltelijk opgerolde vlag, of een vlag met een knoop erin, ten teken dat men in nood verkeerde.

Het noodsein werd gezien door Jacob Staats, een schipper uit Durgerdam, die besloot op Schokland hulp te gaan halen. Hij voer dus door naar de buurt Ens, en nam daar de arbeiders Pieter Jacobs Coridon, Reijers Jacob Ruiten, Gerrit Machiels Klein en Roelof Burger aan boord. Met hulp van deze vier nergens voor terugdeinzende Schokkers slaagde Jacob Staats erin om het in gevaar verkerende schip met zijn bemanning te redden.

Storm Middelbuurt

Schout Lucas Seidel meldde dit voorval aan de gouverneur van de provincie Overijssel, die op 6-6-1820 besloot: "…. aan den Schout van Schokland te kennen te geven onze bijzondere tevredenheid over het gedrag en betoonde menschlievendheid van de vier genoemde ingezetenen van het Eiland Schokland. "

En daar moesten onze vier dappere Schokkers het mee doen: geen mooi getuigschrift of een flink geldbedrag ditmaal, geen medaille of een fraai horloge, maar gewoon een simpel bedankje. Dat is ook mooi natuurlijk, maar misschien hadden ze toch stiekem gehoopt op iets meer….

Bron: Schokkererf


zondag 6 november 2022

Vonnissen te Assen

Vorig jaar was ik voor de tentoonstelling over het leven van Frida Kahlo in Assen. Opnieuw een bezoek brengen aan het Drents Archief voor vervolgonderzoek naar de familie van Adrichem stond al lang op mijn lijstje. Ik besloot het bezoek aan de tentoonstelling te combineren met een bezoek aan het archief waar ik graag de vonnissen van de rechtbank te Assen in wilde zien over het gezin van Adrichem. Deze gegevens zijn niet online te bekijken en het archief ligt op loopafstand van het museum, dus twee vliegen in één klap. Een dag van te voren heb ik de documenten die ik wilde zien gereserveerd en deze lagen, heel fijn, bij aankomst al op me te wachten. 

Drents Archief

Dat het gezin van Johannes Huibert van Adrichem lang in de koloniën van Weldadigheid heeft gezeten was me al bekend, maar ik was heel erg benieuwd wat ze nu hadden gedaan om daar te recht te komen. 

Het eerste vonnis was van Johannes Huibert van Adrichem, negenendertig jaar, geboren in Rotterdam en Hendrikje Vitjeroo, vierendertig jaar oud, geboren in Leeuwarden en laatst wonend in Amsterdam, beide zonder beroep. Ze hadden op dat moment één dochter, Johanna Catharina Vitjeroo, twee jaar oud, geboren in de Ommerschans.

Op 23 januari 1858 verklaard de heer G. Boekhout, veldwachter te Havelte, onder ede dat Johannes Huibert en Hendrikje bij hem aan de woning om brood hebben gevraagd. 

In het vonnis staat vervolgens; Artikel 227 en 207 in het Wetboek van strafvordering en artikel 52 van dat strafregt, mitsgaders van artikel 19 van de wet van 29 Junij 1854, welke artikelen, voor zooverre hieronder ingevoegd, luiden; Artikel 19 "Die bedelende wordt gevonden in eene plaats, voor welke een openbare inrigting ter voorkoming van bedelarij bestaat, wordt gestraft met een gevangenisstraf van veertien dagen tot zes maanden. De Regter kan gelasten, dat landloopers en bedelaars, na het uiteinde der gevangenisstraf naar een bedelaarsgesticht of werkhuis zal worden overgebragt."

Ze worden veroordeeld voor eenvoudige bedelarij en krijgen een gevangenisstraf van veertien dagen en opzending naar een bedelaarsgesticht. Johanna Catharina Vitjeroo wordt met haar twee jaar vrijgesproken omdat ze "niet heeft gehandeld met het oordeel des onderscheids" Dit oordeel des onderscheids wordt benoemd in een artikel "Wanneer de beschuldigde beneden de zestien jaren oud is , zal hij, indien het uitgemaakt is, dat hij zonder oordeel des onderscheids gehandeld heeft, vrijgesproken worden, maar hij zal naar gelang de omstandigheden aan zijn nabestaanden teruggegeven worden of in een verbeterhuis gebragt worden". Met oordeel des onderscheids wordt zoiets bedoeld als het beoordelingsvermogen of iets goed of slecht is. Wordt gedacht dat de gedaagde dit niet kon beoordelen op dat moment dan wordt diegene vrijgesproken. Zo ook de tweejarige Johanna Catharina, die uiteraard hiervoor te jong was. Ze wordt aan haar ouders teruggegeven en hoewel vrijgesproken gaat ook zijn veertien dagen naar een correctiehuis en daarna naar een bedelaarsgesticht. In dit bedelaarsgesticht moeten ze de kosten terug verdienen die zijn gemaakt voor deze zitting. In dit geval is dat twee gulden en zesenvijftig ééntweede cent. 

Rechtbank Assen

Mijn eerste gedachte was, wat dom on nu juist bij een veldwachter te gaan bedelen. Maar toen bedacht ik me dat dit niet de eerste keer was dat Johannes Huibert en Hendrikje naar een bedelaarsgesticht gezonden zouden worden. Ze hebben elkaar tenslotte leren kennen in de Ommerschans waar dochter Johanna Catherina ook is geboren. Het was al Johannes Huiberts zesde keer dat hij opgezonden werd. Mijn vermoeden was dat het een bewust handelen was. Een manier om te zorgen dat ze weer werden opgezonden zodat ze weer een onderdak, kleding en eten hadden. Ze moesten er wel hard voor werken maar het was beter dan met een klein kindje bedelend door Amsterdam zwerven. Johannes Huibert had een mank been en werk vinden zal voor hem moeilijker zijn geweest. Als beroep gaf hij aan schrijver te zijn. Dit zal geen boekenschrijver zijn geweest, maar vermoedelijk iemand die brief of documenten schreef voor instanties of ongeletterden. Het geeft wel aan dat hij zelf lang genoeg onderwijs heeft genoten en de taal voldoende machtig was in schrift. 


Het gezin wordt eerst opgezonden naar de Ommerschans waar ze uiteindelijk een hoeve gaan beheren aan de nu Zelhorstweg 10 in Vinkenbuurt (Ommen). In 1861 wordt het gezin opgezonden naar Veenhuizen. Waarna ze na een aantal jaar hun schulden hebben afgelost en weer in vrijheid worden gesteld.

 

Het volgende vonnis kom ik pas in 1870 tegen. Het gezin was inmiddels flink uitgebreid. Het is 28 december 1870, en in de rechtbank staan Johannes Huibert van Adrichem, volgens opgave eenenvijftig jaar oud, geboren te Rotterdam en zijn vrouw Hendrikje Fitjeroo, volgens opgave zevenenveertig jaar oud, geboren te Leeuwarden en hun kinderen Johanna Catherina Fitjeroo, volgens opgave van de eerste persoon, Johannes Huibert dus, is dit kind ook van hem en is ze geboren voor het huwelijk van Johannes Huibert en Hendrikje. Ik dacht dat Johanna Catharina een dochter kon zijn van Hendrikjes eerste echtgenoot Jacobus de Haan. Hendrikje bevalt namelijk acht maanden na het overlijden van haar eerste man Jacobus. Ook heb ik gedacht dat er mogelijk nog een andere vader kon zijn geweest, maar hier geeft Johannes Huibert aan dat hij de vader is. Hendrikje en Johannes moeten dan al een relatie hebben gekregen voor Hendrikjes eerste man Jacobus overleed.

Johanna Catharina is in 1870 zestien jaar oud en geboren in de Ommerschans. Het tweede kind is Johannes, volgens opgave dertien jaar oud, geboren in de Ommerschans. Derde kind is Hendrik Wijnandus Arie van Adrichem, elf jaar oud en ook geboren in de Ommerschans. Het vierde kind is de tien jarige Gerhardina, zij is geboren in Veenhuizen. De plek waar ze ook allemaal als laatst gewoond hebben. Allen zijn ze zonder beroep. 

Op tweede kerstdag 1870, het was buiten -5 graden, werden de drie jongste kinderen bedelend aangetroffen door de veldwachter van Assen, alle drie vroegen ze hem om een cent. Dit moet wel bewust zijn geweest, als je kijkt naar het eerder genoemd artikel 19. De kinderen onder de zestien worden er op uitgestuurd om te bedelen, dochter Johanna Catharina van zestien jaar niet. Wel wordt dit strafbaar feit gepleegd met oordeel des onderscheids. Dat betekend dat ze oud genoeg zijn om te weten wat ze doen en daarom wordt het hele gezin veroordeeld tot een dag gevangenisstraf en met het hele gezin opgezonden naar een bedelaarsinrichting. De kosten voor het geding zijn twee gulden en drieëndertig eentweede cent. Ik vind het een triest beeld, drie kinderen van tien, elf en dertien jaar oud er op uitsturen om te bedelen bij de veldwachter zodat je veroordeeld wordt en weer een dak boven je hoofd krijgt. He gezin zal uiteindelijk twee jaar in Veenhuizen blijven. Het is wel de allerlaatste keer dat het gezin een zogenaamde lijfsdwang krijgt opgelegd. Op tweede kerstdag 1872 worden ze vrijgelaten en zullen ze nooit meer in de koloniën van weldadigheid terug keren.



Wie ook meerdere keren veroordeeld wordt voor bedelen in Assen is de oudste zus van Johannes Huibert van Adrichem. In 1863 wordt Johanna Maria van Adrichem, geboren te Rotterdam, laatst gewoond hebben te Amsterdam, naaister van beroep, veroordeeld wegens bedelen. Ze heeft aan de H. Meffert te Assen gevraagd om een aalmoes. Ze moet veertien dagen naar een correctiehuis en daarna wordt ze opgezonden naar een bedelaarsgesticht. Ze moet één gulden en zevenentachtig eentweede cent betalen voor de kosten voor het geding.


Vervolgens staat ze in 1876 weer voor de rechtbank. Volgens opgave moet ze veertig jaar zijn, dit klopt niet, ze moet een jaar of zevenendertig zijn geweest. Ze is net als haar broer geboren te Rotterdam en ze is laatst verpleegd te Veenhuizen. Ze is zonder beroep en ook veroordeeld wegens bedelen. Op 5 december van dat jaar vraagt ze om een cent bij de heer Dremes. Ze wordt veroordeeld tot gevangenisstraf van een dag en daarna net als haar broer en zijn gezin opgezonden naar een bedelaarsgesticht. Wegens grote armoe van de beklaagde krijgt hoeft ze de kosten voor het geding niet te betalen. 


In 1874 duikt er weer een vonnis van haar op. Johanna Maria is dan vijfenveertig jaar en opnieuw zonder beroep en laatst verpleegd te Veenhuizen. Ze bedelt opnieuw bij de eerder genoemde heer Dremes om een cent. Ze moet dit keer zevenennegentig cent betalen voor het geding nadat ze haar gevangenisstraf van een dag en haar verpleging in een bedelaarsinrichting heeft uitgezeten. In 1878 is ze negenenveertig jaar en laatste woonplaats is Veenhuizen. Nu vraagt ze aan H. Lodekamp om een cent. In 1882 tref ik haar voor de laatste keer aan, ze is dan tweeënvijftig jaar. En weer volgt dezelfde straf. Opvallend is dat alle "misdrijven" zijn gepleegd in december. Ik heb het nagekeken en elke keer lag de temperatuur rond het vriespunt. Ik probeer me voorstellen hoe wanhopig je moet zijn om bij de veldwachter te gaan bedelen, wetend wat de consequentie hiervan is. Ondanks de slechte omstandigheden moeten de Ommerschans en Veenhuizen aanlokkelijker zijn geweest dan in vrijheid te leven onder armoedige omstandigheden. Het is in deze tijd, ondanks de crisissen waar we nu mee te maken hebben, bijna niet voor te stellen hoe het moet zijn om zo te moeten leven. We klagen hard, maar vroeger was echt niet alles beter.

Ik vraag me nog wel af of Johannes Huibert zijn zus Johanna Maria of hun andere broer Wijnandus nog eens is tegengekomen in zijn omzwervingen of tijdens zijn periodes in Veenhuizen en de Ommerschans. Hij heeft er tenslotte met tussenpozen bijna dertig jaar gezeten. En ook Johanna Maria en Wijnandus gingen erin en eruit. Als Johanna Maria overlijd, in 1888 in Amsterdam, alleen, zonder ooit een man of kinderen te hebben gehad, is er sprake van een onbeheerd nalatenschap. Ik hoop ooit dit in te kunnen zien, om te kijken wat en of er iets is nagelaten en of iemand, misschien Johannes Huibert het ooit heeft opgeëist.